Den 137. Psalm

Anna Roemersdochter Visscher

Doe wij bedruckt, van onse landt versteken,
Neer-saten aen de Babilonsche Beken,
Als gij ons quam, ô Sijon! in den sin,
Kon niemandt sucht noch tranen kroppen in:
En' hebben, ach! (met droefheid heel bevangen)
Ons' luijten/herpen aen de wilgen op-gehangen.

'T volk dat ons ving, noch schamper quamen vergen
Ons, om een liedt (helaes maer om te tergen!)
Van Sijons lof, of van Jerusalem,
Hoe souden wij verheffen onse stem,
Hier zijnde vreemdt, beswaert en' vol ellenden,
Bij liên die Godt noch zijne wet nooijt kenden?

Souw ik om lief, of leet, om kruijs, of smerte
Jerusalem! u stellen uijt mijn herte;
Zo moet mijn handt nooijt speel-tuijch roeren aen,
Mijn tong kleeft vast, en' spreken zij gedaen,
Vergeet ik u, en niet tot allen tijden
U achte voor mijn alderhoochst verblijden.

Gedenckt ook Heer op Edoms volck baldadich,
Doe sij uw' stadt vernielden ongenadich,
En' (ons ten spijt) schreeuwden met luijde keel;
Smijt stucken! Brandt! Rok af! Laet niet geheel!
De grondt wroett om! Dat de gebroken steenen
Ons lust om sien, hun oorsaek sij van weenen!

Doch sal de wraek u, Babel, achter-halen.
Wel hem die u de smaedt weer sal betalen,
Ons aen-gedaen. Wel salich sij de geen'
Die rocken sal uw' kinders van de speen,
Of uijt de wiech: en' niet beweecht van 't krijten,
Te bersten op de herde steenen smijten.

[Meer psalmvertalingen, -berijmingen en bewerkingen]