Op het ongeluk der Nederduitsche taalkunde en taalverbeteringe

J. Vollenhove


Sed quid ego haec autem necquiquam ingrata reolvo?

't Hervormen van ons taal, daar menig geest in dut,
Is ieder even na, maar elk niet even nut.
Taalmeesters vint men, die gebreken, waardt te lasteren,
Met feilen betren, die de taal noch meer verbasteren;
Aan 't zwetsen vallen met veel woorden, valsch van klank,
Van anderhalven voet, die nergens gaan in zwangk;
Zo hardt, zo duister, dat de zin niet is te vatten,
By hen dus hoog van prys, gelyk de verborge schatten.
Den meesten lust aan geen verbeetring; 't wort gewraakt,
Wat naar Latynscheit en den styl van 't hof niet smaakt.
De luiheit schrikt voor 't werk, en past op niemants oordeel,
Al zong hier Orfeus zelf, zyn voorzang gaf geen voordeel.
't Onbuigsaam onverstant, waar by geen reden gelt,
Verscheurde fel zyn leên, en strooideze over 't velt.
Het hemelsche geluit, dat tucht in 't woud kon planten,
Most zwichten voor 't gebulk van razende Bacchanten.