Joost van den Vondel (1587-1679)

(ONAFGEWERKT BEGIN

VAN)

ROZEMOND.

TREURSPEL.

Aļ. 16??

EERSTE BEDRIJF.

PAUSELIJK GEZANT.

Een manshart kropt zijn nijd, die uitbarst hij de vrouwen,
Sofia! wat al leeds hebt gij Gods Kerk gebrouwen,
Met eenen schimpscheut (ach! een schimpwoord vrij gering)
Die Narses, door het hart, na, zijn vijf zinnen ging, (*)
En, als een pijl, uw tong zou los en bits ontglipte;
Waar door zijn eerste trouw, uit wraakzucht overwipte,
En schendde AlboÔn, der Langebarden hoofd,
Den Roomschen op het lijf. ItaliŽ beroofd,
Gekneveld, afgebrand, geschoren, en geschonden, -
Van God, Alaan, en Hun, gevoelt, in versche wonden,
Helaas! een nieuwen slag, van dí oversnoodste smet,
Die, van het Baltisch strand, zich had met kracht gezet
In ít vet PannoniŽ; van waar zij, met dees vreemden,
Avaar, Bulgaar, Sarmaat, en Sax, op al de beemden
Van Po en Arnus viel, in een veel eedler wei,
En aan de wolken dreef dit jongste landgeschrei.
Sofia! oordeel nu, of gij wel, hij uw leven,
Dit opgezette web van Narses af zult weven,
Dit aas (van dien besneÍn gebezigd tot een toom
Der Gothen, reis op reis) regeert nu aan den stroom
Des Ticiners, op ít hof; gebiedt, dat elk dit kenne,
En drijft, tot voor de poort van Rome en van Ravenne,
Justijns bezettingen te steÍn en sloten uit,
En niemand heeft het hart, dat hij dit euvel stuití;
Want wat kwam Ticinum zijn tegenstand te stade,
Als ít, na drie jaar, zijn poort opzette, ter genade
Des wreeden Langebards, die, met dat gruwelwoord,
Zijn zwarte ziel verzwoer aan ís overwonnens moord?
En zeker, had het paard, ten intreÍ van de wallen,
Uit mededoogen, niet dien vloek te voet gevallen,
De stad waar reÍ, in bloed en rook en vier, vergaan,
Vergeten, en geen mensch zou Ticinum zien staan
Ter stede, daar ít nog staat, ons onder ít juk te zweeten.
Ook hebben dierte en pest ons zenuwen gesleten,
En ieder lands-aard van dit mengsel maakt zich sterk,
En acht zich mans genoeg, gansch Kristenrijk een werk
Te rokkenen, dat niet kan worden afgesponnen,
Als met een zwaren tocht. De Gothen, in Narbonne
En Spanje, en ook de Hun (die sterk den Donaukant
Voor AlboÔn bewaakt, in ít ingeruimde land)
Beloofden, op zijn trom, in ít harnas aan te stappen.
Vier Fransche koningen, ontzagbre zwagerschappen,
Handhaven dezen Vorst, in ít overheerd bewind,
Uit gunst tot dí eerste vrouw, hun zuster Klodeswind,
Hem van Klotaar, in echt en eigen, opgedragen,
Om zoo veel dapperheÍn, getoond in trotsche slagen;
En wat er overschoot, na ít slaan van Koenemond,
Wiens bloed zijn koets herwarmt, dat bergde zich terstond,
Uit schrik, in zijnen eed, en vollegde te gader
Den man van Rozemond, zoo trouwlijk als haar vader.
Wat rest er, tegens dit oukneusbare aartsgeweld,
Voor ons, dan dat men God, die ít onweÍr wetten stelt,
Geduldiglijk het stuur des rijks bevele, in ít midden
Van ít bulderen, en, met schenkagiŽ, schatting, bidden,
Terwijl vermurwe en streelí dien grooten dwingeland,
Tot hindring van meer kwaads; waarom ik, een gezant
En mond van Paus Joan, ten dienst der myterkrone,
Van Ticinum den vorst hier navolg, te Verone;
Alwaar dees onderdrukte en bange burgerij
Dien Heiden vieren ziet liet vrolijk jaargetij
Der zege, op AudoÔn, in ít bloedig veld, bevochten.
O Heilandl wil ons eens vast deze landgedrochten
Verlossen, door de vuist van een rechtschapen held!
Maar och! gij meet het perk van elk saizoen, en smelt,
Wanneer uw zon genaakt, dees sneeuwjacht uit den Noorden;
ít Is u bekend, of God met Langebardsche koorden
Het Oosten temmen wil, van wien het Westen lijdt
Meer wrevels en meer hoons, dan ooit van Geet of Scijt;
Want of de Bosporus braveert het hoofd der vlieten,
Den Tiber lang verdrukt, ít zal God in ít eind verdrieten.
God vrij ít Latijnsche recht, schuif ít Grieksche juk van hier,
En smijt (behage ít hem) dees landroede eens in ít vier!

(De volgende PersonagiŽn leeren hun rol)

Hier eindigt het werk.

 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001