Joost van den Vondel (1587-1679)

DE

HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.

Aan de Oud-vaderen, Priesteren, Koningen, Profeten, en Helden.

Klinkert.


Oudvadren, uit wiens stronk de stammen zijn gesproten:
Aartspriestren, die ít altaar met vuur en vleesch besloegt:
Gekroonde koningen, die dí heilíge scepters droogt:
Profeten, die den volkí hebt Gods geheim ontsloten,

En strijdbaarí helden, die met schitterende degens
Den vijand ít voorhoofd boodt, en randden Moab aan
En Ammons ridderschap, en tí huis keerde, overla‚n,
Met bloedige trofeÍn, met zoo veel roofs en zegens:

Duidt, dat mijn Zangeres komt met haar herp verbreÍn,
Hoe gij geteeld, gesmooktí, geheerscht, geleerd, gestreÍn,
En overwonnen hebt; duidt, dat ik mij vermake

En spiegel in uw deugd, en andren mede deil
Al ít geen de Geest beschreef tot nut van ís menschen heil
Op dat elk een met mij in. ís Hemels liefde blake.

DOOR EEN IS íT NU VOLDAAN.

DEN WIJZEN, GELEERDEN EN WELERVAREN HEER

JOHAN FONTEYN,

DER ARTSNIJEN DOCTOR, EN LIEFHEBBER VAN ALLE GOEDE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

Al is het zoo, dat de menschen zich met recht bedroeven moet, en schaamrood zijn aanzicht ter aarden slaan, wanneer hij aanmerkt, hoe vele zwakheden hij in dit leven onderworpen is, zoo dat men met recht, voor zoo veel het lichaam aangaat, alle onvernuftige dieren mag gelukkiger achten, en boven hem stellen: nochtans aanziende, hoe God almachtig zoo velerhande zaden, wortelen, kruiden en andere dingen laat opwassen, om zijn gebreken weg te nemen en zijn wonden te zalven, zoo kan hij wederom moed scheppen, en zich billijk in zijn ellende troosten, gemerkt hij nog raad voor zijne kwalen vindt. En evenwel of de nature jaarlijks zoo veel nutte spruiten uit haren schoot en boezem te voorschijn brengt, zoo waar deze troost nog ijdel, indien God de eeuwen niet doorgaans zegende met kloeke en verstandige genezers, die de ziekten kennen en onderscheiden, en de heilzame artsnije den kranken bekwamelijk toepassen. De oude Heidenen hebben dit, hoewel niet in zijn rechte mate, erkend, wanneer zij kerken bouwden, en als Goden eerden den genen, die in deze hemelsche kunst uitmuntig en den kwijnenden troostlijk waren: gelijk zij, ouder andere, ∆sculapius als een God hebben aangeroepen, die zelf te Rome zijnen tempel hadde, en van wie gezegd wordt, dat hij de bleeke schimmen ter Hellen uit dede komen. Indien wij hedendaags ook tot die blinde afgoderije geneigd waren, wij zouden lichtelijk mede in dat gebrek vervallen: want onze eeuwe is zoo ongelukkig niet, of wij zijn gezegend met uitnemende verstanden, die in deze Goddelijke wetenschap uitsteken; en zoo het ons als den Grieken geoorloofd waar, de waarheid met versierde sprookskens te bewimpelen, en onder de schorse van gedichte fabelen te verbergen; wij zouden mogen voortbrengen, hoe in Holland, omtrent den Amstel, een Fontein gevonden wordt, die door hare springaderen zoo heilzame druppelen uitwerpt, dat ontallijke kranken, die ze smaakten, haar verloren gezondheid weder gevonden hebben. Wat dit gezeid is, kan een ieder licht vaten, die den raad gebruikt en de hulpe genoten heeft van uwe E., die deze loflijke stad een Fontein van heilzame artsnije verstrekt, en die billijk moogt gerekend worden onder het getal van die gans, daar de geleerde Tomnas Garzon afgetuigt, Ąche per invidia doí loro nomi da se stessi chiari e famoai, piu che non sono i raggi di Febo ŗ mezo giorno. (d.i. die om hun naam benijd, uit zich zelf, meer dan de stralen der middagzon, vonken en schitteren) Zoo dat wij, overwegende de ontvangen diensten en weldaden, ons licht aan uwe E. zouden vergrijpen, ten ware dat wij God erkenden te wezen de eerste oorzaak en borne, van dewelke alle goede gifte ende alle volmaakte gave is afdalende: die ook de sterflijke menschen als werktuigen tot zijns naams eere bezigt. Waarom wij dan naast de Alderhoogste met recht de zulke, om der kunsten wille, in haar behoorlijke mate eeren, en in weerden houden. Het welk mij ook veroorzaakt, deze mijn Helden Godes uwe E. op te dragen: waar toe mijn Zangeresse gantsch geneigd is, overmits uwe E. de dichtkunst met een lieflijk gemoed omhelst, ook somtijds uit lust oeffent: zoo dat uwe E. zeer gevoegelijk evenaart met de voortreffelijke Erotimus, daar de hoogdravende heer Torquato Tasso, in het elfde gezang van zijn Gierusalemme Liberata, aldus af zingt:

En dí oude Erotimus alreÍ van Padus vliet
Zich tot ís gekwetsten troost met vlijt gebruiken liet:
Die van het heilzaam nat, van planten, en van kruiden
ít Gebruik verstond, en wist elks krachten te beduiden,
En had de gunste nog der Muzen op zijn zij,
Doch met de minder eer vernoegd was van artsnij;
De kwijnendí hij den dood alleenlijk zocht tí ontschaken,
n veler namen hij onsterfelijk kost maken.

Ontvangt dan, jonstige en konstige Fontein! zulks als ons de Hemelsche Fonteinader gejond heeft, en blijft zoo genegen om de kranke lichamen op te helpen, als zij wel ernstig aanhouden, om uwe hulpmiddelen te genieten, en leeft langer als wij wenschen dorven.

tí Amstelredam, den! 1. van Sprokelle! 1620.
Uwe E. en A. dienstschuldige
I. V. VONDELEN.

AAN DEN

OPMERKENDEN EN VERSTANDIGEN LEZER.

Die, een kwaad voorschrift nabootsende, wat goeds waant te maken, is verre verdoold. Een goed leerling moet dan noodwendig op een goed voorbeeld steroogen. Zoo gaat het in menschelijke kunsten en wetenschappen: zoo ook in heilige en Goddelijke oefeningen. Hier zijn voor al goede voorgangers van noode, om geen slimme gangen te gaan. De alderbeste en veiligste zijn schriftuurlijke, en zulke die de Heilige Geest heeft doorluchtig gemaakt: ítwelk zijn de Heiligen des ouden en nieuwen verbonds. Die van ít oude verbond brengen wij hier, als op het tooneel, voor eerst te voorschijn. Geen ware Godgeleerde zal ons hierom met donkere wijnbrouwen stuurs aanzien: want wij doen effen het zelfde, dat de Godgeleerde schrijver tot den HebreÍn al over lange dede, als hij (aanmerkende, dat al wat voorhenen geschreven, ons tot leeringe nagelaten was) de Vaderen des Ouden Verbonds optelde, en haar heerlijke daden elk in ít bijzonder den geloovigen Kristenen op het rijkste voor oogen schilderde, en, als een goed huisheere, niet alleen nieuw, maar ook oud uit zijn trezoor voortbracht. Hier over was hij zoo weinig te berispen, als Kristas, zijn Meester, die hem op dusdanige wijze was voorgegaan. Wil men ons voorwerpen, dat men de voorbeelden des ouden en nieuwen verbonds met onderscheid moet aansnerken: dat wij de Heiligen, die vůůr en onder de wet leefden, moeten navolgen alleen in ítgene, daarin zij ons als navolglijke voorbeelden zijn nagelaten: zulks staan wij toe, en dit heeft ook de gedachte schrijver omzichtig aangemerkt, als eener, die wel verstond, dat de wet door Mozes gegeven, maar genade en waarheid door Jezus Kristus geworden was: dat de wet de schaduwe van toekomende goederen, en niet het beeld der dingen zelve behelsde. Hier most gewisselijk op gepast zijn. Die dat niet dede, zoude lichtelijk een mengelmoes van de Wet en het Evangelie maken, en een verboden MozaÔsche, met een geoorloofden Kristelijken Godsdienst te zamen smelten. Nu in Kristusí dood het voorhangsel des tempels gescheurd is, weten wij, dat de donkere schaduwen des wets voor het licht van de Evangelische waarheid wijken moeten: dat de vergaderinge der geloovigen niet alleen te Jeruzalem, maar aan alle oorden der wereld heilige handen tot God mag opheffen. Kristus, des wets einde, jont alle dingen een ander aangezicht. In hem is het oude vergaan, en het is al nieuw geworden. Zie ik den eersten aardschen Adam gevallen, ik gedenk aan den anderen hemelschen, die door zijn volkomen en onbevlekte gerechtigheid den gevallen mensche, volgens zijn gedane belofte, wederom heeft opgerecht. Zie ik Abraham al bestorven het mes trekken, om zijnen eenigen Izašk te offeren: mij schiet in den zin, hoe God de Vader de wereld alzoo lief gehad heeft, dat hij zijnen eenigen Zone gaf tot den smadelijken dood des kruises, en ik verwonder mij beide over Gods vaderlijke liefde tot het menschelijk geslacht, en Jezusí kinderlijke gehoorzaamheid neffens zijnen Heinelschen Vader. Verneem ik, hoe Jozef in Egypten op den troon der eeren zit, om gedurende de gezegende oogsten te voorzien tegen de aanstaande onvruchtbare tijden: zoo word ik gedachtig, hoe Kristus ter rechterhand zijns Vaders zittende is verheerlijkt, en tot een hoofd der gemeenten gezalfd, om te waken over zijn strijdende Kerke. Leidt de oude Wetgever, Mozes, IsraŽl uit Faroís slavernije: Kristus, de nieuwe Wetgever, voert zijn volk uit der zonden dienstbaarheid, en het geweld des Duivels. Gaat Ašron in het alderheiligste wierooken: Kristus, onze warachtige Hoogepriester, niet door bokken of kalveren, maar door zijn eigen bloed, offert hem zelven zijnen Vader tot eenen zoeten reuk, en verschijnt voor ons in den Hemel voor het aanschijn van Gods onverdraaglijke Majesteit. Zoo de IsraŽlieten haar van Jozua, Gedeon, Samson, en andere, als van hare Verlossers roemen: wij beroemen ons van den Heiland aller menschen, hetwelk Jezus Kristus is. Keert David al bebloed en zegenrijk, met roof overladen, van den slag der kinderen Ammon: Kristus, onze geestelijke koning, met het kruis overwonnen hebbende, vaart met veel heerlijker trofeŽn de poorten in van het nieuwe Jeruzalem, en wordt gewillekomd van veel duizendmaal duizend Engelen en Hemelsche Heerscharen. Verwonderen haar de IsraŽlieten over Salomons wijsheid en heerlijkheid: Kristus, de wijsheid Gods, heeft schoonder luister, en zijn glorie en majesteit verdonkert de eere van Davids nazaat. Hebben de Joden veel Profeten tot onderwijzers en leeraars: wij luisteren naar eenen grooten Profeet en Leeraar, die ons van den Vader uit de wolken bevolen wordt te hooren, en op wiens brein de driemaal heilige Geest, als een zuiver duifken, heeft gerust, doen zich den Hemel opende. Wederom vermaant mij Abel tot oprechtigheid: Melehisedech tot rechtveerdigheid: Loth tot gastvrijheid: Abraham en Izašk tot gehoorzaamheid: Jacob tot ootmoed: Jozef tot kuischheid: Mozes tot zachtmoedigheid en getrouwigheid: Jozua en Caleb tot standvastigheid: David tot vurigheid en dankbaarheid: Salomon tot godzaligheid: Micha tot vromigheid: Hiob tot geduld: Tobias tot godvruchtigheid, &c. Hebben deze Goddelijke helden en Hemelsche fakkelen eenige deugden met malkanderen gemeen, gelijk zij doen: zij zijn ook door dí een of dí ander deugd van den ander onderscheiden. Elk in ít bijzonder munt in iet wat bijzonders uit: gelijk kostelijke steenen, peerlen, en diamanten, die, alhoewel ze te zamen dierbaar en van uitnemende weerde zijn, nochtans ergens in, door zekere schoonheid, verwe, glans, of maaksel onderscheiden worden, en gelijk de sterren in ít voorhoofd des blinkenden hemels, die, schoon zij te gader licht en helder zijn, nochtans in glans en klaarheid ook in grootheid verschillen. Hier hebdy de Vaderen, uit wiens lendenen zoo doorluchtige stammen gesproten zijn, en die op de Goddelijke beloften gesteund hebben. Hier ziedy de Priesteren,die God naar zijn eeuwige wijsheid, als met zijn hand, gekleed en gecierd heeft. Hier aanschouwdy de helden, wien God zelf het mes heeft op de zijde gegord, en die met haar vromigheid ons tot den geestelijken strijd opwekken. Hier pronken de koningen, die, met balsem overstort, het haar met gulde kroonen dekten, en met de rechterhand de beperelde rijksstaven zwaaiden: en hier hoordy de Profeten, door wiens mondde Geest des Heeren heeft getrompettet de komst van de beloofde Messias. Dit zijn de Koningen, Priesteren, Heiligen, en Profeten, die met gerekten halze hebben uitgezien, en verlangd naar den grooten Zaligmaker des menschelijken geslachte. Dit zijn de lichtende tortsen, die van het warachtige licht getuigden, hetwelk verlichten zonde al, die in de duisternisse en schaduwe des doods zaten. Zij al te zamen verstrekken ons een groote wolke van getuigen. Het geloove draagt moed op deze overwinners, die zoo gelukkig onder haar baniere gekampt hebben. De een is omzijn Godbehagelijke offerande zijns broeders roof geworden, en heeft, zijn bloed onnoozel en onschuldig uitstortende, den Hemel de wrake bevolen. De ander heeft in een godlooze stad, onder een Godvergeten volk zoo met zijnen wandel gelicht, dat hij alle en met zijn twee dochters weerdig is geacht, Goda vlammende toorne te ontgaan, en van de Engelen uit den brand gerukt te worden. De een heeft, God vertrouwende, een gewillige ballingschap aangenomen, en zijn eenig weerdste pand niet ontzien den Heere op te offeren. De ander, in zijn bloeyende jeugd, wilde zich niet onzuiveren met zijns heeren beddegenoot, al was het dat ze hem, met haar uitnemende schoonheid en smeekende woorden, daar toe vleide en aanlokte. De een heeft een weeldig paleis en prachtig hof, en het goud van de Egyptische kroonen en troonen versmaad, en zijn dagen pijnelijk in de woestijne met veel ongemaks onder een halstarrig volk gesleten. De ander heeft, als er veel duizenden wantrouwden, op Gods toegezeide beloften onwankelbaar gesteund, en eer door het vertrouwen, als door het zweerd machtige en geweldige koninkrijken veroverd, en IsraŽl den buit van de verbannen Heidenen uitgedeeld. En zoo voortgaande van persoon tot persoon zouden wij ten leste blijven staan, als voor het voorhoofd geslagen, aanmerkende wat het geloove al in deze helden gewrocht heeft. Maar het zal ons genoeg zijn, dat wij eenige hebben aangeroerd, op dat de lezer merke, wat nuttigheid het toebrengt, wanneer men met aandacht overweegt het leven der heiligen: hetwelk als eenen stok is, zeer gedienstig den genen, die als pelgrims naar het nieuwe Jeruzalem wandelen: een heilzame artsnije voor alle flaauwigheid des gemoeds: eenen spiegel om der zielen vlekken te kennen: eenen onfeilbaren wegwijzer in alle omwegen van des werelds doolhof: eenen vermakelijken lusthof voor den inwendigen mensch: een verkwikkende springende borne voor heilgeerige herten: een schole voor de onervarene: een licht voor alle blinden. Lijdt iemand onschuldig: hij troostte zich met Abel. Waarschouwt iemand tevergeefs: hij gedenke aan Noach. Woont iemand onder de godlooze: hij lichte met zijn leven, als Loth. Is iemand vreemdeling: hij verzel zich bij Abraham. Wordt iemand van de geblankette wellust aangelokt: hij houde zich aan Jozefs schouderen. Verlaat iemand noode dees aardsche glorie en vergankelijke schatten: hij lette op Mozesí voorbeeld. Drukken u ellenden en rampspoÍn: zijt geduldig als Hiob. Vervolgen u dienaren van afgoden en tyrannen: blijft getrouw, als DaniŽl &c; ziet eens, hoe groots rijkdommen en dierbare kleinodiŽn hier schuilen! Opdat wij ons dan te beter zouden mogen spiegelen in het leven van de uitstekendste schriftuurlijke Heiligen des Ouden Verbonds, zoo hebben wij haar aller wandel kort in rijmen begrepen, en ons zelven zoo vermakelijk als stichtelijk geoefend: en om zulks te bekwamer voor te stellen, deden wij haar, als of ze zelve leefden, spreken per prosopúniam, of personeeringss wijze. Dat ze haar somtijds in een derde persoon laten hooren, geschiedt om eenige aangename verandering bij te brengen. Laat ons dit niet euvel afgenomen worden. Gebruiken wij ook somtijds eenige geoorloofde dertelheid of poŽetsche vrijheid: rekent ons zulks niet tot zonde. Het welk geschiedende, lezer, en zoo wij vernemen, dat u onze geringe arbeid gevalt, zullen veroorzaakt zijní, dí een of dí ander tijd, de Helden des Nieuwen Verbonds aan den dag te brengen. Vaart wel.

K l i n k e r t.

Och! of ít geoorloofd waar te dansen met de reyen
Der heilíge zielen, die der hemellieden spoor
Navolgen en God lof toejuichen, in het koor
Des hoogen Hemels, wijd van droefheid afgescheyen:

Hoe zonde Geest, van ít lijf ontslagen, gaan verbreyen
Des allerhoogsten roem, en, met een heldre stem,
Hem zingen in de kerk van ít nieuw Jeruzalem,
En volgen met zijn keel der Engelen schalmeyen:

Maar overmids ik hier, nog vreemdeling, beneÍn
Moet zuchten, eer ik mag het Heiligdom betreÍn,
Dat onsí hoogpriester heeft geopend voor ons allen:

Zoo offer ik u, Heer! der gener wandel, die
Ik, in ít gewijd pampier uws Geest, uitmunten zie:
Laat u den lengen toon uws dichters doch gevallen!

DOOR EEN IS íT NU VOLDAEN.

ADAM,

DER VADEREN VADER.

I Cor. 15.

Want gelijk zij alle door Adam sterven: alzoo zullen wij alle door Kristum levendig worden.

Ziet hier een klomp, gezield naar ís Hemels beeldenissen:
Die, om gebouwd te zijn, most fluks een ribbe missen:
Die, geeuwende uit den droom ontsprongen, díeerste dag
Zijns levens voor hem staan zijn hertslieve Eva zag.
Hij riep (doen schaamrood zij ontzag te komen nader):
ĄMijn bruidjen! treed vrij toe; wij twee zijn doch te gader
Een zelve vleesch en been. Manninne, zijdy daar?
Is ít u te wil? zegt ja; zoo is ons houwlijk klaar.
ĄJa, ja!Ē riep dí eerste maagd, Ąlaat ons de bruiloft vieren,
En de Engílen noŰn ter feest, de voglen, en de dieren.Ē
De bruigom nam zijn bruid, den Schepper zong men prijs,
Men hield er open hof in ít weeldig paradijs.
Maar och! ít en leed niet lang, ít oud Slangevel bezeten
Bekoorde ít jonge Wijf met zotte lust, om tí eten
Van ít korts verboden fruit, om toetsen goed en kwaad,
En Adam, onbedacht, volgt heilloos ís vrouwen raad.
Daar lag een huis! ó helaas!  uit was ít met al haar weelde,
Zoo fluks begeerlijkheid vernoegd de zonde teelde.
Men weefde ír vijgebla‚n, men school er onder ít lof,
Doen God zijn donderstem liet hooren in den hof.
ít Onsterflijk boomgroen meer hun haar niet mocht beschimmen:
De gaarde wierd bewaakt van een der Cherubimmen:
Der Vadren bestevaÍr, in zweet en ongemak,
Most dí akker ploegen, die met doornen van zich stak:
En ís werelds moeder, laas!  met duizend smerten tevens
Haar kindren brengen voort in ít bange licht des levens.
Het ongelukkig paar, in dí oogst van zoo veel weÍn,
Vlood met ít gemoed van de aarde, en bouwde dí hope alleen
Op ít heilig vrouwenzaad, dat haar en haar zaads smetten
Afwasschen zonde, en eens ít Serpent den kop verpletten.


ABEL,

DE EERSTE MARTELAAR.

Heb. 11.

Door het geloove offerde Abel Gode een beter offerande als CaÔn, door de welke hij betuigd is rechtveerdig te zijn, dewijle God over zijne gaven getuigenisse gegeven heeft: ende door dit zelve spreekt hij nog, hoewel hij gestorven is.

Onnoozel was mijn hert, dies gretig ik beschudde
Voor ís bijtwolfs achterkies, mijn makke, onnoozle kudde,
Terwijle KainbroÍr omwroette met den ploeg
Zijn akker, die hem nooit betaalde pachts genoeg.
En wetende, dat ik verplicht was lof te geven
Hem, die mijn vliezen ít gras dede aan de ribben kleven,
Ik KaÔn voorhiel of, als ik mijn lammren-dracht,
Hij dí eerstlingen zijns oogsts ook tí offíren was bedacht?
Ik had gehoor; wij twee eenmoedig ons versprakení,
En deÍn ons giften op een tweeling-heuvel blaken:
Mijn vuur golfdí hemelwaart, zoo dede ook ís offers smook,
Maar hem bedekte een wolk van neÍrgeslagen rook.
Waarom, van gramschaps brand in ít aangezicht ontsteken,
Hij met een stuursch gelaat schiet van mij, zonder spreken.
Ik zuchtte, ik was begaan, en van veel weenens nat,
Omdat ik ís Broeders haat op mij geladen had.
Ik bracht hem een geschenk van lammren zonder smetten,
Op hope om zijnen wrok en piek wat te verzetten;
Dan ach! ít was al vergeefs. Een wijle tijds geleÍn
Hij mij gemoette op ít veld, geliet hem wel te vreÍn,
Hij bracht me, ik volgdí hem op een onbetreÍn passagiŽ,
Benoorden sloegen wij in ít droefst van een bosschagiŽ,
Die van de voglen nooit gegroet was noch bekend,|
En daar tot nog toe nooit kwam mensch noch vee omtrent:
Hij, op zijn luim, als hij zijn tanden had doen koersen,
Een groote keisteen greep, en bliksemde mijn hersen
Met zenuwení uitgerekt: ik sneuvelde, en ik viel,
En zon ik mij nog repte, hij, met zijn slinker hiel,
Den krop mij worgde toe; daar lag ik zonder sprake,
Het bloed ten monde uitvlood, dat dí Hemel liet de wrake
Van dí eerste broedermoord bevolen; mijnen geest,
Ontschakeld van het lijf, was dí eerste, die ter feest ó
In ít koor der zielen kwam, en, daar in grooter weerden,
Den broedermoorder hier liet balling op der eerden.


SETH,

DE GODVRUCHTIGE.

Gen. 5.

Seth was honderd en vijf jaar oud, en genereerde Enos, en leefde daar na acht honderd en zeven jaar, en genereerde zonen en dochteren, dat zijn gansche onderdom werd negen honderd en twaalf jaar, en sterf.

Mijn moeder vond haar ziel doorregen met een sabel
Van ldoefheid, als zij rook, hoe deerlijk haren Abel
Had KaÔns haat bezuurd. ĄO! riep ze, Ądat valt zwaar,
Te hebben opgezoogd een broedermoordenaar!
Ach, Abel ít Abel, ach!  wat is u wedervaren?
Wat droom ik al van moord met opgesteken haren!
Had God dan met een eed verzworen en ontzeid,
Te nemen in zijn scherm uw zoete onnoozelheid?
Gaat hij, inís vromen nood, zoo licht zijn aanschijn wenden,
Dat hij, zon snooden schelm zee heilgen ziel laat schenden?
Heeft Abel dan om zunst hem dagelijks gerookt,
En al de rotsen hieromtrent haar kruin verschrookt?
Of was hij achteloos te knielen en te buigen?
Neen, dí heilige assche, alsins verwaaid, kan nog getuigen
Van zijn Godsdienstigheid; en of hij is vermoord,
Díeen klippe zegget steeds aan zijnen nabuur voort. &c.
Dus klaagde de arme vrouw, tot dat verstreken waren,
En zij bereiken mocht een eeuwe en dartig jaren:
Doen knikt haar dí Hemel toe, die, in zoo bangen nood,
Haar zwangerde, dat zij mij teelde uit haren schoot:
ĄNu hebbe ik, sprak ze, Ąnog naar wensche een vrucht verworven,
Die wekken zal hetgeen met Abel was gestorven;
Een zoon, die, vroom en goed, het goed van ít kwade schift,
En KaÔns boosheid zij een rechte tegengift;
Een zoon, wiens vroomheid zal bekeeren de alderboosten,
Enís moeders hert, gemat van droefheid, eindlijk troostenĒ


ENOCH,

DIE íT GRAF VERSMAADDE.

Eccles. 44.

Enoch behaagde den Heere wel, en is weg genomen, op dat hij der wereld een vermaninge ter boete ware.

Mijn meester Seth ít gezet des Hemels op mij entte,
En Gods geheimwet in mijns herten tafel prentte,
En goot mij in ít gemoed een Goddelijken reuk,
En perste mij, zee dat mijn ziel van jongs een kreuk
Behield van vreeze Gods, die zoo heeft toegenomen,
Dat mijne wandel strekte een spore dí andre vromen:
Die, weinig in getal, schier wierden afgemat
Van KaÔns boosheid, die het heilig zaad vertrad.
Ik, speurendí hoe hij gaf Godvruchtigheid ten roove,
Met Seth oprechten hielp den standaart van ít geloove,
Met ongel en laauw bloed des altaars plat beslaan,
En met gebeÍn om boog naar ít sterrenwelf opgaan.
Van waar de driemaal groots en heilge God der Goden,
Mij ziende groeyen in veel deugden ongeboden
En hoe mijn lijf mijn ziel strekte een gewijde kerk,
Dat veel te zuiver achtte, om dekken met een zerk:
Dat veel te weerdig schatte, om van de dood verbolgen
Te zijn verbeten, en van ís kerkhofs keel verzwolgen.
Waarom ter aarden hij een vuurge wolke boog,
Waar in hij mij, als in een koets, ten Hemel toog:
Van waar het sterflijk volk gejond wordt nog van verren
Te aanzien mijn oogen, niet meer oogen, maar twee sterren;
Twee sterren, daar ik mede aanschouwe ít schoon aanschijn,
ít Schoon aanschijn Gods met opgeschovene gordijn;
Gordijn, die hindert, dat de sterfelijke menschen
Niet zien het geen ik zie, met eindelooze wenschen.
O licht! o, dag! o schoon! o doel! o weelde ít o vreugd!
Wanneer zal u de rest der heilgen zien verheugd?
O manní , zon, spel, bloem, troost! wanneer, in ís Hemels stoelen,
Zal u elk smaken, zien, aanhooren, ruiken, voelen? ó


NOACH,

Dí OUDSTE SCHIPPER.

Heb. 11.
Door het geloove NoŽ van God vermaand, van het gene dat men nog niet en zag, vreesde, en maakte de arke tot zijns huisgezins behoudinge: door de welke hij de wereld oordeelde, en is der gerechtigheid, die na. den geloove is, erfgenaam geworden.

Hoe ít menschelijk geslacht meer wies, meer wies de boosheid
De wereld wierd een poel vol stanks en goddeloosheid.
De jonffíren snoerden op met goud huní gouden haar:
En timmerdení haar pruik met transen wonderbaar:
Haar halzen, blank als sneeuw, zij preuts en opgeblazen
Omkransten, mars op mars, met kraauwels portefrazen:
Haar roŰ fluweele keurs sleepte als een achterswans:
Haar lendenen omgordde een ronde toren-trans:
Zoo gingen zij op ít goud van haar ermboeyen snurken,
En zooltjes geborduurd, al krakende van ít kurken:
En pronkten, dag op dag, als poppen toegemaakt,
Zoo langí der heilgen jeugd wierd met haar min geblaakt
Gevangen en verlokt; help God ít ik zag ít te voren,
Wat wierd uit íswerelds echt een godloos zaad geboren!
Veel snooder noch als ít eerste. Ik predikte, maar laas!
Zij sloegen ít in de wind; zij riepen: Ąarme dwaas!
Gaat razen naar uw ark, zoo zuldy niet bedruipen
Van ís pekels overloop, als wij te hoopí verzuipen.Ē
Men dronk, men klonk er steeds, men hieldet al voor boertí,
Ter tijd, in mijn gesticht , van alles wat zich roert
Ik huisde paar bij paar, en die van mijnen zade,
En aan mijn zaad verknoopt , ik mei te vluchten raadde.
Den Hemel stelde fluks zijn sluizen op altoos,
Tot ik der bergen kruin uit mijn gezicht verloos.
Den naam des Heeren wij geherbergd hier aanriepen,
Tot, ísHemels toom gekoeld , de stroomen weÍr verliepen,
En ít groots galioen, ontslagen van het nat,
Zijn bodem stiet en strandde op ít hoofd van Ararat:
Daar legrende tot dat, van boven aangesproken,
Wij op ít bemost altaar dein onzen offer smeken,
Die dí Hemel zoo geviel, dat bij, met heilige eÍn
Zwoer, met geen zendvloed meer het aardrijk te vertreÍn;
En, tot verzeeghing ons te hoÍn van zulk verderven,
Hij in de wolken spande een boog van duizend verven.


MELCHISEDECH,

DE KONINKLIJKE PRIESTER.

Heb. 7.

Deze Melchisedech was koning van Salem ende des alderhoogsten Goda priester, de welke Abraham te gemoet ging, als hij weÍrkeerde van den slag der koningen, en zegende hem.

Wie dat mijn vader was en moeder, ik verholen
In donkre nachten laat ít geheimenis bevolen:
Doch roemen derf ik wel, dat Salem voor gewis
Mij danken mag, dat zij een stad geworden is:
Doen ik de kruinen eerst wist van mes heilge rotsen
Fraai op te tooyen, en met steen-werk op te botsen
Doen ik dees heuvlen huwde, en gordde met een muur,
Opdat voor ít uitheemsch staal en ít eislijk oorloogs-vuur
Mijn burcht mocht zeker zijn, en ít arme volk in vreden
Zijn dorpels onder mij gerust en veil betreden.
Maar of ít u vreemd scheen, dat ik kroon en myter voer
Op mijnen schedel, dien nooit vlijm noch scheermes schoer,
Ik antwoord: dat God zelf, van zijn gewelfde woning,
Mij tot zijn priester zalfde en kroonde tot een koning.
Mijn heihigheid oon vlek dí aanstaanden priestren laat
Vrij dienen tot een lamp in haar gewijde staat.
De Goden, die het haar met goud en peerlen eeren,
Laat vrij rechtveerdigheid van mijnen schepter leeren.
Nooit hebbe ik op ít altaar gevuurdí met valsche schijn
Nooit kreukte ik iemands recht, maar gaf een ieder ít zijn
En uit dit Vroom gemoed ik brandde naar dí oprechten:
Waarom, zon haast ik boordí, hoe Abram met zijn knechten,
In boersche onordening, de dwingelanden van
ít Groot SyriŽn trof aan, en overviel bij Dan:
Met brood en wijn verzorgd ik hem en Loth ging tegen,
Uitbreyende over haar mijn priesterlijken zegen.
Wie met zijn ooge in mijn aandachtig aanschijn speelt,
Ziet, hoe Melchisedech zoo levendig af beeldt
Een hooger priester, wiens beginsel Goddelijker
Bereiken niemand mag met een veerziende kijker:
Een koning, die ontving een schoonder diadem,
En zijnen troon bescha‚uwtí in ít nieuw Jeruzalem.


LOTH,

HET ZOUT VAN SODOMA.

Sap. 10.

De wijsheid verloste hen rechtveerdige, doen de godlooze omkwamen, doen hij vlood voor het vuur, dat op de vijf steden viel.

O Loth! wat strenger lot was ít u, zoo wijd te zwerven,
En van uw vaderland den Hemel te gaan derven?
Doch God verzag uw sch‚, doen als een rijke zee
Ging golven over ít groen het witgewolde vee,
Zoo dat haast neve en oom, door ít krimpen van de weide
 Endí aanwas van haar kuddí, de nood bevel te scheiden.
Ik sloeg, samptí mijn gezin, te Sodoma mij neÍr,
Maar ít oorloog veldde dra op onze muur zijn speer:
Zoo dat geplunderd ik wierd weg gevoerd door bosschen
En hagen, daar op ít slag mijn oom mij kwam verlossen.
Met vreugde vond ik weÍr de dorpel van mijn huis,
Daar, aangevochten van een goddeloos gespuis,
Ik met mijn wandel lichtte, en daar twee jongelingen
Wij in de schaduw van ons gastvrij dak ontvingen;
Twee gasten, die, gedaald van ít Hemelsche gebouw,
Verblindden ít geil geboefte als ít haar misbruiken wou.
Ik neigde kniÍn en hoofd voor de afgedaalde Goden;
Zij zeiden: Ąmaakt u op, fluks op! ít is tijd, gevloden
ít Van God verbannen volk, en uit dí aanstaande brand!Ē
Zij leidden mij, mijn helft, en dochters metter hand.
Mijn eg‚, met gemoed noch met haar lichaam vlugge,
Omziende, een zout-pilaar bleef aehter onze rugge,
Den neven tot een baak: en zoo fluks stem en land
Den Hemel met zijn toorts van sulfer stak aan brand.
Ik, met mijn deernen, in de schaduw der spelonken
Bleef veilig op ít gebergt, beschermd van vlamme en vonken.
De maagden (treurig, dat, de volken omgebracht,
Wierd met zijn val gedreigd het menschekijk geslacht)
Raadslaagden, en met drank haar ouden vader toefden,
Tot ze uit de winkelhaak verstand en zinnen schroefden.
Ik wierd terstond gewaar een heimelijke vlam,
Die zoo lang blaakt., dat ik beidí haar maagdom nam;
ít Is wonder, wat de ziel des wijnstoks al kan brouwen!
Volgt dit kwaad voorbeeld niet, maar wilt dees baken schouwen.


ABRAHAM,

DER GELOOVIGEN VADER.

Heb. 11.

Door het geboove heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izašk geofferd, en hij, die de belofte ontvangen hadde, heeft zijnen eenig geboren zone geofferd.

Zoo iemand meten wil mijn heilige voetstappen,
Dat hij zijn negen weide in al mijn ballingschappen:
Dat hij aanmerkí hoe ik om vreÍ mijn broeder wijk:
Hoe trouw ik hem ontboei, mijn huis gehoorzaam ijk.
Dat hem ter herten ga, hoe gastvrij ik mij drage
En dí Englen leger in de schaduw van mijn hage:
Met wat meÍdoogen ik ophoude Sodoms roÍ:
Met welk een vast geloove ik leg mij zelven toe
Te zwangren Sara, met een eenige eerstgeboren:
Met wat gelatenheid ik, in mijn egaís toren,
Mijn Hagar geef ít gelei sampt haren IsmaŽl.
Doch al deesí zwarigheÍn zijn niet dan kinderspel
Ten aanzien van die storm, doen, hard van alle zijden,
Het scheepken mijns geloofs schip-breking scheen te lijden;
Als met dees donderstem God zijnen Abram vindt,
En spreekt: Ągaat, offert mij uw eenig troetel-kind!
Dat was een wonde in ít hert na zoo veel herde slagen:
Ik geef te denken, hoe ít een vader al kost dragen.
Help God ít wat ging er doen een tij van tegenspoed,
Hoe worstelde ít geloove en ít vaderlijk gemoed,
Als ik op dí heilge klip, van dreef held schier verslonden,
Beide ermen kruiswijs van mijn Izak had gebonden,
En trok, in God getroost, den sabel uit, bera‚n
Om van die zoetebol ít hoofd van den buik te slaan.
Gewislijk, haddí er niet een Engel toegeschoten,
En mijnen erm verlet, de steenrotse ik begoten
Zoudí hebben met dat bloed, waarin Gods goedigheid
Mij zijnen zegen had beloofden toegezeid.
Maar vraagdy, wat mijn hoop nog voedde in zulke nooden
Het beven, dacht ik, kan verwekken licht den dooden,
En die een klomp bezieldí, hem, die voor ít altaar viel,
Inblazen wederom een levendige ziel.
Gij vromen, datís u voor ít standvastig ahllegader
Dit voetspoor houdt, en volgt mij, aller heilgen Vader!


IZAńK,

DE BELOOFDE.

Heb. 11.

Door het geloove van dingen, die komen zouden, zegende Izašk zijn zonen Jacob en Esau.

Zoo dra ik kwam in ít licht, de vroÍvrouw zal ít getuigen
En ít vrouwenbuurschap, hoe men zag mijn moeder juichen:
ĄO!Ē riep ze, Ągeeft dat schaap te kussen aan zijn va‚r;
Dat langverwachte lot, mijn blijdschap, is ít eens daar?
O, reikt dat popken hier!  maar had ze in haarder zielen
Geheimplaatse eens gedroomd, dat ik voor ít mes zou knielen,
Dat in mijns vaders scheÍ wierd van de roest geknaagd,
Die inval had terstond haar vrolijkheid verjaagd.
Hoewel den Hemel liet de zaak zoo wijd niet komen,
Dat mij van ít lichaam wierd het jeugdig hoofd genomen.
Rebecca was mijn lot, die God zoo heerlijk schiep,
En namaals zoo gerust in Izaks ermen sliep,
Tot dat gelukkig wij uit haren schoot ontvingen
Een zegeninge van twee tweeling-jongelingen.
Ons blijdschap waar volmaakt geweestin ťťnder dracht,
Had Esau Jacob in goedaardigheid geslacht.
O ruigen Esau! die om ít moes uw recht verkwistte,
Er dan uit rouwkoop weÍr met uwen broeder twistte;
ít Was wel besteed aan u, dat Jacob henen ging
En eigende, door list, van ís vaders zegening
ít Merg en de vette room. Wat nepen ons al zorgen,
Dat in uw gramschap gij uw broeder mocht verworgen,
Zoo gij gezworen hadt. Was ít niet een herd geschil,
Dat Jacob balling wierd alleen om uwentwil?
Wat wrochty hertenleed in ít herte van uwe oudren!
Wat pak van droefheid gij niet laadde op hare schoudren!
Doen gij verslingerd aan de dochters hingt van Heth,
Die ít hoofd u bliezen vol, wanneer gij waart te bed.
Doch lof zij Zebaoth, die binnen ooIen leven
Ons Jacob tot een troost hadde in de schoot gegeven:
In wie ik Izakís zaad zoo vruchtbaar zie gesteld,
Dat wie de vonken aan ít gesternde welfsel telt,
Die met gezwinde keer ons over ít hoofd gaan gloeyen,
De zonen telt, die uit de stronk van Abram bloeyen!


JACOB,

DE WORSTELAAR.

Gen. 32.

Gij en zult niet meer Jacob heeten, maar IsraŽl; want gij hebt met God en met menschen gekampt, ende hebt boven gelegen.

Voor broeder Esauís wrok gewaarschouwd van mijn moeder,
Ik zweefde in ballingschap bij Laban, haren broeder;
Mijn oom ik wilkom was, ik dreef zijn plechtig vee
Om Rachels schoonheid, die veel blanker was als snee,
Veel schoonder als de zon, veel frisscher als de douwe,
In ít oog haars minnaars, die vergat al zijnen mouwe
Als hij ontmoeten mocht zijn handgaauw herderin,
Die vaken met hem joeg de geitkens uit en in.
Maar als, na ít slaven, ik omhelsde mijnen zegen,
Ik Lea leep aanzag, die heimlijk had gelegen
Bij Rachels bruidegom: dus diende ik wederom
Vier jaar en drie, om mijn verkeren eigendom.
Als ik gezegend nu nam voor mij te vertrekken,
Mij Laban ophiel, mus dat mijnen loon zoo strekken
Het bont gesprenkeld vee, daar ik terstond met list
Rechtveerdelijken in mijn baat te woekren wist:
Waarom, als ik mijn oom zag in ít gelaat ontsteken,
Ik op ít geleide Gods mijn leger op ging breken,
En week het aangezicht mijns schoonva‚rs, die wel haast
Al hijgende, ter vlucht, mij vinden kwam verbaasd;
Wij raakten in verdrag na ít onderling krakeelen:
Hij zegende ons, ik ging hem Jacobs God bevelen,
En spoedde mijnen tocht, en worstelde zoo trotsch
Met dí Engel op de weg, dat hij den zegen Gods
Moet spreken over mij. Niet lang hier na, wij spoorden,
Dat Esau op ons komstí zijn heer stelde in slagoorden,
En schrikten zon bij kwam op onzen leger aan.
Ik zocht met diepe ootmoed zijn gramachap tí ondergaan,
En won zijn herte, en zag haast Izak, de stok-oude,
Die mij betastte, maar van blindheid niet aanschouwde.
Hij sleet gelijk een kleed van oudheid, tot ik dreef,
Met Esau, in het graf zijn dor gebeente groef.
Hoe namaals ik mijn ziel om Jozefs ziel ging kwellen,
En zegende mijn zaad, mag Jozef u vertellen:


JOZEF,

DER JONGELINGEN SPIEGEL.

Heb. 11.

Door het geloove meldde Jozef, als hij sterf, van den uitgang der kinderen IsraŽls, ende gebood van zijne gebeenten.

Ik hadde in ís vaders hert de voorplaatse ingenomen:
Mijn broedren zulks verdroot; ít geheim van mijne droomen
Haar gramschap feller sleep. Waarom, als ik gegaan
Op ít veld kwam, riepen zij: Ądaar komt de droomer aan,
Dat geldt hem zijnen kraag, zoo derf hij niet meer zuigen
Uit zijnen duim, dat wij, elf sterren, voor hem buigen,
Sla dood die jonge wulp!Ē maar Ruben, nog bedut,
Te weeg bracht, dat ze in ít hol mij lieten van een put.
Hier dook ik, tot ze mij goedkoop verzekren gingen
Den Ismalieten, voor viermaal vijf zilverlingen,
Te Memfis omgeveild zoo ras niet, ik gold meer.
Doen Faroís kamerling wierd mijnen tweeden heer,
Mijn dienstbaarheid hem bracht een vloed van zegen inne,
Ter tijd op Jozefs jeugd wierp de oogen van baar minne,
In ít afzijn van zijn heer, de bruid van Potifar,
Die op haar bed-spon blonk gelijk de morgenstarrí,
Recht of God keuren woŻ, wat deugd al tí mijnent thuis leidí;
Maar zij behiel mijn kleed, en ik behiel mijn kuischheid.
Als ít aangebrande wijf mijns mantels slippen greep,
En door valsche aanklacht mij in ís kerkers ijzers neep,
God op mijn onschuld zag van zijn gesternde woning:
Dies ik, droomkundig, voor het aanzicht van den koning,
Gaf op zijn droomen den monarch bericht van als,
Die rood van goud mij wierp een keten om den hals,
En om dí hoofdslapen mij den purpren tulband drukte,
Zoo dat Egypten ít hoofd voor mijn genade bukte,
Als zeven oogsten ik had ít overschot gespaard
Om dí honger te verza‚n, den honger, ít scherpe zwaard,
Dat al de wereld vlood; en onder andre zielen
Mijn reisbre broedren deÍ voor mij op ít marmer knielen,
Dat van mijn zetel droeg de trappen: daar ik blij
Mij hun te kennen gaf, en zij erkenden mij:
Daar ik mijn vader wenkte, en dí oude troosteloozen
Omhelsde, en gaf te leen de vruchtbaarheid van Gozen.


MOZES,

DE WETGEVER.

Heb. 11.

Door het geloove weigerde Mozes, als hij groot geworden was, een zone der dochter Farao genaamd te zijn: verkiezende liever met Gods volk kwaad te lijden, dan tijdelijke nuttigheid der zonden te gebruiken.

Gedenkt eens, in wat pers dat Mozes ondren waren,
Als mij de bittre nood te wiegen gaf den baren;
En weder, wat een vreugde opdaagde in hare ziel,
Doen veil ik in de schoot van ís konings dochter viel:
Die mij te bakren gaf aan juffren en vorstinnen,
En aan mijn koestíren leÓ te kost haar schrandre zinnen:
Dan ít was verloren moeití: zulks toonde ik haar wel plat,
Doen Faroís diadem ik met de voeten trad,
Gelijk ik namaals dede, en eenzaam ging beschudden
Bij Horeb, met mijn makí, mijn afgedwaalde kudden,
Tot dat mij God verscheen in vlamme, op wiens gelet
Ik Jacobs slavernij den vorst des Nijls ontzet:
Die dreef eerlang in ít meer, met al zijn pracht verzonken,
Als te veel hovaards hij en pekels had gedronken.
Doch die ons leidstarrí bleef, die ít hiertoe had gebrocht,
Die ít water tapte uit steen, en ít manní biekí in de bocht,
Die Amalek verdempte, en, eislijk en vervaarlijk,
Ons gaf van SinaÔ zijn wetten wonderbaarlijk;
Maar ít achtelooze volk dreef met zijn naam den spot,
Als ít juichte om ít snoode goud van een gegoten God.
Ik ijverde om haar heil, en waakte al steeds in ít midden
Van haar en God, of ik haar plagen mocht verbidden.
Wat kostte ít mij al zweets!  wat drukte mij een kruis,
Eer God mijn trouwe toetste in ít twalefstammig huis:
Eer God mijn uitvaart vierde op ít Hemels-hoog gesteente
Door dí Engílen, die den Droes ontzeiden mijn gebeente,
Daar bij meÍ spoken woŻ in IsraŽl voor mom,
Om God tí ontvremden zijn verkoren eigendom.
Ik sliep in ít graf, ter tijd ik vrolijk, met Elias,
Verzelde op Thabors pruikí den Hemelschen Messias,
Wien ik had voorgelicht, en ik nu kennen kon
Als ik opklaren zag zijns aanzichts gulde zon,
Die namaals zoo mismaakt aan ít hout droop tusschen dí  ermen,
Dat zich een steenen hert daar over mest erbermen. ó


AARON,

DER PRIESTEREN ZONNE.

Eccles. 45.

Hij heeft Ašron, zijnen broeder, uit denzelven geslachte Levi ook verhoogd, node hem gelijk uitverkoren; hij maakte een eeuwig verbond met hem; ende gaf hem het priesterdom in den volke.

Doorziet me vrij, ik ben de Fenix der Levieten,
Voor wien, als voor een God, opruimen dí Ismalieten.
Van mijn gebalsemd hoofd de balsemreuk afstuift,
Mijn haar met zelve is en in fijne zijí gehuifd,
Waarop de myter blaauwt, daar braaf vergulde spitsen
Om juichen van een kroon, wiens goud als scherpe flitsen
Zijn straaltjens drilt en spuit; recht in mijn ster vooraan
Gaat ís Heeren heiligheid in ít goud haar leger slaan:
Die, als een zonne, veel te helder van vermogen,
En bliksemstraal met vuur dí omstandrmen vliegt in dí oogen,
De mantel, die gestikt Ťn voor Ťn achter hangt,
Een spiegelende glans van ís borstschilds glans ontvangt.
ít Gesteente speelt in ít goud: het goud kleeft aan de zijde:
De zijde aan dí Efod hecht, die moedig op ít gesmijde
Den lijfrok dekt, wiens zoom, met bellen en granaat,
Het lijnení onderkleed mij voor de schenen slaat.
Maar op mijn boezem staart nog eens, daar kunstigí handen
Zoo kunstrijk doen in goud die flonkerkolen branden.
Daar Juda, Napthali, Gad, Ruben, Zebulon,
Dan, Asser, Benjamin, met Levi, Simeon,
En Jozef, Isaschar, in ít vierkant, met haar vlammen
De oogappels scheemren doen van Jacobs twalef stammen.
Wie ziet zich zat, die ziet hoe Goddelijk ik brom,
Als ik dus ít wyrook bleek in ít heilig heiligdom?
Wanneer mijn borstgesteentí, met dí sangesteken lampen
Endí heilge golven, van ít heet altaar schijnt te schampen?
Als ít eenmaal bij geval aanschouwde een onbesneÍn,
Hij droomde een God te zien omgloried hier beneÍn.
Was ít dan wat wonders, dat uit dí hovaard zijner zielen
Jeloers eer Korah ophief tegen mij zijn hielen?
Als dí afgrond hem verzwolg, om dat geen ander zon
Ooit eclipseeren mocht den glans van Ašron,
Als dees hoogpriester, die, na ís lichaams offer, veilig
Zijn voetzool zette in ít koor van ís Hemels welfsel heilig:
Daar hij, in ís Drieheids naam, een zoeter vuur aanstak,
Voltooyende al hetgeen, wat aan mijn ampt ontbrak.


FINEAS,

DE PRIESTERLIJKE HELD.

Eccles. 45.

Fineas, de zone van Elcazar, was de derde in zulke eere: die ijverde in de vreeze Gods: ende doen het volk afviel, stond hij trouwelijk vast en koen, en verzoende IsraŽl.

Dat Gods Pest-engel ging in IsraŽl vernielen,
En aarslinge over smeet zoo menig duizend zielen,
Die met een geile vlam ontsteken waren knap,
Doen ít puikjen op haar loeg van Moabs Jonkvrouwschap,
Dat haar gekluisterd hel met minne als eigen slaven,
Zoo dat zí haar boelschap ít lijf, haar ziel den afgod gaven:
Van ít huis van Simeon niet schrikken deÍ de vorst,
Wien knaagde onkuischheids worm als kanker in de borst.
Wat doet de onkuische, die gewaarschouwd, blijft veel steger?
Met Casbi gaat hij trein door ít twalefstammig leger,
In spijt van Mozes en de stammen, die, bedut,
Uitgoten tranen voor de deur van ís Heeren hut,
En vindt de tente, wiens verhemeltí men uitspande,
Om veiliger te zijn in ít plegen van die schande.
Ik zag ít, en al vol vuurs en razende bijkans,
Naar ít hoerekuf ik schoot, gewapend met een lans,
En spitte pol en snol, door lever, longe en darmen,
Dat zí hartsteck bleven dood met haar gevlochten armen;
Zoo storf met haar de plage, en onzer vadren God
Mijn ijver troostte met het heerlijk priesterlot,
Dat namaals ongefeild zoo dí Hemel voor mij loten.
Zoo haast nu was den tocht op Midian besloten,
Ik veldheer ít heer aanvoerde, en onverziens op ít lijf
Den vijand viel, en motst haar vorsten alle vijf.
Daar ging het plondren aan: elk paste wat te raken:
»n steÍn Ťn sloten wij tot molm en puin af braken,
En veegden stad en lband van menschen en van vee,
Dat heuvel, berg, en dal te beesten scheen van ít wee,
Als wij, met roof versla‚n, gewrongen van den blonde
WeÍrkeerden, en bedaard nog wraak met koelen moede
Afeisachten ít overschot, de maagden uitgezeÓd,
Wien nooit gerept was haar gewijde zuiverheid.
Zo vindt de gramschap Gods haar, die, naar ís herten wenschen,
Met afgoŰn boelen en met overgeven menschen.


CALEB,

DE STANDVASTIGE.

Eceles. 46.

De Heere behield Caleb bij lijfs krachten, tot in zijn ouderdom, dat hij optoog op het gebergte in het land, ende zijn zaad bezat het erve.

ĄWie wil de vettigheid van Jacobs erfpacht vaten,
De inzoete vijgen-koor, de dronkene granaten,
En beziŽn, die rijp schier beesten uit haar vel,
Terwijl die keizer-tros, die zwangre muscadel,
Den palmen handboomí buigt, die dus lange onderwegen
De schoudren drukte van twee mannen half verlegen?
Zoo riep ik tot het volk, als wij ít beloofde land
Doorsnuffeld hadden, heel van dí een aan dí ander kant;
Maar och! wat holpet? als tien van mijn medemakkers
WeÍrblaften: Ądwaasheid is ít; vergaapt u aan geen akkers,
Aan hof noch wijnberg, daar u Caleb meÍ verdooft
En Jozua, dien ít brein los rammelt in het hoofd.
Onwinbaar is dat band: zijn vestingen uitmunten:
De sterren draayen op der toornen stompe punten:
Dat niemand naar zijn roem noch honig ommezie:
Dat volk van Enak draagt de schinkels in de knie:
Zijn eigen burgren gaat dat ijzren rijk vernielen.
O God! wat rees er een tempeest in Izaks zielen
Door dit gerucht ít gevaar van schipbreuk ít leger liep:
Ons leidsliÍ zweken schier: mijn kleed ik scheurde, en riep:
ĄWat? mannen! zijt getroost, God zal een uitkomstí vinden,
Wij willen haar, als brood, op staande voet verslinden:
Jehova strijdt voor ons, zij vechten zonder helm.
ĄNeen!Ē kreten zij, Ą dood! sla dood die looze schelm!
Op stervens oever ik gewislijk waar gekomen,
Had ís Heeren heerlijkheid die uur niet waargenomen,
Die, vlammende in zijn toorne en ijver, zwoer oprecht,
Dat niemand ít heil zoo zien, als Caleb, zijnen knecht:
Die ít namaals zag, als hem te hete is toegevallen
Het land, dat Hebron vrijdtí in ít ronde met zijn wallení
Ma zijnen ouderdom in kracht was als zijn jeugd,
En aan zijn zaad hij zag zijns herten weelde en vreugd.


JOZUA,

DE LEIDSMAN.

Eceles. 46.

Jezus Nave was een held in den strijd, ende een profeet na Mozes, die daar groote overwinninge hadde voor de uitverkorene Gods, als zijn name mede brengt, ende wreekte ze aan de vijanden, van de welke zij aangegrepen werden, opdat IsraŽl zijn erve krege.

Op de aankomstí van mijn heer liet af van ít strand te schuren
De zwalpende Jordaan, die, als twee glazen muren,
Haar golven metselde op en bouwde een wandelpand,
Voor Isrel ruim genoeg, die wederzijds den wand
Met peerlen brommen zag, met schelpen, en met bomen,
Welk orgelden in ít koor van ís Hemels uitverkoornen,
En zongen enkel lof, terwijlen Levi sterk
Met zijne schoudren stutte en ophiel ís Heeren ark,
Tot dat de stammen met haar droege zolen rustten
Op tí oever lang gewenscht, dat zij van blijschap kusten.
Ik zag de reuzen ons haar hielen laten zien
En ít hert ontvallen, en het stellen op een vliÍn,
En dekken gaan, zoo links zij ít leger krielen zagen,
Dat over ít water nog geen schipbruggí had geslagen:
Daarop ik Jericho terstond den vrede ontzet,
En met der priestren hoorne, en Izaks veldgeschrei,
De muren omtrek, die geweldiglijken vielen,
En kwetsten met haar val zoo menig duizend zielen,
Doen ít hongerige staal nooit spieren zoeter vond,
En ít onuitleschlijk vuur in alle daken stond.
Wat moechter voor ons staan? de Zon vergat te dalen,
Als zij de zon zag van onze overwinning stralen,
Bleekverwig en verbaasdí; en bleek de bleeke Maan
Zag den eclipses vast der Cananieten aan,
Der koningen, die, lang van veel triomfen dronken,
In ít ijzer sneuvelden en kropen in spelonken.
Wat groeide mij mijn hert, wat laadden ik een spek,
Als ik er driemaal tien en ťťn hadde op den nek
En op de borst getreÍn, zoo lange tot ze borsten,
En omgedeeld het leen van zee veel rijke vorsten!
Mijn eerí bad mij verrukt, hadde ik van verrí niet na
Mij volgen zien dien Held, dien grooten Jozua,
Die, met een stijver erm, ís erfvijands brein zou scherven,
En voor zijn heilig volk een beter rijk verwerven.


GEDEON,

DE HELD.

Judic. 6.

Hem verscheen den Engel des Heeren, ende sprak tot hem: de Heers met u, gij strijdbaar held!

Vers. 14.

Gaat benen in deze uwe kracht: gij zult IsraŽl verlossen uit der Midianieten handen: ziet, ik hebbe u gezonden.

De smaad, waarmeÍ tot nog Manasse was bejegend,
Omdat zijn broeder rijk was boven hem gezegend,
Ik EfraÔm toeschoof: doen elk, van angst en schrik,
Voor ít zweerd van Midian vlood in ít gebergte, en ik
Den degen genie op zij, nadat wij, aangesproken
Van dí Engel, hadden ís nachts ít hoog altaar afgebroken,
Dat Bašl ít hoofd ophiel: en nadat ons zijn trouw
Den Hemel zwoer op ít vlies, nu nat, nu zonder douw:
Die (om betoonen, dat den palm in ít bloedig vechten
Alleen niet wordt gehaald met menigte van knechten,
Noch met een leerkracht, datí, braveerende te stout,
Met koper en met staal, met zilver en met goud
Zijn vijand dí oogen kwetst, als of des oorloogs zegen
Alleen in ít harnas ware en niet in ít hert gelegen,
En dí onverschrokken moed, die heimelijk gezield
Van God, niet aarslen kan, maar voorvoets ít al vernielt
Wat opstaat tegen hem) geeftí oorlof te vertrekken,
Die ít water met haar tong niet als een hond oplekken.
Nog troostte mij ít geloove, al was ít schoon,
dat ik van ít Gansch leger maar behiel tien malen dertig man:
Al was ít schoon, dat ik zag, dat ít heerkracht der vijanden
Lag voor mij, als het zand aan dí aangevochten stranden:
Nog kwamen wij hij nacht recht op haar aangezet.
De kruiken scherfden wij, en staken de trompet,
En blaakten met de toorts: dies der Midianieten
Zweerd op haar eigen borst van leÍr ging, doen ít verschieten.
Zij stelden top een vliÍn, verbaasd door ít veldgeschrei,
En lieten, afgejaagd, haar vorsten alle beÓ
Gevangen zonder ziel: en, zoo zij weÍr haar krachten
En ít overrompeld volk te zamelen bedachten,
Ik optoog Oostwaarts aan; daar vloden zij te sp‚,
Als Sebah bleef geva‚n, en koning Zalmuna.
Dies Jacob dankbaar mij aanbood ís lands heerschappije,
Doch ik behiel den roof, en liet God de voogdije.


SAMSON,

DE STERKE.

Jud. 14.

Doen kwam hem een Jonge brullende leeuw tegen, ende de geest des Heeren werd veerdig over hem, en hij verscheurde hem gelijk als men een bosken van malkanderen scheurt, ende en hadde doch gansch niet in zijner hand.

Ik was een Nazir Gods, mijn bokken waren te edel
Om scheren; dies nooit scheer barbierde mijnen schedel;
Mijn kracht, die siddíren deÍ een leerkracht wonderbaar,
Tot haren broeinest had geheiligd mijn dik haar;
Met dees twee ermen ik, als leeuw, den leeuw deÍ trillen,
En splitstí hem zijnen muil tot aan zijn aehterbillen.
Waar was de sterkheid van de sterke, die men zag
Zoo onlangs, als het beest dus in twee riemen lag?
Als op mijn feest ik van mijn troetel was verraden,
Ik heette mijn verlies met driemaal tien gewaden,
Die ik den Filistijn geplonderd had van ít lijf,
Als ikíer op haar rug ter neÍr leÓ zesmaal vijf.
ítBoeleeren van mijn helft stond dier, in Samsons toren,
Den vijand, als hij joeg de vossen in het komen,
Met vuurwerk in de swans, gekoppeld vast en stijf:
Wat rees de merkt in tarwe, in wijndmuif, in olijf !
Doch Lechi, uit om wraak, vergeefs kwam tot mij juichen,
Als hij met kennep mijn vermogen dacht te buigen:
Als veerdig mijnen geest die vlassen strikken brak,
En groettí er duizend met eens ezels kinnebak:
Die mij een bornsprongí strekte, als, om wat te verfresschen,
Ik mijn versmachten dorst met ít versche nat ging lesschen.
Zoo op mijn boelschap ik te Gaza was versnot,
Men het klinket vergeefs sloot met het grendel-slot:
Wij rezen ís middernachts, op dat wij ons verlosten,
En kruiden in ít gebergt de poorte en dí ijzren posten.
Maar namaals stond mij dier mijn nieuw getrouwde bruid,
Die, tot mijn ede, zoo lang was op haar lagen uit,
Tot dat, mijn pan ontbloot, ik bloot stond van vermogen
Als dí onbesneÍn vergnamd ít licht uitbluschte in mijn oogen,
En boeide mij, tot dat, mijn kuif volgroeid bijkans,
Hij vierde Dagons feeste, en pakte trans aan trans
Met menschen, die, in plaats van Samsons kunst tí ervaren,
Met hem versmachtten doom ít verwrikken der pilaren.
Een ander Samson kwam verlossen, sterk en fel,
Het menschelijk geslacht van Duivel, Dood, en Hel.


SAMUEL,

DE PROFETISCHE RECHTER.

Eccles. 46.

SamuŽl, de profeet des Heeren, van zijnen God geliefd, richtede een koninkrijk aan, en zelfde vorsten even zijn volk.

Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,
Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplen
In ís moeders lieven buik en ít zwangere ingewand,
Daar ik gebeeldet was van Gods almogendí hand:
ĄOĒ riep ze, Ądie mij heeft gezwangerd met verblijden,
Dien wil ik ís lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,
En zal die zoetebol ít vergulsel van zijn haar
Verzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;
Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in ít bloeyen,
Aanving in vreeze Gods meer als in ít vleesch te groeyen;
Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft,
En toont mij, wat een roÍ staat Ely boven ít hoofd.
De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamen
Den dienst van Astaroth en Bašlim te zamen.
Mijn offren en gebeÍn Abraham zeegnen, dat
De Fiiistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.
Maar wee mijn ouderdom! doen beÓ mijn zonen bogen
Des vromen pleit, om ít goud, dat flonkerde in haar oogen:
Een oorzaak, dat eerlang ít geslacht van IsraŽl
Om eenen koning wendde, en muitte zoo rebel:
Tot dat ik ít zaad van Kis, onwillig harenthalven,
Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven.
Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit,
Ten tijd hem dí Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheid
Betoond, doen na ít gerecht hij ít vee en Agag spaarde,
Wiens kruin te Gilgal ik ontzeÓ met mijnen zwaarde.
O, SaŁl ít ít was om sunst, dat gij, gemattet af
Door wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:
Als gij ít gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,
En ís andíren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,
Wierdt beudel uwes zelfs, na zee veel hoons en smaads,
En ruimde David op de koinklijke plaats:
Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,
Doen God u sloot zijn gunste, en ít rijk stond voer hem open.


DAVID,

DE KONINKLIJKE PROFEET.

Eccles. 47.

David was onder den kinderen IsraŽls uitverkoren, gelijk als het vette aan den offer Gode toegeŽigend was.

Ik was nog herder, als, beweegd van ís Drieheidsí vinger,
Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,
Waarmede ik Goliath, die ít dwergjen hiel voor nar,
Smeet plompverloren neÍr, doen ít bloed sprong uit zijn star
Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyen
Van SaŁl, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,
Zoo ik het potshoofd droeg versteken van de romp,
Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.
Maar och! wat holp ít mij, als de koning, in der hitten
Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan ít tapijt woŻ spitten
Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag,
Tot dat ik, bruidegom, in Michels ermen lag.
Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,
Ontweek mijn schoonva‚r in benaauwde ballingschappen.
Koud was hij, wie mij hoefde: ik doch ontzet ít geweer
Den wraak, als ik greep ít kleed, den kroes, en ís vijands speer,
En liet mijn goede zaak bevolen ís Hemels troone,
Tot dat de lijfknecht mij bood ís doŰn vervolgens kroone:
Dies Juda mij bedroop met ís balsems heilig vet,
En land andermaal, zee links als Isbozeth -
Zijn leste doodstuip kreeg. Na ging zich David kwijten
Aan ís Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten:
Maar ís konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,
Als hij ít koraal had van Uriasí bruid gekust.
Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,
Vermids ís Geests heilíge bla‚n bebloed zijn van mijn krijgen:
Daar ít vuur stuift van mijn staal in ít slaan van dí onbesneÍn,
En smoelen in haar assche en bloed de dooie stem:
Daar Absalon te dreef gaat sluiten zijn history,
Als hem mist ondersteek te doen zijns vaders glory:
Daar van drie roeden ik, gedrukt, ťťn kiezen ga,
Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.
Wie meen begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,
Die luister, hoe zijn herp wekt dí echo van zijn psalmen,
Daar David offren gaat zijn rijke diadem
Den Koning van het oude en nieuwí Jeruzalem.


SALOMON,

DE WIJSHEID.

Eccles. 47.

O, hoe wel leendet gij in uwer jeugd, en waart vol verstands, gelijk als het water het land bedekt, en hebt het alom met uwe spreuken en leeringen vervuld!

Mijn haar-gesterntí met goud, en puik van diamanten,
Bekoonde Adonia, die tegen mij ging kanten
Zijn overschaauwd bedrog, en naam mijn kroone stak,
Nu een, nu anderwerf; maar laas ít hij viel te zwak,
Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken,
Mijn been verzekren ging mijn zaad met houwelijken,
En plukte uit Faroís hof die overkijkerblom,
Die in mijn armen viel te Sion willekom.
De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,
Daar hij mij bood den keur van vier voltooide joffíren.
De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook dí ander drie:
Dus bleef mij wijsheid, een, gezondheid, rijkdom by.
Mijn wijsheid blonk in ít pleit, als ít kind, nog niet in stukken,
De ware moeder ít hert kwam uit haar boezem rukken:
In dí heilge tempelbouw: in ít brommen van mijn hof:
In ít wijen van Gods kerk: in dí uitgeborsten lof,
Die voor mijn aangezicht, een Salomon te smeken,
De schrandrne koningin kwam honigzoet uitspreken:
In ít blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang,
Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang.
De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,
Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.
Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk, -
Dat aan mijn voorhoofd nooit zag dí ouderdom een kreuk.
Mijns rijkdoms alchimie deÍ, dat gansch Palestijnen
Blonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.
Het zilver was als lbood, ít Ofirisch goud als tin,
De peerle als keizelsteen; maar echt de valsche min,
Die troetel Venus met haar lodderketelingen,
Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,
En bogen onzen nek voor ít juk van haar geboŰn,
Die vleyende ons betrok te dienen vremde GoŰn,
Zoo lang tot dí Hemel zag, met ít aanzicht vol misnoegen,
ít Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.


ELIAS,

Dí OPGENOMENE.

Eccles. 48.

De profeet Elias brak voort gelijk als een vier, en zijn woord brandde als een fakkel.

Den Hemel, als ik sprak, ontzeÓde ít aardrijk regen:
Dies aan de beke Crith ik wachtte ís Heeren zegen:
Daar ít zilver van de vliet mij strekte lafenis,
En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.
Als ít vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte,
Alwaar een heilíge weeuw haan jongste tafel dekte:
Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had,
Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad;
En als zijn doodsnak gaf de zoon van mijn weerdinne,
Op mijn verzoek hem God van nieuws blies ít leven inne.
De priestren Bašls ik verwon met dí hulpe Gods,
Doen ít vuur om ít altaar spookte op Carmels hooge rots,
Daar mijn gebed opsteeg, en der Samaritanen
Amechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.
Nog week ik Jezabel, als mij, in hongersnood,
Bracht dí Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,
WaarmeÍ mijn hert vertroost een dagvaart kost verdragen
Van nachten viermaal tien, en effen zoo veel dagen,
Tot dat ik dí heuvel Gods genaakte, en zag een vonk
Vanís Heeren heerlijkheid op ít ruim voor mijn spelonk.
Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven,
HazaŽl en Jehu tot koningen te zalven,
Eliza tot prefect. Na zag ik Naboths druk,
Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk.
Ahazia vernam van mij, door zijns boden,
Dat hij Bašlsebub vergeefs smeekte in ís doods nooden:
Zijn hoofdliÍ, die hij zond om mij te grijpen stuur ,
Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur,
De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,
Hoe ít hof eerlange in mouw ít gebalsemd lijk zou volgen.
Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,
Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:
En zag van boven af den anderen Elias,
En namaals op ít gebergt de klaarheid van Messias.


ELIZEUS,

ELIASí NAVOLGER.

Eccles. 48.

Doen Elias in het onweder weg was, doen kwam zijnen geest rijkelijk op Elizeum: te zijner tijd verschrak hij voor geen vorsten, en niemand kost hem overwinnen.

Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,
Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,
Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed,
Dat hem ontviel, ís Jordaans kwikzilver ik doorsneed.
ít Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervuldeu.
Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,
Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaan
Voor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.
Edom, met Jozafat, en ít hoofd der Isralieten
Verkondige ik ít verderf, en val der Moabieten.
De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:
En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen ít jaar,
Dien namaals ik verwekte, als, zijn gezicht gebroken,
De dood zijn lichten met zijn schelen had geloken.
De bittre kompost ik verzoette, als ít jonge rot
Roept: Ąhelp! o help, man Gods! de dood is in de pot!
De gerst ik zegen, die de struismage in gaat stokken,
Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken.
De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,
Ging krank, en liet gezond de zwalpende Jordaan.
Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig.
ít Gezonken ijzer ik maak driftig te behendig.
De lagen der SyriÍrs ondekke ik, die daar na
Geblindhoktí zijn verdeeld mids in Samaria.
SamariŽn, omringd met wagenen en messen,
Vertroostte ik eer haardí erm des Heeren kwam verlossen.
Ik wake om mijn weerdin, die ís hongers knaagworm vlood:
En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.
Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen,
Die Achabs huis uitveegt door ít Goddelijk vergrammen.
Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,
Ik Joas ít hert verblij met de aanstaande onderlaag
Van Assur en verscheÍn ik nog verwek den genen,
Die in mijn grafsteÍ, dood, slechts roert mijn doode beenen.


MICHAEAS,

DE VERTOONDER.

3 Reg. 22.

Zoo warachtig als de Heere leeft, ik wil spreken wat mij de Heere zeggen zal.

Als ít heer van Jozafat, en Adel met zijn knechten,
In ít harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,
Riep ít rot van Jezabelbs profeten: Ą ít zal wel gaan,
O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!Ē
Mijn raad hier toe gebeÍn, ik riep: Ąleg af uw wapen,
ít Heer IsraŽls ik zie, als herderlooze schapen,
Verstrooyen op ít gebergte, en overrompeld vliÍn:
Gij, koningen ít ontwaakt; uw zienders niet en zien:
Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,
En smeekt uw onderlaag en broeit zijn leugenjongen!Ē
Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt,
Mij volslags met zijn vuist op ít kinnebakken smijt.
ĄHoe!Ē roept hij, Ąheeft met ons niet ís Drieheids geest gesproken?
Hebt gij ít geheim alleen des Heeren dan geroken?Ē
Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok
En kluistemen verwoed mijn schenen in den stok.
De legers gaan te velde, en vinden op de beenen
Den vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.
Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te ga‚r:
De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,
Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in ít moorden,
En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.
Een ruiter lost zijn pels, en, eer men toeziet schier,
Hij, tusschen ít hangsel en het koninklijk pantsier,
Den koning Achab groet: die voelende ís doods vlagen
Den aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagen
Zijn ziele, met het bloed dat ít gulden harnas smet,
En ít zammet van de koets, die wierd eerlang genet
Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken,
Die dí edelheid vensma‚n, en ít bloed gestolkt insnakken,
Daar ít Jezabel betreurt, die in haar tralie ligt,
En met mouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht,
Beklaagt haan bedgenot, en Micha voor een vrije
Kent, nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.


JONAS,

DE BOETPREDIKER.

Matth. 12.

Gelijk Jonas was in de buik des walvisch drie dagen en drie nachten, alzoo zal de Zone des menschen wezen in het herte der aarden, drie dagen en drie nachten.

Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten,
Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,
En Jafo ít ooge ontschool, en viel als in een flaauwt,
Nadat het lang in zee heide in ít verschiet geblaauwd:
De brand van ís Hemels toom de pekel fluks deÍ zwillen,
Dat zelf den stuurman ít lente in ít lijf bestond te schrillen ,
En angst zijn haren rechtte , al eer men toezag voort,
Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord;
ít Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig:
Men loot naar dí oorzaak: ít lot op mij valt, die ben schuldig
Aan ít algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee!
Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,
En ít aas eens walvisch haast, die, zender zich te belgen,
Mij levendí gorglen kan, verdouwen, en verzwelgen
Huisvesting gunnen meÍ, drie dagen al geheel,
En braken weÍr aan strand met opgespalkte keel.
Verrezen zijnde, ít lof wij brengen, die wij zochten
In ís afgronds afgrond diep, in ít monster vol gedrochten,
En gingen Ninive dí aanstaanden ondergang
Verkondigen, die God zonde eindigen eerlang.
Het volk beroerd (zoo fluks het merkt, dat God haarhieden
Kwijtschelding van ít vergrijp en ít leven aan kwam bieden,
En datter hoop was, om door boete zich tí ontslaan
Die dreigementen, en den Hemel tí ondergaan )
Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:
Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen:
Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem:
Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem:
Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveeren
Hij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren,
En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreid
Het aangezicht des volks, van Gods gerechtigheid
Het uitgetogen staal stak weder in de schede,
En hun trompetten liet den aangenamen vrede.


EZECHIAS,

DE GODSDIENSTIGE.

Eccles. 48.

Ezechias dede wat den Heere wel behaagde, en bleef standvastig op den weg Davids, zijnes vaders, als hem Ezaias leerde.

ít Zaad Izaks, dat misleid was dí afgoÓn nageloopen,
Ik toomde, en sloot ít portaal des hoogen tempels open,
In dí intreÍ van mijn rijk: en ijverde zoo lang,
Dat de oude godsdienst weÍr herbloeide in volle zwang.
De kopren slang, die aangebeÍn was van ís volks zotheid,
Ik brijzelde, en beloeg haar snoŰ metalen godheid.
Den AssyniÍr zijn tol te brengen was ik moÍ,
En overtrok gebergte en stem, tot Gaza toe.
Maar Salmanasser, om zijns rents verloop tí onvreden,
SamariŽn gewon en voerde ít volk in Meden.
Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de been
Geraakt, in Juda ging vermeestren al de steÍn.
Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,
Wij ít goud van ít heiligdom en ít zilver hem toebrachten
Te Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontva‚n,
En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan:
Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempte
De bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.
Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amosí zoon,
En dí Engel, die versmaadt Gods gloerierijken troon,
Die met den stalen boog zijns gramschaps eens tí ontspannen
Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen:
Dies ít overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feest
Gesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.
Gods gunste aan ís levens wel knoopt acht en zeven jaren,
En, tot waarteeken, doet de zon terugge varen
Tien schreden met zijn koeten en frisch, van nieuws gezond,
Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.
Dan ach! wat was ít ons nut, doen blijde aan alle kanten,
Wij openden ons praat voor Babylons gezanten,
En EzaÔas ons boodschapte, met wat smaad
ít Huis Jacobs zuchten zonde op de oevmen van dí Eufraat:
ít Huis Isrels einden zoo zijn hemelsche gezangen,
En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.


JOZIAS,

DE GODZALIGE.

Eccles. 49.

Jozias name is gelijk als een edel reukwerk uit der apoteken; hij is zoet gelijk als honig in de mond, en als snarenspel bij den wijn.

Ik was noch kindsch en teÍr, als Juda ging mijn hersen
Met ít vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.
Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunst
Mijn jeugd, in tí oefenschool van welgebiedens kunst:
Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,
Ik, wat aan ít heilig koor bouwvallig wierd bevonden,
Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons las
Het wetboek, dat zon lang vervreemd te zoeken was,
En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden
Den godsdienst, wij bedroefd ít geplooide purper scheurden,
En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,
Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,
En troostte met de zoen, verwerven voor ons zelven.
Ik vurig, dí heilge bla‚n in dí heilige gewelven
Liet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,
Waar aan links Juda zich verplichten ging met mij,
De rei der Priestren Gods den tempel raagde tí zamen,
En veegde de afgoŰn uit, met Ba‚ls poppekramen:
BroÍr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,
Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook.
Haar Priestren, die tot asch vermaalden ís volks gebeente
Ik roostte levendig op ít bloedige gesteente.
De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediÍn.
In ít gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien.
ít Vergeten Paaschfeest, ít welk de jaren overtraden,
Wij statig vierden, en erkenden Gods weldaden
Den vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,
Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl,
Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezonden
De koninklijke ziel van ít lichaam wierd ontbonden,
ít Welk, in ít gewijde graf der koningen geleid,
Van Jeremias wierd en IsraŽl beschreid,
Vermits geen koning ooit gezalfd en was voorhenen,
Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen.


EZAIAS,

DE EVANGELISCHE PROFEET.

Eccles. 48.

Ezaias was een groet en warachtig prefect in zijn profeciŽn.

Mijn vader Amos was, en koning Azarias
Mijn broeder. Ik bestond, in ít afscheid van Ozias,
In ít ampt te treÍn, daartoe den Hemel mij voorzag
Eer ik noch zuigeling in ís moeders voorschoot lag:
In ít ampt te treÍn, zou haast mij God beriep van boven,
Als ik zijn glorie zag, en ít heerschaar hoorde loven
Zijn groote majesteit, wiens glansen, veels te sterk,
De posten siddíren deÍn van ons gewijde kerk:
Als dí Engel, licht van pluim, mijn lippen snel genaakte,
En zuiverde met vlam, de op ít hoog altaar blaakte.
Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,
Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozesí wet.
Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken:
Als zij, van ít heilig spoor verdwaald en afgeweken,
Met dí onbesnedení haar afgoden volgden naar:
Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,
En wekten ze, wanneer van verre wij genaken
De legers zagen, die God wapende ter wraken.
Wat drukte ons, men vond gerechtigheid zoo schaars!
Wat walgde ons ít offren van een hoopen huichelaars!
Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorsten
Trad onder oogen, en ít geen zij verbreuken dorsten
Afeischte, en voorhiel, waar zij wanen toe verplicht:
Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezicht
Riep ít vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,
Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,
En ít rinklende gebeentí, dat viermaal zestien jaar
ít Profetische ampt bekleedde, en spijsde in ít openbaar
Dí hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,
Verschrikt van SinaÔ, vol onweers, ijvrig zagen
Op den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,
En ít Offerlam, dat ik zoo duidlijk had gemeld,
En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch ís werelds vlekken,
Dat eer Evangelist ik, als prefect, mag strekken.


JEREMIAS,

DE VROEGPREDIKER.

Eccles. 49.

Jeremias was in ís moeders lijf uitverkoren tot een profeet, dat hij uitroeyen, breken, en verstoren, en wederom ook bouwen en planten zoude.

Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia?
Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia,
Dí aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pas
Vond, dat zoo lang gewenscht te wijd om zoeken was.
Jehova, die mij, vůůr mijn tijd, hadde uitgezonderd,
Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderd
Mijn jongelingschap met de ontzichlijkheid bekleed
Zag van een predikantí en Goddelijk prefect.
ít Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen.
Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanen
En dreigementen, ik te weren zocht van ít kwaad:
Helaas! maar al vergeefs: zij hielden ít al voor praat.
Met scherpe diamant en ijzren grniffe; o smerte!
De zondí geprent was in de tafel van haar herte.
Dí aanstaanden ondergang des stads, die te gemoet
Ik in ís geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boet
In iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker:
De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,
Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneÍ,
Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deÍ:
Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,
Den koning wierd ontroofd ít schoon aangezicht der zonnen;
Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,
Vůůr hem gesneuveld viel in ít ijzer der ChaldeÍn,
En hij geketend aan dí Eufraat zat op het oever,
En hoorde ít guichelspel zijns vijands langs hoe droeven.
Genaken ik van verrí zag, over dal en berg,
Als Isrels heiland en verlosser, den monarch,
Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henen
Het volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen:
Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,
Die held, die geestelijk zou volgen David na,
En ít hoofd vermalení van dí erfvijand, die de zielen
Der menschen boeide, die in ís Hemels ban vervielen.


EZECHIEL,

DE GROOTE ZIENDER.

Eccles. 49.

HezekiŽl zag de heerlijkheid des Heeren in een gezichte, dat hij hem wees uit den wagen Cherubian. Hij heeft geprofeteerd tegen de vijanden, en troost verkondigd dien, die daar recht doen.

Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannen
Rondom Jeruzalem, om Juda te vermannen, -
En uit zijn elpenstoel te werpen Jojakim,
Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grim
Hadde over hem gewekt: of onze vorst verslagen
Mij kwam ít geheimenis van Gods geheim afvragen:
En als hij merktí, hoe ís volks godloosheid overlang
Den Hemel afgetergd had Sions ondergang,
Die, eenmaal vast gestemí, in ís Heeren toorn verbolgen,
Onwederroepelijk geschapen was te volgen:
Hij links, behoudens goed en beven, overgaf
De stad; maandí onbesneÍn hem sloeg in ít ijzer straf,
En sleept hem, neffens mij, daar Chebar steeds de muren
Van Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.
Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,
Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad,
De poorte ooit open deÍn, en leenden zin noch ooren,
Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren,
Dies mij Jehova van zijn glorierijken troon
Kwam om zijn majesteit tí aanschouwen vnundlijk noŰn.
Mijn ziel in ít aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten
En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,
Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meÍ,
Ging openen, opdat mijn profecye steÍ
Mocht grijpen in ít gemoed der gener, die, als slaven,
Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven.
ít Venstnooyende geslacht, dat droevig en ontsteld
Ging dwalen heen en weÍr, als schapen over ít veld,
En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden,
Met dezení herder ik vertroostte, die zou weiden
De stammen in het groen der beemden, die voortaan,
Door zijn barmhertigheid, zoo heerlijk zouden staan
In groei en bloei, zoo haast als Israel te stade
Kwam een slagregen van Gods goedheid en genade,


DANIEL,

DE GODGELEERDE.

I  Mach. 2.

DaniŽl wierd om zijn onschuld van de leeuwen verlost.

Deen ís konings oogen drok en bezig weiden gingen
In ít koninklijk geslacht en ít puik der jongelingen,
Zij staren bleven bot op mij, die, als een starrí,
Mijn blonde kuif opstak, als ít hof te Sinear
Behagen in mij schiep, en liet mijn brein opkweeken,
ít Welk wijd leerde over ít hoofd in driemaal vijftig weken
Mijn meesters, en hoewel ik sober, als Gods knecht,
Voor ís konings lekkernij verkoos het moesgerecht,
Mijn aanschijn, wel gevleescht, gezonder men zag blozen
Als andre, dien ít banket walgt en steeds bastert kozen.
Maar als ís monarchen, droom ik nu tí ontdekken kom,
Daar al de Magi der ChaldeÍn voor bleven stom,
Nebucadnezar mij verhoogt, en doet de zielen
Van ít pratte koninkrijk voer mij ter aarden knielen.
Na zag ik Babels hoofd, verbannen van Gods geest,
Bedauwd in ít veld, het gras afsnoeyen als een beest.
Belsazer namaals (zoo hij, godloos en verwaten,
Ontwijdde, in ít slempen, ít goud van dí heibge tempelvaten
Terwijl de boeten met ít albasten van haar borst
ít Wellustig lodderoog verlettení van de vorst)
Ik meldde zijnen val: als hij, vol schriks en beven,
Zijn vonnis op de wand zag onverhoeds geschreven,
En korts hadde uitgediend, als diadem, en staf,
En ít purper van zijn leÍn hij Meden overgaf:
Daar ik, te zeer ontzien om mijn droomkundigí hersen,
Den Nijd wierd tot een buit, vermits ik ít hoofd van Perzen
OntzeÓ met Godlijke eer tí ontmoeten, dies zij dol
Mij gaf tot eenen roof den leeuwen in het hol,
Maar de Englen, door haar kracht, het woÍn der dieren temmen,
De leeuw het brullen staakt, en laat zijn lokken kemmen,
En vast, ter tijd toe ik ontkerkerd, hij verblijd
Mijnvijand met zijnkies en klaauwen motst en rijt:
Dies orgelt ieders tong van zelve en ongeboden,
Dat DaniŽl alleen den God dient aller Goden.


DE TWAALF PROFETEN,

OF REI DER ZIENDERS.

Eccles. 49.

En der twaalf profeten gebeenten groenen nog daar zij liggen: want zij hebben Jacob getroost, en verlossinge toegezeid, die zij gewisselijk hopen zouden.

Hozeas ít zijt gegroet, die, met uw profecye
ít Huis Jacobs zuivren wilt van zijn afgodenye:
Met JoŽl, die van verre afdalen zag den Geest,
Als een slagregen, neÍr op Sions Pinxterfeest.
Leeft lange, Ű Amos ít die vloeit uw gewolde vliezen,
En weidde zielen, als u dí Hemel kwam verkiezen.
Obadja, zijt geloofd! die Edom, al voorlang,
De roedí hebt laten zien van zijnen ondergang.
Gij, Jonas! uwen lof steeds bruisen moet en vlieten,
Vermits gij hebt bekeerd tot God de Ninivieten.
Micheas, u zij heil! die Bethlems boerewal
Doet juichen, om dat God zich legert in de stal.
Gij, Nahum!  prijs behaalt, die Ninive bewaakte,
En waarschouwde, eer haar val rechtveerdelijk genaakte.
O Habakuk! dat doch uw lofkrans eeuwig bloei,
Omdat gij los zaagt gaande stammen zonder boei.
Zefanja, uwen roem wonde altijd weÍr geboren,
Vermits gij naken zaagt Jemuzalems verstoren.
HaggaÔ niemand wijkí, die ít Joodsch gebouw versmaadt,
Om Kristusí kerk, die in zijn geest getimmerd staat.
Maar Zacharias!  o, wat zullen wij u wijden?
Die allen vorsten Vorst zaagt op een ezel rijden?
Met Malachias, die, naar zijn verschulde plicht,
Een Engel henen zond voor ís Heeren aangezicht.
O heilge Zienders rei! vermits gij boos noch nijdig
Te zamen komt, heel goed van inborst, onpartijdig,
Onnoozel, ongeveinsd, en niemands aanzien smeekt,
Maar, wat u dí heilge Geest inluistert, tot ons spreekt,
Met lippen zonder smet: ik op uw woord wil bouwen,
En in dees duistre nacht die valsche leeraars schouwen,
Wiens pad ter Hellen leidt, en Kristus, mijnen Heer
En Heiland, zoeken bij de klaarheid van uw leer,
Het rechtsnoer des geloofs, het heldre licht der blinden,
De leidstarrí, die ooití blonk voor alle Gods beminden.


ESDRAS,

DE WETGELEERDE.

Esra 7.
Esma was een geschikt Schriftgeleerde in Mozes wet, die de Heere de God IsraŽls gegeven heeft: en de koning gaf hem alles wat hij begeerde, naar de hand des Heeren zijnes Gods over hem.

Als Xerxes zwanger ging met ijver boven maten,
En Sion gunst toedroeg niet min als zijn voorzaten:
Hij Esdras oorlof gaf, om, vuriglijk en kuisch,
De dorpels te betreÍn van ís Heeren heilig huis.
Elk reÍ was, zoo ik sprak; ís volks vreugd men hoorde schatren,
Daar zijnen tol de Eufraat ontleent van mindre watren.
De aanstaande reize onveil, die ons te dreigen scheen
Met nood en lijfsgevaar, door vasten en gebeÍn,
Verzekerden wij ons bij God, die ít vrij geleide
Zijns Engels aan zijn kuddí gaf over berg en heide,
Tot dat te Salem wij den priestren overhoofd
Toewoegen ít heilig goud, dat Assur had geroofd,
En deÍn op ít altaar ít smeer en ít ongel van de rammen
En bokken golven naar ít gesternte, met roŰ vlammen,
Tot dankbaarheid, dat, wijd van ít slaafsche Babylon,
Zoo heuglijk over ons blonk ís ouden vrijheids zon.
Maar och! mijn hert bezweek, mijn ziel weemoedig treurde,
Mijn lokken trok ik uit, mijn kleederen ik scheurde,
Als mij ten ooren kwam, hoe, tegen Mozesí wet,
Het heilig zaad alom zijn kuischheid had besmet
Met ít goddeloos geslacht, dat heimlijk ít hert der Joden
Te neigen scheen tot haar belachelijke Goden:
Waarom de stammen ik verzamelde algemeen:
Die, voelende ít vergrijp, terstond met heilige eÍn
Den Hemel zwoeren dier, de uitheemsche bedgenooten
Te vliÍn, en van haar gunst en vrundschap te verstooten.
Het lovertenten-feest genaksende, ieder doen
Op mijn bestel ít gebergtí ging plonderen van ít groen.
Men vlocht alom dí olijf, de myrt, en frissche palmen:
Ds weÍrklank op ís volks vreugd antwoordde met zijn galmen
ís Wets heilge bla‚n ik las voor ít opgesteken oor
Van dí aangedrongen schaar, die bezig in ít gehoor
Zich zelf vergat, en naar geen huis heeft omgekeken
Voor ít statig loverfeest gevierd was en verstreken.


NEHEMIAS,

DE HEILIGE BOUWMEESTER.

Eccles. 49.

Nehemias is altijd te loven, die ons de verderven muren weder opgericht, en de poorten gezet heeft met sloten, en onze huizen weder gebouwd.

Zoo haast sprak Pezen niet: ĄNehemia! trekt henen,
En bouwt de stad, daarít graf bewaart uws vaders beenenĒ ,
Of ik versmaadde ít hof, en vond der priestren erf:
Daar even Salems val, en jammerlijk verderf,
Lang ít gras gewassen was; denkt, hoe mij was te moede,
Als ik mijn vaderland zag treumen in den bloede,
En van Jeruzalem de poorten en de muur
Geblaakt, gescheurd, geschend, met ijzer en met vuur.
Mijn oogen uitgescreid, en weder tot mij zelven
Bedaard, ik ít volk opwek in dí heilige gewelven.
Elk tot der muren bouw wilveerdig in ít gemeen
Beament mijnen eisch; ik leg den eersten steen,
Wien fluks een tweede perst; het was, om verjolijzen,
Te zien, hoe dí ernstí der JoŰn het steenwerk dede rijzen.
De faam van ít stout bestaan fluks strekte een nieuwsgier tolk
Aan Moab, Ammon, en het nageburig volk:
Die, al van ouds jeloers, om Sion, zijn verdragen
Ons ít metslen te verbiÍn met heimelijke lagen;
En snakten naar mijn ziel, daar ít al,naast God, aanhing;
Dies met een stoet hartsiers ik ít lijf verzekren ging,
En gaf den bouwliÍn, zoo ik ís vijands list doorsnuffel,
Den degen in dí een vuist, in de ander hand den truffel,
Den beuklaar bij de werk, om schutten slag op slag
Van ít heer, dat zwert van nijd steeds op zijn luimen lag.
Mijn tafel ik vergat, de vaak week uit mijn oogen,
Tot dat de heuvel Gods omgord was met een hoogen,
Onwinbren wal, en ít oog des schildwachts, voort en voort,
Bewaakte, nacht en dag, de valbrugge en de poort:
Doen klom ons juichen naar ít gesternte, klaar van schimmer,
Omdat van derwaarts was gezegend ons getimmer;
De stad bevolkerd weÍr van ít priestemlijk geslacht,
Zijn tiende Levi wierd geheiligd en gebracht,
De godsdienst raakte in zwang; waarom mijn naam zal duren,
Zoo lang Jeruzalem derf noemen op zijn muren.


JOB,

DE LIJDZAAMHEID.

Hiob, 6.

Wanneer men mijn jammer woege, en mijn lijden te zamen in een schale leide, zee zonde het zwaarder zijn dan het zand aan de zee.

Gij, die u maakt voor God door ít munmureeren schuldig,
Komt herwaarts, ziet, hoe Hiob zoo lijdzaam en geduldig
De lijdzaamheid uitbeeldt, en, voor elke aangezicht,
Zijn gouden zetelstoel van eenen misthoop sticht,
En zit behangen noch met zij noch piurpren kleÍren,
Maar met een mantel, rijk van rooyen en van zeeren
En puisten geborduurd, gemyterd met een hoed
Van schurft, wiens lamper is slechts etter en vuil bloed.
De potscherf hem een staf en schepter wil verstrekken:
Waarmeedí hij open kblouwt de zweeren, die hij lekken
Laat van zijns huishonds tong, die, op haar voordeel uit,
Snakt naar de lekkernij van Hiobs bedragen huid.
Zoo pronkendí hij van verrí gesneuveld ziet zijn knapen
In ít ijzer der ChaldeÍn, en zijn gewolde schapen
Vanís Hemels vlam geroosd, zijn kemelen geroofd,
Het dak zijn vrolijk zaad gevallen op het hoofd,
In ít midden van haar feest, en als hij straf bejegend,
Met een slagregen van veel rampspoÍn is beregend,
In plaats van troost, daar als amechtig hij naar gaapt,
Ontmoet hem dus zijn helft, die in zijn ermen slaapt:
ĄIs ít nu niet wel gesteld? waar is nu Hiobsí betrouwen?
Wat heil brengt het nu toe, op ís Heeren naam te bouwen?
Gij noemdí hem uwen schild en schutsheer onversaagd:
Hij helpe u nu, indien hem vromigheid behaagt.Ē
ĄAy! (zegt de martelaar) gij natelt als dí onvroede:
Wij dulden ít kwaad van hem, die zegende ons in ít goede:
Naakt rezen wij in ít licht: naakt varen wij in ít stof:
Die ít leende, nam ons ít zijn: den Heer zij dank en lof!Ē
Zijn maagschap ook, tot troost vast neffens hem gezeten,
Een pijnbank strekte schier ís mans ongekreukt geweten,
Dat, rijk in God getroost door ít veel gepleegde goed,
Een blijde schare kwam van deugden te gemoet:
Tot dat, doorlouterd hij, in ít aanschijn Gods verkeren,
Hem ís Hemels goedheid gaf meer als hij had verloren.


TOBIAS,

DE GODVREEZENDE.

Tob. 2.

Tobias vreesde God ander als den koning, en droeg de verslagenen heimelijk te zamen, en behield ze heimelijk in zijn huis, en des nachts begroef hij ze.

Het lente Napthali zal trotschem als voorhenen
Zijn hoornen steken op, en met zijn ranke beenen
Opsteigeren ít gebergte, omdat zijn dooie faam
Is opgewekt door mij, die vroeg den groeten naam
Des groeten Gods aanriep, en die om niemands halven
Bevlekte mijn gemoed, doen elk de gulde kalven
Jeroboams aanhad, maar, naar des hoogsten stem,
Mijn eerstelingen steeds bracht te Jeruzalem,
Tot dat, met Isrel ik vervoerd de boei most slepen,
Daar Ninive gevrijd wordt van dí uitheemsche schepen,
En daar, als andre, nooit mijn lippen zijn besmet
Met ít voedsel, ons zoo streng verboŰn van Mozesí wet:
Dies God mijn vromigheid mij komen liet te stede,
Als ít hert des AssyriÍrs hij roerde met genade.
Mijn vrijheid nu erlangdí, ik evenwel verplicht
Mij hiel te dwaden der bedroefden aangezicht,
Tot dat Senacherib ontzÓt al wie mij hoofde:
Wiens gramschap ik ontsloop, als hij mijn have roofde,
Doen ik mijn broedren (die hij, in zijn gnimmigheid,
Versloeg) gekist hadde en in ít heimelijk graf geleid.
Den dooden uitvaart was mij liever als mijn eten,
Zoo fluks de bleeke dood het leven had verbeten.
Doch mijn godvruchtigheid leed wederom aanstoot,
Doen eenen zwaluwdrek mijns lichaams vensters sloot,
Daar ít morgenlicht door scheen: en of wel mijnen rouwe
Met schimp ophoopten nog mijn magen en mijn vrouwe,
Nog hiel mijn vroomheid aan: mijn ijver nog bekleef,
Als ik in ít hert mijns zoons die gulde lessen schreef.
Geprangd van armoede, ik mijns oudheids kruk in Meden
Naar Gabel zond om ít geld: maar dí Engel Gods met vreden
Hem weÍr betreden deÍ den dorpel van mijn huis,
Met zijnen bruidschat en zijn Sara, hupsch en kuisch.
Mijn lichten zagen ít licht, dat zon lang was gedoken,
Tot dat, ik levens zat, mijn kindren dí oogen loken.


MATATHIAS,

DE PRIESTERLIJKE KAMPIOEN.

I Mach. 2.

Wij en willen niet bewilligen in ít gebed van Antiochus, ende en willen niet offeren, en van onze wet afvallen, en andre wijze aannemen.

Dat ging mij veel te na, dat ik van verrí de wallen
Van dí heilige stad met haar wachttoornen hoorde vallen.
Dat ik vernam, hoe die aartsvijand van Gods wet
Zijn schelmsche voetzool hadde in ít heiligdom gezet:
Dat ook Antiochus dorst, godloos en verwaten,
Tot roof verklaren ít goud van ons gewijde vaten:
Dat hij zijn schouwspel zag aan menschen en aan vee,
En ít volk voor ít aanzicht van zijn afgoŰn knielen deÍ.
Waarom, zoo fluks ons kwam, op Modins hooge rotsen,
De veldheer des tyrans, in naam zijns meesters, trotsen,
Ik, met een hellebaard, die zwaar van koper woeg,
Hem en die valsche Jood den kop in flarden sloeg,
En, om de wet jeloerns, als dol en uitgelaten,
Het volk op ít marktveld ik bazuinde uit alle straten,
En wektí haar ijver op aldus: Ąwat! is ít niet schand,
Dat hij, die onlangs zat gegijzeld en verpand,
Ons wetten stellen zal, en onzen Godsdienst schenden,
En maken van ons kerk een grouwel der ellenden?
Wat, mannen! duldetí niet, dat u die dwingland kruist,
Zoo lang gij houden kunt het lemmer in de vuist:
Wie ijvert,volgt mij na!Ē ít Woord droop naauw van de lippen,
Een werkt van menschen ziel, in helen en in klippen,
Met mij verstak voor ít heer van die vermeten zot,
Die kwam te spa zijn hiel opheffen tegen God.
Wij streÍn in ít steengebergte,en zoo wij daagíljjks wiessen
Wij vaken dí onbesneÍn deÍn dansen door de spiesen.
Geen Sabbath onzen ere noch zeenwen liet verlet,
Als ons dí erfvijand zocht; de nood wist van geen wet.
Met wijf en kindren dus in ballingschap gevloden,
Wij stelden de eere Gods voor ís dwingelands gebeden,
Tot dat onze ouderdom zijn zonen alle vijf,
Vůůr zijn verscheiden blies een krjgsmans hert in ít lijf
En Macchabeus, die ons kwam in vroomheid nader,
ít Zweerd ophief, en het ampt vervulde van zijn vader.


JUDAS MACHAB∆US,

DE VOORVECHTER.

1 Mach. 3.

Judas verkreeg den volle groote eer; hij toog in zijn harnas als een held, en beschermde zijn heer met zijnen zweerde; hij was vrijmoedig als een leeuw.

Als Apollonius te trotsch mijn leerkracht porde,
Hij vond dien, die hij zocht, en hem het mes afgordde.
Den batscben Seron, die dacht dat ik van ít gerucht
Verveerd was, kwamen wij vemnestlení op de vlucht.
Na, Gorgias ontvlod, als in zijn pauweljoenen
Ik ít vuur stak: duizendwerf vijf dappre kampioenen
Het overrompeld heer van Lyzias op ít veld
Vermiste, als namaals wierd het overschot geteld.
Jeruzalem ik bouw tot troost der Isralieten,
En open ít hooge koor voor priestren en Levieten.
Den Ammoniet ik sla, met Beon, dí Idumeen.
Datheman ik verkwik, en bliksem stem aan stem.
Timotheus ontwijkt mijn benden, die hem naken:
Dies Efron CarnaÔm wij met ons tortsen blaken,
En vlammen naar den roof, en slaan, eer ít woeden slist,
Al wat er wapens draagt, en aan de muren pist:
En vinden zegenrijk den priesterlijken heuvel:
Daar wij hem roemen, die nam wraak van ís vijands euvel.
Maar als in ít Zuiden ons grijnst Edom aan zoo stuur,
Wij Hebron breken af tot molm, met staal, en vuur.
In ít land van Asdod, daar de blinde de afgoŰn eerden,
Wij steÍh en vlekken gants het onderstí boven keerden.
Doen dí elefant ten toen den Antiochusí droeg,
Ik ít onbesneden zaad zes honderd man afsloeg.
Als nu Nicanor komt, dat hij mijn glorie schake,
Ik hem zijn rechterhand en hoofd afsnij tot wrake.
Zoo haast de faam ons doet den roem van Rome kond,
Wij met ít Romeinsche volk ene houwen door verbond:
En als Bacchides trok, den smaad op ít strengstí te wreken
Demetrio gedaan, ik in ít gevaar bleef steken,
Als mij mijn volk bezweek, daar ít legen ik ophiel,
En in ít gevecht opgaf mijn ridderlijke ziel;
Die, heemlende naar ít koor der heiden van der eerden,
Het heldisch lichaam liet doorregen van de zweemden.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: Thursday 19 July 2001