Joost van den Vondel (1587-1679)

Gebedt, uytgestort tot Godt

OVER

MIJN GEDUERIG QUYNENDE SIEKCKTE, A 1621.

Gy die de sieckte queect, en doetse weer verdwijnen,
Aensiet een Christen hert, belegert met veel pijnen:
     O Vader alles troosts! Gy weet, en ick beken
     Dat ick een aarden vat, en broos van stoffe ben.
Aensiet de swackheyt dan van uwen armen dichter:
Myn rouwe wonden slaft, en maect myn qualen lichter:
     Of soo t u dus behaegt om onser sonden schult,
     Soo wapent mijne borst bestendich met geduit:
Dit harnas eischt den noot, want jaren sach ick enden;
Maar noyt myn swarigheen, en daeglijksche ellenden.
     Dit maect my t leven suur, en mat de geesten af,
     En doet ons hemelwaerts vaeck suchten om het graf.
Als ick de Swaluw sie gherbergt aen de Gevel
Van t overlenend huys, die van daertsche nevel
     Ontslagen, spreeck ick dan, mocht nestlen daer t gestarnt,
     Daer t gout in t blau Torhoys soo flonckerende barnt.
Gy weet het, goede God! hoe vyerig uwen siecken
Na een gesonder locht, door t roeyen van sijn wiecken,
     Opstijgen wil geswint, of dat een van u Bn
     Hem op sijn pennen draegt, in uwen rijcken throon.
Als ick, om tijt-verdrijf, met mijne stem ga paren
Den wer-klanck van myn Luyt en sangerige snaren,
     Dan dunct my dat U geest met mijne geest getuygt
     Hoe t heylig heyrschaer Gods daer boven speelt en juyght.
Dees lust tot t hoogste goedt, dit Goddeiijck verlangen,
Uyt dees quellagie wort geboren en ontfangen.
     Wy nemen dan in danck den tijdelijcken druck:
     Laet ons, Heer! slechts niet beswijcken onder t juck;
Noch laet dellende niet te seer ons broosheyt tergen,
Noch meer als het vermach, wilt niet u schepsel vergen;
     Soo sal myn sangeres u roemen onder maen
     En s werelts duystre nacht, en schaduwen versmaen,
Om t salich licht, tot dat de geest van t hij! ghescheyen,
Sal weerdich zijn bekent, te juychen met u reyen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001