Joost van den Vondel – (1587-1679)

Beeckzang aan Catharina

Aº. 1624?

Wycker Bietje, die by ’t Beeckje
Nestelt, en geeft menigh steeckje
   Die uw honigh komt te dicht;
Wacker Nymfje, die zoo klaartjes
Met uw ooghjes op de blaartjes
   Flickert, blickert, straalt, en licht;

Zegh my, meisje, die zoo netjes
Poezelachtigh zijt, en vetjes,
   Levend, helder, wel gedaan;
Waar van mooghje zoo wel tieren,
Daar al d’andere, arme dieren,
   Bleeck en treurigh quijnen gaan?

Eetje slaatje met een eitje?
Drinckje niet dan schapeweitje?
   Pluckje moesjen uit den tuin?
Backje struifjes van de kruitjes?
Treckje heen, na zomerbuitjes,
   Om lamprey en knijn, in duin?

Zwemje in lachjes, en genughjes?
Leeft uw geest in zoete kluchjes?
   Springt uw zieltjen in uw lijf?
Erfje niet als heil, en zegen?
Benje juist van pas geregen,
   Niet te los, noch niet te stijf?

Zegh het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
   Heel uw speelnoots algelijck.
Redt die diertjes van haar teering.
Onderkruip den Haes zijn neering,
   En wort dockter van de Wijck.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001