Joost van den Vondel (1587-1679)

GEBOORTKLOK VAN WILLEM VAN NASSAU,

EERSTGEBOREN ZONE DER DOORLUCHTIGSTE PRINCEN

FREDERIK HENDRIK EN AMELIA,

DOOR GODS GENADE

P r i n c e n   v a n   O r a n j e;

GEBOREN MET DE ZONE, DEN VAN MAY,

IN S GRAVENHAGE.


AAN DE DOORLUCHTIGSTE PRINCESSE

A M E L I A,

DOOR GODS GENADE

Princesse van Oranje.

K l i n k d i c h t .

A. 1626
De Hemel had in u dat heilig pand besloten,
Daar s moeders gloor uit blinkt en s vaders majesteit;
Pand, twelk gezegend rijk in rijk borduursel let,
Op koesterenden schoot, met schoonheid overgoten;

Pand, twelk Oranje troost en Hollands bondgenooten;
Pand, met veel wenschen van veel duizenden verbeid;
Pand, daar mijn Kallioop iet zeldzaams van voorzet,
Gevierd en aangeben van Kristen werelds-grooten.

Hier springt hoefijzers bron, hier bruist een diepe zee;
Hier wei ik ruim, hier is de hoorn van Amalthe.
Mevrouw! vergeef me doch deze openhartigheden,

Zoo zal mijn Zangeres zich rekenen te zijn
Zielzaliger, als ooit hofschenker van Jupijn,
Die Nectar schaft, daar Gon ter bruiloft zijn gebeden.


Geboortklok

VAN

WILLEM VAN NASSAU.

Hofjonffer rijk valt praal, die al van ouds vermetel
Op uwe graven stofte, en grafelijken zetel,
Met kunst gevlochten Haag! besproeid van Vijverstroom,
Die kiesch de wortels lekt van den Oranjeboom;
Oranjeboom, die ciert de Tempe van ons landen;
Boom, naar wiens geur en sap s volks monden watertanden;
Prielnymf altijd frisch! vergun me, dat ik daal
Op eeuwig groenen telg, en, Lentsche nachtegaal,
In t kwikste van den May, aanhef te kwinkeleeren,
Om uw prins Willems wieg en boortedag te eeren,
Met lieflijk maatgezang; zang, boeister van t gehoor;
Zang, die de ruwste ziel lokt spelen buiten t oor.

Ik weet wel, preutsche maagd! dat in deez zoete dagen
Uw lindetakken puik van schelle keeltjens dragen;
En dat uw Constantijn, met zijne ivoren luit
En voet en vingerdaus, de vorstelijke bruid
Het Maylied schenkt; wanneer zijn goude Fenixveder
Heeft s vorsten last vernoegd, ent harte speclziek weder
Naar dicht en snaarspel jookt, daar ge uwen zin op zet,
En t slechtste liedje kaauwt voor t lekkerste banket;
Doch ik ken uwen aard zoo heusch, zoo hoofsch, zoo edel,
Dat gij komt luisteren naar een geringer vedel;
Ik wekt, ik heb verlof van uwen Vijverberg,
En t zal onnoodig zijn, dat ik t uw zwanen verg.

Maar gij, o negental! o Myter-berg-godinnen!
Die s nachts niet min als daags gaat waren door mijn zinnen;
Om wie ik t leven lieve, en zonder welke ik niet
De majesteit der zonne aanschouw als met verdriet,
En droef en eenzaam wensch in duisternis te stronkelen,
Al zit zij boog in t goud, betulband met karbonkelen,
Bemanteld met een kleed van vlam en purpergloed,
Waar voor al t Oosten knielt, en wyrookreuken voedt;
O dochters van Jupijn! indien ik uw bevelen
Ooit ijvrig heb verricht; tzij, dat ik speeltooneelen
Opstenen dede, en plengde een biggeltranenvloed,
Paleizen doofde in asch, en princen smoorde in bloed;
Hetzij mijn cyther schepte in heldenlof haar weelde,
t Zij ik op dunner riet een hardervaarsken kweelde;
Uwe oord herwaarts neigt, uw dichters stem verhoort!
Bevloeit met gulden inkt dees zalige geboort;
Ontsluit genadig ons uw bosschen en uw bronnen,
Ontsluit ons Heiligdom en Hemelen vol zonnen!
Geeft rijmen, die, getoetst, der wijzen dichtkund schatt,
Als pronk van diamant, met gouden klaauw gevat.

De alstovende Godes die, door haar boezemprikkel,
Meer levens aankweekt, als Saturnus, met zijn sikkel,
Naijvrig maait en velt, had, sedert dat ze nam
De zorg ter harten van den hoogen heldenstam,
En het Nassauwsche bloed, op Jupiters begeeren,
De zaak zoo verr gebrocht, dat Frederik zijn speren,
Helm, pantser, en pistool voor hare voeten le,
Verwonnen door de deugd en schoonheid, en t gevlei
Van eene Amelia, met wie hij, zoo t betaamde,
In kuisch en wettig bed, met zin en ziel, verzaamde.
Elk riep: een held vergaapt zich aan zijne eegemaal,
Een borst die nooit en klopte (al stond er punt van staal
En vijands degen op. en dreigde door te dringen),
Die laat zich van een kind den schicht in t harte wringen;
Een hart, daar hagelbui van kogelen op stuit,
Is nu Cupidos roof, en Cypris rijke buit.
Dit speet den Oorloogsgod, zoodat hij knarsetandde,
En riep, bij trommelslag, den veldheer van den lande
Al wer aan grenzewaart, met ongerusten geest,
Versteurend Hymens vreugd, in t midden zijner feest,
Doen s vorsten bruiloftkoets verkeerde in legertente,
Gelijk een gure bui, in t lachendste der lente,
Der bloemen spikkeling dik treft, en droef bezwalkt.
Voor ditmaal heeft me Mars, zeid Cypria, verschalkt,
En de gewenschte vrucht belet na lust te pluiken
Doch k zal zijn treken tot mijn voordeel bet gebruiken:
t Bestand, dat hij me brouwt, om elders krijg te von,
Is slechts te rugge tren, om grootren sprong te doen.
Zoo sprak ze, en ging terstond, in s bruidegoms afwezen,
Meer brands verwekken, en haar krachten t zamenlezen
Op t hooge Idalin, en zamelde te gar
De Charites, daar toe een vlugge schutterschaar;
En wijdde ze van nieuws, om, als gezwore pagin,
Te maken haren stoet bij groote personagin;
En toegerust met al tgeen minneplicht vereischt,
Zij met haar eersleep is naar Hollands hof verreisd,
Daar Henriks bedgenoot eerbiedig komt begroeten
De moeder van de Min, en neigende aan haar voeten,
Onthaalt ze met zoo veel aanbiddings als ze kon,
Gelijk als d Oosterling de eerwaarde morgenzon;
En staat verslegen, als dat goddelijk vermogen
Van Venus aangezicht bestraalt haar sterflijke oogen,
En werpt zijn schijnsel op dat voorhoofd zonder kreuk;
Terwijle d heilge pruik een liefelijken reuk
Door t hoflijk welfsel spreidt, en wanden en pilaren,
Van veel verwonderings geslagen, naauw bedaren.
Nadat ze nu allenks wat harts bekomen heeft,
Feesteert ze de Godin aanminnig en beleefd
Met deze woorden: o, gij oorsprong aller weelden,
En t schoonste dat ooit Gon of menschen zich verbeeldden
Weest driemaal wellekom! wel komt ge mij te pas,
Die aan het mijmeren al heel geslagen was,
Door t derven van mijn lief, die legers gaat bespringen,
En mij besprongen liet van veel bekommeringen.
De Schepgodin hierop: o, eer van uw geslacht!
Op wie de zaalge rei der Hemelgoden lacht,
Schep moed! en duld, dat Mars uw bruigom spelen voere,
En met hem onder t heer der vijanden rumoere;
Jupijn belooft u hem te leveren in t end,
Na weinig weken, uit zijn rusting ongeschend;
Dan zal hij, krijgens zat, in de oude liefde blaken.
Wil ondertusschen met dees kindren u vermaken
Met wees zij haren stoet. Amella, die loech
Om t lodderlijke volk; terwijl ze gade sloeg
Het tere brein, met blonde en kruifde pruik beslagen,
De bruine gitten, die door schalke wimbraauw zagen,
De leden schoon van leest, van roering rap en gaauw,
Het spierwit vel, twelk scheen door t zuiver hemelsblaauw
Der kleedinge, waarop oranje-sluyers hingen;
De parledruiping van des oorlels goude ringen;
De wieken, bont van pluim, van jufferoogen blij;
Pijlkokers op den rug, kruitflesschen op hun zij;
Flitsbogeo, streng van pees, en zilvere pistolen;
En worrepschichten, die na t mikken nimmer dolen.
Vrijpostig treedt ze toe, en uit genade jont
Dat t een na t ander vast, met eenen heuschen mond,
t Sneeuw harer handen kust; en wordt nog, in het naderen
Der lippen, niet gewaar de brand, die zich in d aderen
Door adems gift verspreedt, en voedt een zoete pijn,
Die haren oorsprong neemt van t kinderlijk venijn.
Dies Cytherea groeit, wanneer ze t zaad ziet zaayen,
Waarvan ze wenschelijk de vruchten hoopt te maayen.
De daaglijksche ommegang maakt Cypris bende stout,
Nadat ze op zachten schoot nu dien, nu dezen houdt,
Of aan de rozen drukt, ontluikende op haar wangen;
Of laat ze om haren nek, gelijk gestrengeld, hangen;
Of staart op t lodderoog, dat haar gezicht belonkt,
En kweekt het vier, twelk door het kussen is ontvonkt;
Of laat een kraaltjen bloeds uit blanke borsten prikken
Door t minne-schichtje; dies zij bleek wordt van verschrikken:
Zij doodverwt doodscher t rood dat op haar kaken bloost,
Wen t wicht een kleene bus op naakten boezem loost,
En, met minkweekend, maar geen lichaam schande vlamme,
Al heimelijk verzengt melkwitte tweeling-mamme.
Ach, steent ze, ik flaauw! Aglay Sabeesche reuken brengt,
Terwijl haar Eufrozien niet rozewater sprengt
In t aanschijn, twelk uit vrees zijn purper heeft verschoten;
Thali ontrijgt ze, al waar t om t hart te naauw gesloten,
En wekt een koelte, en amt haar aanzicht leven in.
Dit jokken mij mishaagt, graauwt Pafos koningin;
Dit s kwetselijke vreugd; verziert ons andre spelen.
Bellone scheure uw heer in twee gelijke deelen,
t Een grijp het ander aan, doch niet als boertenswijs
t Een hebb de nederlaag, en t ander strijk den prijs
Mt hing ze in t midden op een koker zwaar van goude
En pijlen; ieder wenscht, dat hij het veld behoude,
Elk vlamt erop. Welaan, mijn kinders! zet u schrap;
Doet, zet ze, oprechte proef van ware ridderschap!
Haar zonen zijn terstond gehoorzaam haren woorde.
Men recht standaarden op, men zet zich in slagoorde:
Men trekt er af en aan; t gedrommel vult de lucht.
De treurige princes loost treurig zucht op zucht,
Aanschouwende dit spel: Ach! spreektze, kuische Minne!
Indien t me paste, als eer een Amazoonsch  heldinnee,
Ik zou met forschen moede, op een schuimbekkend ros,
Navolgen mijnen man, door vlak, door veld, door bosch;
Ik zou, met dezen arm, handhaven zijn banieren,
En geven Holland stof tot vreugd en vreugdevieren!

Zoo klaagt ze, en onder des zon valt de schemerschim;
En Febus drenkt zijn vier beneden onze kim;
t Gedoofde starrelicht begint al meer te flonkeren.
De peinzende vorstin, door naarheid van het donkeren,
Is naar, en tocht na rust. Het drietal haar geleidt.
D een trekt de keursen uit, en de andre t bed bespreidt
Met bloemen, mild van geur, een darde vlijt het kussen;
Maar t vlijen van de pluim en kan geen zorge sussen,
Geen zachtigheid den rouw der minnares verzacht;
Zij luikt geen oog ten slaap, al zwijgt de middernacht,
Al is de naaan geraakt ten halven harer ronde.
Een wichtje, zet ze, geef zich herwaart op dees sponde,
Of t onz gedachten mocht verleyen door zijn praat;
Ik keer mij om end om; ik hoor de dageraad.

Een jongsken, wiens vernuft d opvoeding had vergouden,
t Welk Brongodinnen verr voor Hylas stelen zouden
(Zoo rijk en zoet van taal, dat op zijn tong een bij
Van Hyble of van Hymet, den honigdanw, die zij
Uit thijm gezogen heeft en riekende violen,
Te storten wenscht, en daar een God om zou gaan dolen,
Indien het waar vermist) zich vlijt op t spondegoud,
En met zijn kout en praat de wakende onderhoudt;
Kout, die moer brands verwekt, en geenszins dient tot lesschen:
Hoe Fredrik t elkemaal van Stroom- en Zeegodessen
Belaagd werd en belonkt, wen zijn vermaalde kiel
Door t schuimend meergroen bruist; hetzij zijn dappre ziel
Op vijands bodem dorst ons ruiterbenden mennen
In veldslag; t zij, hij stad of vesting ging berennen;
Of aan den Teems vernieuwt t verbood hem toebetrouwd,
Bij dien, die vierwerf t hoofd omdrukt met kronengoud
Daar hij zich gaat in drang zoo veler zielen mengelen,
En uitsteekt als een God, gevierd van juichende Engelen;
Hoe t amloos Brunswijk door zijn vroomheid werd ontzet,
Hoe hij met moeden hengst ging in de Main te wed,
Of zijn trompetten deed voor Brussels poorten spelen,
En d oorloogsfakkel stak in s Hartogen prieelen,
In spijt van Spinola; die zag, als in een droom,
Den held, die u namaals help opbreken van den Zoom;
Zoom, die gekarmozijnd in t laauwe bloed van d Iber,
Door Bergens vesten bruist, zoo trotsch als ooit de Tiber,
Doen Rome zinken zag den lhoogmoed van Tarquijn;
Zoom, die van Nassaus roem zal eeuwig tuige zijn.
Maar doen de kouter elk op t breedste zou verklaren,
Hare oogen allebe van vaak beschoten waren;
Dus mord hij zachtelijk tot dat ze vaster sliep,
En mt kwam Morfeus daar, dien Cypris derwaart riep,
Om haar gerustigheid, met luisteren in d ooren,
Met minnebeelden, en met droomen nog te storen.

Doen nu verdreven was t saffraanlicht van Auroor,
En dat de vijver van den hove met den gloor
Der zon was overspreid, die op het water beefde
Met stralend spiegelgoud, twelk in t kwikzilver leefde;
Doen schoot de bedgenoot van den Hollaudschen held
Beroerd uit haren droom, omgrijpende als ontsteld,
Gelijk of ze iemand wo met min en jonst omarmen,
En trok een zucht (waarvan zich Venus most erbarmen)
Uit t binnenst harer ziel; hierover met der haast
Cupidos moeder haar kwam vinden al verbaasd:
Mijn dochter! vraagde ze, wat is u overkonen?
Och! antwoordt de vorstin, t zijn suikerzoete droomen
Van mijnen bruidegom. De vaak nam de overhand
Na t waken, als me docht, dat uit mijn ledekant
Een boom wies hemelhoog, gelan met goude oranjen;
Onweder rees er op van Oostenrijk en Spanjen,
Met donder, hagel, wind en bliksemvier vermengd,
Nog bleven schors en vrucht en bladen onverzengd;
De telgen zaten vol met allerhande vogelen,
Die cierden t spruitelgroen met geschakeerde vlogelen,
En sloegen Englegalm met zoet gezwolle keel,
Als de aangelokte den op Orfeus heilge vuil;
t Gehoorode mellekbeest ging onbeschroomd te weide,
En Holland in zijn schaadwe een weeldig leven leidde,
Gelijk liet gulde volk in gulde warelds eeuw.
De prins werd vriendlijk aangekwispeld van den Leeuw.
De Vloeken weken hem en bleeke Razerijen;
Men zag de lucht geveegd van kromgeklaauwd Harpijen,
Geen raadselbreyend Sfinx lede op verslinden toe,
Chimeeren waren voorts het vonkespouwen mo;
Geen Gorgons piepten meer, geen Hydras nijdig bliezen,
Geen Scylla baste meer, de Pythons staakten t biezen;
Elk ingezeten liefde en vreed bad tot zijn wit,
De kruidelezer vond geen doodlijk aconith,
De boter geur en kleur kreeg als oranjevruchten;
Maar dit was aangenaam, geen oorzaak van verzuchten.
Ik sluimerde daarna; wer dochtme, dat ik was
In onzen lusthof, daar ik keurig bloemen las,
En frissche kransen vlocht, en zoete rozenhoeden;
Mt kwam mijnheer op slag, doen wij het minst vermoedden;
Ik, grijpende om end om, dat ik hem kransen mocht,
Vond, dat ik niets omhelsde als dunne en ijdel lucht;
Dies schrikte ik en verschoot, als waar t van doodsche spoken,
En daarmede is mijn slaap en sluimerval gebrokemt.
Doen rechtte ze zich op, en schoot de kleedren aan;
Haar hebben Charites, na plicht, gerak gedaan:
De een rijgt en de ander snoert; een andre vlijt de plooyen;
Deez streelt de pruik, en die den spiegel houdt in t tooyen,
Of t zilveren lampet, twelk zwaar in t houden wordt,
En t zuiver water op haar zuivre handen stort;
Een andre reikt de dwaal. Gekleed, zoo brengt ze weder
Den dag ten ende als voor, met peinzen op en neder.
Nu mijmert ze in den tuin, daar schildpad, Cherubijn,
Dolfijn, en kopre slang braakt levend kristalijn;
Nu, om op t heetste van den dag de zon te mijen,
Wordt ze overschauwd in liude en iepegaalderijen;
Of ondertusschen, als t lang dralen de uren rekt,
Zij in het kabinet t begonnen werk voltrekt,
En aan t borduren valt, om, tegens s liefsten keeren,
Hem met haar eige kunst en handwerk te vereeren,
En bootst, terwijl ze dran op zijde draden hecht,
Met zang de klachten na der slotzwaan van de Vecht.
Door t schilderen met de naalde is niemand Pallas nader
In aardigheid, als dees. D oudgrootvar ende vader
Haars bruigoms krijgen hier onsterfelijken lof.
Geboomte, naar van schaadwe, omcingel t Nassausch hof,
Hetwelk ontzig aanbreng in der aanschouwren oogen.
Geslepe jaspiszuil stut marnorsteen bogen,
Op vloer van Porfyr tren handvlechtende in verband
Twee machtige, door en geheiligd met den mond;
D een, die een wereld voert, is keizer in Germanjen,
En d ander Eduard, stafdrager van Britanjen.
Een goudelakensche rijksmantel, hoog van roem,
Ciert elk gelijkelijk, doch ongelijk van bloem;
Eer, die de nazaat zal doen reeknen overouderen.
t Omhangsel, dat zoo rijk afhangt van Adolfs schouderen,
Belan is met Jupijn, die goddelijk beschrijdt
Den Roomschen adelaar, van waar hij worpt en smijt
Driepunten bliksemstraal, gevat met gramme vingeren,
Op wederspannig volk en spits, welk heeft door t slingeren
Van t zwavelige vier, beneden in den boord;
Daar landschap, in t verschiet, verschrikt den donder hoort,
En blaauwt en flaauwt voor t oog, zoo meesterlijk verdreven
Met naalde, als ooit pinceel eens malers wrocht na t leven.
D Archengel Michal gaat, met gevelde speer,
In s konings mantel fel den fellen draak te keer:
Die met gekeerden nek vergift braakt voor zijn voeten;
Gewiekt, gekamd, geschubt, en kakelbont van sproeten,
Som blaauw, som groen, som geel, langs glibberigen huid.
De vonken vliegen t dier ten barnende oogen uit;
En s Hemels veldheer, die vol moeds dar rusting wraken,
Bralt met een wapenrok van gloeyende scharlaken.
Gevlerkte Cherubin op s ridders boezem lacht;
Infijn en hagelwit veldteeken ciert dees draeht:
t Schijnt, dartele windekens in t Paradijsweb dwarlen,
Van Engelen gezoomd met zuiverlijke parlen,
Besprengd met sprenklen bloeds, geparst met doornekroon
Uit s Heilands hoofdslaap. Gods kampvechter dus ten toon,
Aan zijn ten ruggebeen frisch uitgewosse pennen,
Met heilgen dauw besproeid, is lichtelijk te kennen.
Maar in het naaste perk verneenst men het gcraas
Eens legers, bezig ons te trekken over Maas,
Bij uchtendschemering. Men ziet er ruiters hebben
Den voortocht, andre wer beletten t weldig ebben
Des strooms; terwijle vast het voetvolk de andre zij
Voorttrekkende gewint. Men ziet prins Willem blij
Zijn hoplin groeten, die den waterkant opstijgen,
Vol hoops om Alba nu in t vlakke veld te krijgen.
Nu prangde Amelia de brozen van den vorst
Met sporen, fijn van goud, en uit benaauwde borst
Zij reis aan reis verzuchtte, en kende bij de maanschijn
Den zoon, door ommetrek verbeeld van s vaders aanschijn;
En kust haar naaldwerk dik ; de liefde is doch niet vrij
Van zulke tederheid en zoete afgoderij;
En, sporegespster, noopt haar vlugge min met sporen,
Gelijk Pygmalion, eer nog zijn witte ivoren
Gelijkenis ooit geest gevoelde of aderslag;
Eer hij in t doode beeld iet levends blikken zag
Of voorhoofdkreuken, moitdvertrekken, oogverdraaycu;
Zoo poogt ons minnares haar krank gemoed te paayen,
En vast een zoete wonde in kwijnende adren voedt,
Vermids t pijldragend volk stookt stadig gloed op gloed,
Tot dat haars Heeren komst ten leste werd geboren,
In t rijpste van den oogst, tot Venus oogst beschoren.

Dat nu een Meeremin of Zanggodinne dar
Vermelden, met wat vreugd dees Solmsche morgenstar,
Die eenen tijd lang van haar zon en ziel afdwaalde,
Hem wellekom ontving en vieriglijk onthaalde,
En schepte glans en gloor en leven uit zijn licht.
Van blijdschap zeeg ze, doen ze t vrolijk aangezicht
Bekende in open helm, en dat paar glurende oogen.
Cupidons schoten toe of kwamen aangevlogen:
Dees hem ontgordt t van Oostersteentjes blinkend zwaard;
Die t hellemet aflicht, al siddrende, en vervaard
Voor t bleek Meduzas hoofd, aangrijnende uit t vergulsel,
Voor t morsig slangenhaar, weleer blondverwig hulsel,
Voor t staal met vederbos bezwaaid, geblutst van lood.
Een ander die ontgespt het harnas, deaar de dood
Tot meermaal proef afnam, met kogelen en klingen;
t Welk vele, al zwoegende, aan den wand te pronk ophingen,
Verwonderd om de kunst gedreven in metaal,
Daar Mulciber in wrocht zijn deugd en oorloogspraal.

Hier vindt hij ziel, betrapt van de Aragonsche lagen.
Wat raad, o jonge prins! ik schrik, nog dart gij t wagen,
Nog wordt gij handgemeen, verzeld met Briaut
En Franschen adeldom, en past op steek noch sne,
Daar t ijzer barst en knarst, en schampt van helm en ringkraag,
Na t braken der pistool, en houdt, in die bespringvlaag
Der vijanden, het roer, en loefwaart wel te tij
Dringt dapper in op hen, die leggen in de lij.

Hier zagen z hem, bestuwd van welgebore graven,
Op zijnen moor De Groot, doorwaden Nieuwpoorts haven,
Ascanius gelijk, doen, heet op roof en moord,
Hij met Trojaanschen stoet opsteeg den Tiberboord;
Het ebbend schuim, beroerd, naauw t spieglen wil gedoogen
Van rusting, daar de zon in schittert uit den hoogen.
Het moedig dier met mond en oogen vreeslijk driescht,
En t knabbelt zijn gebit,en t schijnt hundat het briescht.

Ginds draagt de klepper moed op zijn gedragen meester,
Daar stof en rook en smook de lucht beweeft; het vreest er
En siddert er, wat hier omheind is of omtrent;
De Oranjepluim en kam die maken hem bekend.
Zijns vijands heer begint het harte te bezwijken.
Wie zag een lichaam ooit getart van zoo veel pijken
Wie zag ooit jongeling, die min voor grijzen suft?
Maar in de lucht om hoog, daar schilderde t vernuft
De glorie groots en prat; welke in haar hand ten toone
Voor beide legers voert een overwinners krone,
Aanprikkelster ten strijd; en maakt de ridders stout
Uit haren wagen, die stal in de wolken houdt
Met zeven aarnen welke, in parrele gareelen,
Verstrekken tot gespan, wanneer ze vaart uit spelen.
De faam recht voor haar zweeft, en blaast nu fijn, nu grof,
Door zilvere bazuin, wiens klank is enkel lof:
Leef lang, o Nassausch bloed! ik zie den slag gewonnen,
Den Admirant gevan, en Albrecht scharp ontronnen!

Ginds drukt een hopman op de lenden van den vorst
Zijn zwangre karrabijn, de prins op s hopmans borst,
Die bij t veldteeken reede Oranjen houdt gegrepen.
Bax vindt zich tot ontzet van d om end om benepen.
De God des Roervliets doodsch geeft op een naren schreeuw,
Eer hij ontworstelen ziet Hollands fieren leeuw,
Die ginder, zoo zijn volk Borgoensche vanen slopen,
Is nijver bezig met Trivultius te stroopen.
Hier was, o Milanees! uw kracht een ijdle wijk,
Uw Graafschap, rood beschreid, wacht uw gebalsemd lijk.

Ginds, eer nog Titons bruid aanbreekt met purper wangen,
Werd Henrik, Bergsche Graaf, Prins Henderiks gevangen,
Doen Erkelens te spa de deugd en kracht vernam
Van Frederiks petard. Men ziet er rook en vlam
Ten daken uitslaan, al t Limborgsche land zich reppen;
Men hoort er dorp en stad alarm- en brand-klok kleppen.
Zoo onzacht wekt de Wraak de boosheid, als ze slaapt.

Terwijle zich de jeugd aan stuk voor stuk vergaapt,
Nieuwsgierig t lieve paar verzadigde t verlangen;
Zij blijft om zijnen hals, hij aan den haren hangen,
Totdat hen de avondstond ter tafel noodt en zet,
Daar onderlinge kout was t lekkerste banket.
Van werzijds wekten ze, door t liefelijk belonken,
Een goddelijke walmte, en kuische minnevonken,
Dischtoortsen, blaakten der, gecierd met myrteblan.
Dus hief de Minnerei op pijp en snaren aan:

O gij, die zorge draagt voor keizerlijke ranken!
Wie met eerbiedigheid Nassausche telgen danken;
Alstovende Godin, van wezen overschoon!
Die t bruiloftsbedde spreidt van menschen en van Gon;
Wie hemel, aarde, en zee ontziggelijk stag vieren,
En wind en weder dient; wie allerhande dieren
Toejuichen met geschrei en tuigen, dat g er zijt;
Wen lentische loudon uw Godheid bloemen wijdt,
Wanneer t bedauwde kruid komt plotslijk uitgedrongen,
En bronar openbarst met levendige sprongen;
Begeerlijk alle ziel, tzij werwaart dat ge gaat,
Uw spoor volgt, en bekoord uw gangen gade slaat;
Beest, vogel, visch, verzien met borstels, veren, vinnen,
Op berg, op blad, in beek, al woedend leeren minnen,
Getroffen in de borst van uwen prikkelstraal,
Wiens krachten elk vermeldt en groot maakt op zijn taal.
Zoo temt ge wallevisch en groothartige leeuwen,
En rijgt onendelijk der dingen beurtige eeuwen,
En schakelt de eenwighen, vermids gij, zaad en zout
Der wereld! alles teelt, en alles onderhoudt.
Niets mag er zonder u het sterflijk oog behagen.
Geslachten vallen ner met sidderen en tsagen,
Met schoot vol offers, en met harten vol deemoeds,
Voor t hoog outaar van u, o oorzaak alles goeds!
Die Mavors, onder s heers aanhitsende trompetten,
Salpeterbliksemen en donders, ner kunt zetten;
Zet nu een weinig ner het woeden van den krijg,
En geef, dat dezen nacht kartouw en trommel zwijg!
Gij hebt den Wapen god, met overgroot verlangen,
Gegoten in uw schoot, aanminnig dik ontvangen;
Wanneer, omvloeid van u, hem de oude vlam beving,
En hij, al starende, in uw aanschijn weyen ging,
En gierig zijn gezicht verzaden in uwe oogen;
Daar tweelingschutterkens uit kwetsten met hun bogen,
Of stuurden zijn gedacht in het verborgen deel.
Uw wangen bloosden dan als rozen op haar steel,
De lely bloeid hier witst, de schoonheid schoot haar stralen
Op t krachtigste, en hij zag er perlen en koralen,
En tintelend gestarnt, en glans, die schoonder brandt
In vrouwenoogen als in flonkerdiamant.
De tonge d ooren vleid; hij voelde t slaan der aderen,
Die blaauw in wit albast zich spreyen en vergaderen;
Hij rook er amberlucht, en lepte nectardrank,
En, door de zoetighen van zoo veel wellusts, krank,
Omerd in t weeldig bed, bezweek zijn geest na t woelen,
En nuttigde endelijk t zoet prikkelend gevoelen
Van de opperzaligheid, welke uwe mildheid kan
Medeeiln, en geen lid was van uw Godheid wan.
Anchises ging niet min in Zee van welluot wadert,
O dochter van de zee! wanneer, met myrtebladen
Hij overschaduwd, uwe omhelzingen genoot,
En won den Troischen held, beleider van de vloot:
En doenge, kussens zat, u rechtende van de aarde,
Op t kruidig bedde van uw lekkre bruiloft staarde,
Gij deze woorden spelde uit nieuwe bloemen: hier
Zijn weeldig twee tot n gesmolten door het vier.
Geef, geef, Godinne! dees gelieven uwen zegen,
Dat elk zijn werga niet onlieflijker bejegen,
Tot bouwing van dit hoog en ovemoud geslacht,
Waaruit Batavin den nieuwen held verwacht.
Zoo zong de blijde rei, en loech, wen onder t zingen
Verborge vlam bestond door been en merg te dringen;
Gelijk het moederlicht, met heimelijken brand,
Na wintervorst doorkruipt en murruwt tere plant.
Daar stond een oude kop, en klonk van goud en steenea,
Daar keizer Adolf, doen zijn balsemd haar beschenen
Werd van t heilheilig cier, den keizerlijken hoed,
Den eersten drank uit dronk; doen der Keurvorsten stoet
Aanrechtte zijnen disch, en wereldlijk en geestelijk
Met armelijnen praalde, en rood scharlaken feestelijk
Een wonderbare pracht! vrouw Cypris dezen had
Gewijd ten slaapdronk, en vermengd met t zelfde nat,
Daar t brein van Jupiter weleer me was beschonken,
Doen hij Alcemas min zoo diep had ingedronken,
En aan haar winnen ging dat overgodlijk zaad,
Gezield met strjdbre deugd en dwingelandenhaat;
Dien heeft de schoone bruid, tot wellekomst en eere,
Haar bruigom toegebrocht en lang verwachten Heere,
En met der lippen boord den zoom van t goud genaakt,
En reikte t Frederik; die, van haar jonst geraakt,
Dien toefdrank van liefs hand nam niet onaangenamer.
De met tapijt rondom bespannen princekamer,
Daar marmorschorsteen blinkt, de balken zijn verguld,
Had Venus onderdes tot boven toe vervuld
Met ware Godheid; want, s lands veldheer, uit d oorlogen
Wer hofwaart keerend, had zij daatlijk uitgetogen
De zichtbare gedaante, en over t bedde een lucht
Gehangen, mild genoeg, om een gewenschte vrucht
En doorluchtige rank, tot glorie van Nassouwe,
Te wekken uit den schoot der hooggemelde vrouwe.
Het lieve paar, nu lang veroverd door veel gloeds,
Treedt met verlangen naar de zeer gewenschte koets:
De kinderlijke schaar t geleide geeft met toortsen,
En voedt met vlam en rook den brand der minnekoortsen.
Zacht zwanendons, bespreed met geborduurde sprei,
Onthaalt en wellekoomt de vorsten allebei.
k Zoo hier, o Venus t in uw heiligdommen treden,
Hadt gij met vlerken niet van dikke duisterheden
Uw legers overschaauwd , en de ongemete vreugd
Met nachten afgeschut voor de oogen van de jeugd,
Had eerbaarheid dit niet behangen met gordijnen.
Mt dat de dag begon ter venster in te schijnen,
Hij stokebrandjes vond van minnepijlen bluts ,
De polverflesschen leg, na t lozen van veel schuts;
En Cypris uitgediend borst door de tralie benen,
En sommige, op haar streek navolgende verdwenen
Naar Pafos; daar ze een kerk en honderd outers heeft,
Die stadig warm zijn; daar t vol wyrookluchtjes zweeft;
Daar versche krans t gezicht verhoogt met blijde kleuren,
En t hart verkwikt wordt door toeaassemende geuren.
Maar onze milia bleef, van die zalige uur,
Bezwangerd van een vrucht, daar dagelijks natuur
Merkteekenen van gaf totdat men, na het rollen
Der maanden, zoetelijk den boezem zag gezwollen,
Gelijk een korenar van Westewind gelekt,
Of frissche rozenknop, daar zon een ziel in wekt.
De Hemel droeg haar gunst, als schept hij zijn behagen,
Te zegenen de vrucht, in t vrolijk kinderdragen.
Het winterweder was gedwee en handelbaar,
En Boreas getemd, en Zefyr vroeger t jaar
Met laanwen adem wer kwam troetelen en smeken,
En t nieuwe koesterlicht de telgen uit deed breken.
Al t aardrijk zwelt tot kruid; men ziet, door veld en bosch,
Uitpuilen t nieuwe groen, en knoppen, bot, en blos.
De Bloemgodin ging prat op haar kleinoodjen treden.
Violen loken op, bestipt met liefiijkheden.
De rozen trokken aan een roodigheid als bloed,
De tulpen blinkendgoud, jenoffels eenen gloed
Van purper onder sneeuw; weg purper! twelk de borsten
Der koningen bedekt en wereldlijke vorsten;
Uw stacytabberts zijn met greinverwe opgezon,
Mijn bloemen zijn gedoopt in t sap en bloed der Gon.
O Ajax, Hyacinth, Adonissen, Narcissen!
k Wil troon en kerktapijt om uwen luister missen;
Apelles rijk pinceel om deze schilderij;
Mozaische tempelpracht en kunst is doof hierbij.
Beziet eens dat ivoor, die vlammende robijnen,
Dat goud en dien turkois; helaas! ik sla aan t kwijnen,
Ik word er op verliefd; o, wat veldjonffer zal
Mij kronen in een heel aanminnig bloemendal,
Daar t voorjaar, eeuwig jong, van rimpels weet noch kreuken,
En tot zielsterking steeds uitlevert macht van reuken:
Daar ik in laurenschauw vlietwater ruischen hoor,
En we mijn vrij gezicht de mengsels door en door;
Daar Junos paauwepraal of Parthsche konings-gordel,
Bij bloemnerscheidenheid, hebb luttel kans en vordel,
Wen t op een pralen gaat. Komt, Nymfen! breidt een stool
Van bloemen hem, die t licht eerst zag in een viool,
En sedert, kiessche bie, versmande alle andre tuinen,
Op Pindus heuvelen en spikkelige kruinen
Zoog Godenlekkernij och! of na mijne dood
Nap violet, wit, purper, blaauw, en rood,
Levender, incarnaat, en paarsch, en geel schakierden,
En weefden tot een pel, en s dichters uitvaart vierden
Met Floras dierste dracht; maar, zeg me, lieve lent
En zoete, koele Mai! nooit was mijn oog gewend
Zoo vele schats en pracht te zien geopend tevens;
Hoe zijt ge zon vol ziels, vol juichings, en vol levens?
Zij antwoordt: wondert u, wat bloeilust mij ontvonkt?
Aanschouw ze, die daar met haar zwanger lichaam pronkt!
(Mt wees ze de princes in t midden der princessen)
Ik heb om harentwil gaan al mijn macht oppressen
Van geur, van kleur, van lof, op Ericijns gebod,
Die reed haar moeder spelt van eenen jongen God;
Zij zelve voelt hem ook bijwijlen spartelbeenen,
En wenscht het kortelijk, vol groeis, te hooren stenen,
En is vol zalig hope, en, moedig opdat pand,
Merkt somtijds, met het plat van rechte en slinkehand,
Den zetel daar hij rust. Kroondmaagster van Brittanje! (*)
Daar, zet ze, let de prins en glorie van Oranje.
Aldus genaakte d uur, waarinne vrouw Lucijn,
Die voor het kraambed waakt, door prikkelende pijn
En weedom, teeken gaf der korts aanstaande baring;
Waarover datelijk, tot slichting van bezwaring,
Vergaderde t verwante en hooggeboren zaad.
De driemaal negenste en beschore dageraad
In Mei geopend had de Nabather poorte,
Doen Febus en het kind zich spoeiden ter geboorte
(Gebeurt, die mij verrukt; Parnas en Helicon,
Strijkt meyen voor mijn Hoagschc en Vijverbcrgsche zon)!
En zoo hij t glinstrig hoofd, met druppeldauw bepereld,
Ten zeegroen uitsteekt, ziet hij t licht der Kristewereld,
Van keizerlijk, van hoog heilheilig bloed geteeld,
Op wiens glad voorhoofd glans van princelijkheid speelt.
De moeder, de verlost heeft lang de smart vergeten,
Nu zij haar zoon aanschouwt, en dauwt, van vreugd bekreten,
De vochte perlen uit ten biggeltranend oog,
En heft haar hart, vol lofs, tot haren God omhoog:

Wat zal ik best den Heet voor zijn weldaden geven,
Die mij, na tegenspoed, heeft op den troon geheven?
Die mij tot princebruid en princemoeder maakt,
En ter gewenschte tijd mijn vrucht haar banden slaakt?
Wat eischt gij? rijke God! is t ongelsmeer van rammen?
Is t bokkenbloed, of veers, of wyrookreuk, of vlammen?
Uw dienstmaagd is bereid; maar leider zij is schuw,
Zij kent haar onmacht, Heer! al t vee, al t vee is uw,
t Welk langs de omwenteling der berregen gaat dwalen,
Of klavergroen erkaauwt in diep gezonke dalen.
Al t ongediert is uw, dat in zijn holen huilt.
Uw is t gevogelt, dat ziel, buitenbaans vorschuilt,
Of eyeren uitbroedt, en nestelt in de telgen.
Wijde ik u hier van iets, gij mocht u billijk belgen.
Ik zal mij evenwel verstouten, en voor elk
In t openbaar uw lof, met sidderenden kelk,
Verkonden overluid, en uwen roem herhalen,
En mijn beloften, Heer  met dankbaarheid betalen!

Nadat Elizabeth, met Hartoginnenring
En drang omschitterd, in haar purperen schoot ontving
t Met goud bezwachteld, pand; en dat ze, vol vermaken,
Te zamen lonkten op zijn glinsterende kaken,
Gelijk de Najades op t lieve wicht Adoon
(Doen t lag op gles knie, zoo zuiverlijke schoon,
Dat Cypris namaals, van haar duiven voortgetrokken,
Den hemel liet, om hem tot minnen aan te lokken),
Zoo hief ze, Keursvorstin en koninklijke bruid,
Haar stem en handen op, en sprak den zegen uit,
In aller vrouwen r.aam luik op, o vorst der vorsten!
Zuig enkle zaligheid en heil uit zaalge borsten;
Luik op, Hollandsch hart, geteeld van Hollandsch bloedt
Bewaar uw grootvars naam, verstand, en oorloogsmoed,
En de edelmoedigheid uws vaders, jonge Welhem!
Helm uwes vaderlands, aanstaande vrijheids hellem!
Elk even toegedane, elk even lieve zon!
Elk even milde springfontein en nectarbron!
Oranjeboomspruit! schiet uw takken naar de wolken,
Uw wortels afgrondwaart: den vrijgevochten volken
Jon zoete koele schaauw, den hemel bosch en looft
Was tot een pronk, vermast met zege en wapenroof;
Ruk, ruk, Oranje leeuw! met zegenrijke tanden,
Der grooten standaart wer uit s vijands ijzre handen;
Dat het tot vre gedije, en hij verwonnen blijf,
En elk beschaduwd zij met telgen van olijf!

Zij stemden altemaal, met handgeklap en wenschen.
De faam in s Gravenhaag drong door tot alle menschen,
En sloeg de ruime lucht met brommend klokgeluid;
En lokte Melkerbiur en schrander Elsken uit;
Die kwamen in het hof de moeder zalig roemen,
En offerden liet kind goudgeele boterbloemen,
En room, en schapewei, en uchtendversche melk,
En nog een pijpkan, daar, tot wondering van elk,
Een waterlandsche deerne in scheen, met luid geschater,
Te lachen, zoo ze zag een zwarten kop te water
Uitsteken, tusschen twee uitstekende armen, als
Van uit een mellekschuit, hij, over hoofd en hals,
Gesneuveld was in t diep, heel ongereed tot werstand.
De boerman, met een haak, die dreigt hem van den meerkant;
Wiens blaauwe toppershoed waait over t groene veld.
De Spanjaart zingt genade, en looft vast macht van geld.
Oranje loofwerk hangt niet appelen geladen,
En cicrt den hals omhoog met kronkelende bladen.

Nadat het boersche paar, eerst schaamzaam om de pracht,
t Nieuwboren kind, twelk hun uit joffers schoot toelacht,
Met gaven had vereerd, neemt Melleker een hallem,
En zet: dat is u voor! waarop, met zoeten gallem,
Zijn vrijster rustig volgt, en op deez wijze stemt:

Al t onwer is verzacht, de buyen zijn getemd.
Ons dorp zijn adem haalt, de landli zich verblijen;
Prins Willem brengt ons wer te voorschijn de oude tijen.
t Is bruiloft in de we: t is boter tot den bom.
De koe is klaverkiesch; de Hemel druppelt room.
Onz fuiken zijn vol visch, dat merkt men aan t gespartel;
De leeuwerk kwinkeleert; onz kalvers springen dartel.
t Is vrede in onze buurt; geen mensch benijdt een ar.
Men brandmerkt niemand meer voor schelm, voor landverrar
Geen schouten cn beslaan de rijmers meer in boeten;
Deze edele princes kan allen druk verzoeten.
Het wichtje lacht, en zij wordt nimmer lachens mo.
Zoo, kleene zoete knaap t zon, Willem t ga vrij toe,
Verzacht met lach op lach de zorgen uwer moeder,
Terwijl uw vader let te velde, als s lands behoeder.

Ik zie den tijd te moet, dat Willem zal te peerd
Op Spanjaarts rennen aan, met lans, pistool, en zweerd,
En hen nog dier doen staan den moordschoot van zijn grootvar,
Of waken op de grens, beducht of ergens nood waar;
Of boven Lilho slaan zijn schipbrug over t Scheld,
En gaan zijn burggraafschap verovren met geweld.
Zoo, kleene knaap! verzacht de zorgen uwer moeder,
Terwijl uw vader let te velde, als s lands behoeder.

Of wint hij t Hantwerpsch slot hoor list en buitekans,
Dan zal men zien in vier den Haagschen torentrans;
Dan vloeit oranjebier uit Rotterdamsche tonnen,
Dan roept men luider koets: Prins Willem heeft gewonnen!
Dan schatert en dan lacht de pachter in zijn vuist,
Die somtijds al te vrek onz drooge keeltjes kruist
Zoo, kleene knaap! verzacht de zorgen uwer moeder,
Terwijl uw vader let te velde, als s lands behoeder.

Op t vrolijk boerelied uit boezem zonder erg,
Krioelt van pluimgediert de groene Vijverberg;
De lusthofs marmerbron van vrengd scheelt zoete tranen
En t bosch vol harten juicht; het Spui, dat bromt vol zwanen;
De duin van knijnen woelt; de klepper bruischt op stal;
Het speelziek Hollandsch hof vol tiers is, vol geschal.
De dingtaal viert zijn tong, de schrijvershand haar veder
De tabbaart houdt gemak, en t vollek speelt mooi weder.

Niet min en toonde zich de Vijvernimf terstond
Genegen, en kwam opgeborreld uit den grond,
Daar t hofwed wortels laaft van jofferlijke linden,
Met sleep, die zich gereed tot haren dienst laat vinden,
Van beiderleye seks, te weten: Pruikjenat,
Spuitverre, en Lobberig, gehuld niet leliblad,
Loeroogje, Roodelip, Muurweekster, Berekemster,
Zandzifster, Duivekuif, Trekbekje, en Oeverzwemster,
Met ongegorden kleede, en boven navel naakt;
Duik-in, en Stommecldier, die Danschlichts tepels laakt;
Al afgereeht op reye, op spel, op rijm, op vaarsjes;
Altzamen blank van vel, gebroosd met paarsche laarsjes
Ten kuit toe, om de scheen; wier lieve vrijers zijn
Keiraper, Grondelief, Belblazer, Tralie-grijn,
Met hon, van kroost gevormd; Kuilgrmaver, Angeltaker
En Fuikelichter, korts getoenaamd Visscheschaker
Rietplukker, Zegenzelf, en Raakwat, nimmer stil;
Voorts Krijtluid, Liezekop, Kijkuit, en Waterkil,
Altzamen groen van baard, en t onderlijf bevlochten
Met mos en kruid, daar rijp noch winters op vermochten
Zij zelve, zilvren nat uitgietende, uit een kruik
Van glinstrig bergkristal, haar parlesnoerde pruik
Beurde in de bladen, daar t gevogelt tjilpt en snatert
Van de eene schouder hangt een mantel van gewaterd
Blanketblaauw kamelot, der Nereden gift;
En zwenkende t gelaat eens over heel de drift
Der dienstbre Godhen, die met parlemoere lijven
Alreede dartelheid op glazen stroom bedrijven:
t Is, zeid ze al lachend, en niet luttel in haar schik
Nu tijd, dat elk ten dans zijn wederga uitpikk,
En Willems wieg vereer met feestelijke spelen!
Vier Tritons op dat woord, die elk van toon verschelen,
Kinkhorens luyen doen, en blazen schor geluid.
Blaauwoogde juffers fluks gepaard zijn vrijers buit
En na een heuschen kus elk huppelt, wuft van trede
Zij dansen, en hun beeld danst in de baren mede.
De tegenvoetsche en wij malkandren zoo betren,
Met hoofden naar om hoog, met zolen naar benen,
t Gulhartig dansers hart door geile wulpscheid steigert,
Wen t kristalijn ontdekt, tgeen kleeding d oogen weigert.
Nu springt men hand aan hand; nu los, nu rechts, nu slinks,
Nu voor, nu achterwaart: elk treedt wat zonderlings
Zij weten na t geklank de lichamen te mengelen,
T ontwarren, warren wer, t ontknoopen en te strengelen.
Ten lesten afgemat, zoo duiken ze allegar
Gelijklijk grondewaart; tot, met bedruppeld haar,
Elk, op een dollefijn gezeten, opkijkt ijlings
Do Nimfen zitten dwars, de gollef-ridders schrijllings.
Nu steken ze den ring; nu rennen zij om strijd;
Nu is het vechten ernst; nu is t aftrekkens tijd.
De vijver ruischt van schuim; de stomme kudden hijgen;
Geen bloed wordt hier gestort, schoon of ze vinnig krijgen.
De faam, die Holland nu had opgewekt in t rond,
Trompetster, gieren ging, en maakte t Brussel kond,
En, latende achter zich de stroomen en de bosschen,
Zij Frankrijk juichen deed; men hoorde Oranje lossen
Tot zevenmalen toe al t grof en kleen geschut.
Berggoden keken uit, vol twijfels en bedut.
Het gansche Vorstendom dook in oranjespruiten,
De feest werd ingewijd met trommelen en fluiten.
Al t vollek riep: die dag moet eeuwig heilig zijn,
Die Willem eerst bescheen; geen wolk dien zonneschijn
Bedroev; geen damp betrok den glans van zijn geboorte,
En t hof zijn borgeije onthaal moet ope poorte.
De hoovling wijnen pleng; de juffer suiker strooi
En geld; en t feestgewaad vloei nerwaart, rijk van plooi:
En wat Oranje heft dan aan den maagdenrei koom,
En leef Prins Willem, leef! zinge om oranjemeiboom!
Daar rijst een groot gevaart en hemelhooge kerk, (*)
De wereld door geroemd het achtste wonderwerk,
In t vlek Escurial, gelegen weinige uren
Van t koninklijk Madrid; de pracht en praal der muren
Uitheemsche wandelaars als voor het voorhoofd slaat;
t Zij t oog in t meesterstuk van binnen weyen gaat,
Of buiten; d een verheft de stoffe na t bedaren,
End ander looft de kunst en geest der kunstenaren.
Wat schatten t Oosten geeft van parten en gesteont,
Wat rijkdom, jaar op jaar, de Westerkust verleent,
Wat zilver en rood goud, ten mijnen uitgegraven,
Fiiips zijn gouddorst zwelgt, niet spilling veler slaven,
Dat dijdd s hier voedsel toe, tot heugnis van den slag
Waar in de Lelivorst zijn adel sneven zag;
Sint Laurens, om t geloof geroost op heeten rooster,
Hier zijne autaren heeft, en rijk gezegend klooster,
De koning zijn paleis; twelk n ding slechts ontbeert,
Dat namelijk de poort geen zorge buiten keert;
Dees hiel den avondvorst (zoo, met saffraande wieken,
Het morgenrood verrees, en t licht begon te krieken)
Onledig, en verzeld met zijnen myterdrig,
D eertsbisschop van Toleed, des priesterdoms ontzig,
In t eenzaam kabinet; hier drijven op hunne assen
Twee zilvren kloten, die zoo groot een heerscher passen;
Vijf mannen zouden niet, al hielden z hand aan hand,
Omvamen ieder rond; d een is met diamant
Bezaaid en overcierd; twee groote lichten zwieren,
En trekken hunnen kreits door schoon bestarnde dieren.
Dees starre is flienkerlicht, die droef en luisterflaauw
In t Noorden grimt de Beer; in t Zuiden pruilt de paauw;
Orion met zijn zwaard doet de Oppergoden tsagen;
En Hyades bedrukt voorzeggen regenvlagen,
De Midlijn wordt er van den Zodiak gesnen.
Maar op den andren kloot, de groote en kleine zen
Met golven bruisen, die de drift der wolken trotsen,
En t schijnt, als of er wier gekaatst wordt aan de rotsen.
Te zeldzaam is t om zien, hoe d Oceaan omvangt
Den ganschen aardbom, die hier alsins bomloos hangt.
De zee haar zeilen draagt, het aardrijk volk en steden,
Gesplitst door heerschappije en tempelzinlijkheden.
Fillips ernsthaftig hing en overgaapte al stil
Den aardkloot, recht als een, die t al opslokken wil.
D eertsbisschop aan zijn zijde, in overleg niet trager,
Zijn rug had toegekeerd den heldren starredrager.
Het brein, met goud vermast, nu maalde en overdocht,
Dees welken trek het best de vleugel korten mocht
Van Sinte-Mark zijn leeuw die altijd even wakker
Op Hollands wachter oogt, en moedigt zijnen makker.
Nu was hem in den weg in t Zwitsersche gebergt,
Het vrijgevochten volk, dat Habsborgs heeren tergt.
Nu zag hij Parthenoop ontbluot van Castiljanen,
Ligurin ten dienst, en t Ilartogdom Milamieu.
Dan schoot hem in den zin, gedoodverwd in zijn ziel,
Dat overziens de Turk in zijn galeyen viel,
En had iet wichtigs voor op eenig Kristen eiland.
De Toletaan bestorf, bekommerd om s rijks heiland,
En ried hem, dat hij fluks zou stijven, waar hij kon,
Met logens of met geld, den Khan van Babylon:
Of doen Janitser t hart, van vrees getroffen, popelen,
Wen hij den Sofiaan ziet voor Constantinopelen,
Zelf over Bosporus zijn legerbrugge slaan;
Den Perzischen kameel met rijken roof gelan,
En t heer van Mahomet, op Mahomet ontstoken,
Aantrekken, onder schijn van Osmnaus moord te wreken.
Fluks ziet de Koning wer naar Limas stranden om:
Hier dondert Hollandsch schut; daar, dunkt hem, slaat de trom;
Hier rookt een lange streek; daar blikt hem vlam in doogen:
Mt komt de faam op slag , al snorrende, aangevlogen,
Die, ongewijd, zich op gewijden kerktrans zet;
En deze tijding wringt door bochtige trompet
Prins Welhem, eer te Delf door moordenaars pistolen
Geschoten, liet de wraak de vierschaar Gods bevolen,
Die wer een Willem wekt uit Henrik zijnen zoon;
Zwicht, Spaansche koningstaf! zwicht, Duitsche keizerkroon!
Dat was een donderslag in des monarchen ooren.
Hij draait zijn lichten vast, en barst int lest met tooren
Op deze woorden uit: hoe wrokt dit heilloos bloed,
Dat dus veel marrens brouwt, en op ons kusten woedt!
Best gun ik Holland vrede, en zoek den vorst te paayen,
Eer de oorloogstormen hier op t hand bestaan te waayen,
Reaal met Willougby, van Hollander en Brit
Met vloten afgestierd, in onze rijken zitt,
En brande, en blake, en moov, en plonder, en verover.
Wacht na geen beternis, zij maken t langs hoe grover.
Is de oude Graaflijkheid mijn hope en toeverlaat,
Zoo leef ik hopeloos; wij zien, hoe dat hun staat
Van bondgenooten steeds gestut wordt en gesteven.
Door t vorstenkweken zal Oranjen eeuwig leven,
Handhavend Hollands zaak, en staat, en landbestier;
En groeyen onder Mars, gelijk in vlam en vier
De salamander leeft; ik ben tot pais genegen.
De myter neeg hem toe, en gaf den vorst zijn zegen.
Maar zoo prins Frederik, vermoeid van hartejacht,
Diep in den avondstond, lag van den slaap verkracht,
Op ouden Rijnkant, naauw bewaakt van riekend honden;
En dat zijn pagi had s paards teugel vast gebonden
Aan bladerigen wilg, die over t water hing,
Waarin zich bevond lof en maanlicht spieglen ging;
Genaakt hem een Godin, die zedig voor hem bukte:
Eene ope starrekroon het blinkend hoofdaar drukte,
t Welk nedervloeyende, als een vierige komeet,
Den rug ten hielen toe met krunkelgolven kleedt,
En, tusschen t schitteren en schemeren der wieken,
Spreidt geuren, die een lijk opwekken, door t welrieken;
Geur van ambrozievocht slechts Heihighen gemeen.
Hoog hemelsblaauwe keurs dekt voegelijke len,
Bestikt met Hyacinth, welk gansch doorluchtig barrent,
En voorts met diamant tot beelden rijk bestarrend;
Op wien een gordel sluit, die eest na overtreft,
Waar zich, robijnevlam uit gouden grond verheft,
Met levendigen glans; robijn, onvergeleken
In waarde, en opgezocht met moeite langs de keken
Des hemelschcn Olymps; riem, die zelf God Jupijn,
Tot loon van wellust, schonk haar moeder Mnemosijn.
De slinke een passer voerde, haar rechte een gulde roede:
O, alderbraafste prins van keizerlijken bloede!
(Zoo sprak zij, en hiel stal) ik ben Urania,
Die t eeuwig binkend hof vol starren gadesla.
Ik wichel niet alleen t beloop van s Vorsten leven
Door starrekund, maar ook, door inspraaks geest gedreven,
Ontvouw t geen donker nog dan mensch verborgen is,
En draag de sleutelreeks van Gods geheimenis:
Dies tsaag niet; k heb gemerkt, hoe de opperlampen wemelen,
En de gesteltenis en kreitsen aller hemelen,
Mt dat uw gemalin verloste van haar vrucht;
Een Meische zon, die t hoofd keurde in de Meische lucht,
Doen Titan met zijn torts den droeven nacht beschaamde,
En voor zich rijzen zag de plaats, daar hij verzaamde
Zoo onlangs met Diaan; hem vollegde Ericijn,
Mercuur daarop, om heer van des geboort te zijn;
Latonas dochter trad den roedrig op zijn hielen,
t Geluk, steeds aangeben van sterfelijke zielen,
In het horoscopus deez hemelstacy sloot,
Waarover Jupiter zijn zoete stralen schoot
Uit Cypris elpentroon: Ik koom van d hoogste plekken,
O vader t zeid hij, u het lot uws zoons ontdekken!
God, God is t, die me raakt, daar is hij! Toen vernam
De vorst haar hoofd, omringd van duizendtongde vlam;
Het aanzicht zij verschiep in verwen heel verscheyen,
En t hoofd geschud, begon zich t hangend haar te spreyen,
Gelijk een bruisend meer, en hijgende zij dol
Sibylle in t won geleek; behalven dat in t hol
Deze een Trojaan berichtte, en die, in open velde,
Aan onzen Batavier prins Willems noodlot spelde;
En met bezeten mond bezweet aan t won gebracht,
Zij grooter scheen, en van Gods mogendheid verkracht.
Bedaard ten lesten, schudt z haar krop uit met dees woorden:
k Zie Willem daar, in t spits der Hollandsche slagoorden,
Aangrijpen t Westersch heer van Flippes ; k hoor hem re
Verwinner getrompet te lande en ook ter zee.
k Zie Willem keeren van Castiljens nederlagen,
En zitten gehouden in God Augustus wagen,
En latende achter zich den Taag, die schuimt van bloed,
Sleept groote Donnen na, in ketens afgewoed.
De nieuwe wereld juicht, en zwarte en geele Mooren,
Dat Willem endelijk verlosser is beschoren,
Tot wraak der schimmen, die de goudzucht heeft verdelgd;
Dat Willem dien, die heeft den aardbom ingezwelgd,
Uit overladen maag doet schepterstaven braken.
Ik hoor der dichtren rei, in allerhande spraken,
Bazuinen zijn verstand, zijn gaven, zijne dan,
Zijn huwelijken en verbonden, aangegaan
Niet keizers, koningen, zijn broeders en zijn magen,
Gewend, hoofdheilig cier en purperverw te dragen.
Zijn bloed, de Keurvorst, roemt hem aan den Neckerstroom,
En Rijnsche muscadel huwt aan Oranjeboom.
Hem roemt Britanjens pronk, in t midden vast haar zonen,
Gewijd met haarband, wrong, en rijk geslote kronen,
En al t Nassousch geslacht, twelk, heerelijk en prat,
Meer gloors heeft onder hem, als t onder Adolf had.
Hem vieren zon veel sten met neiging harer toornen,
En Indus buigt voor hem zijne altijd vochtig hoornen;
De Muldau desgelijks, de Donau, en de Rijn.
Mevrouw milia, die naauw den wederschijn
Van haar vergoden zoon in sterflijk oog kan doogen,
Zit, tweede Olympias, met zinnen opgetogen,
Van de aangedronge schaar gesmeekt en aangeben,
En moeder maakt uit jonst haar voorspraak elk gemeen.
Uit had zij, en verdween. Wie komt mijn geest verwarren?
(Zoo volgd haars Vorsten stem) die nooit aan wiehelstarren
Zich ijdelijk vergaapte, in voorspoed of in druk;
Maar van den waren God mijn heil hoop en geluk,
Gelijk t een Kristen voegt! Met was zijn rust ten ende,
En, opgezeten, t ros veel peinzend hofwaart wendde.

Terwijl was s Gravenhaag in strijd geraakt met Delf:
Elk zocht den meesten roem te schaken voor zich zelf;
D een kwam de pallemtak, die was de glorie nader;
D een moedig op den zoon, en d ander op den vader;
D een stofte op t Vorstenhof, en die op t Princegraf.
Elk was de zaalge schoot, die princen t leven gaf.
Nadat men vinnig had van wederzijds gekeven,
Werd endelijk t geding aan s veldheers mond verbleven,
Die uitspraak dede aldus: mijn landsli t hoort na mij,
Oprechte Delvenaars en Haagsche borgerij!
Mijn naam is Vrederijk, dies schep ik geen behagen
In borgerlijken twist, innam Knistelijk verdragen.
Indien mijn dood u be komt strekken tot geluk,
Ik sneed mijn hart in twee, en deelde u elk een stuk.
Wilt mijnenthalven dan malkanderen omarmen,
Als broeders, vrij van nijd; ik zal u be bescharmen.
Ik zal uw vader zijn, in oorlog en in vre,
En erf ik zegen Gods , gij erft mijn zegen mee.

Zoo sprak hij, en elk een zich gaarne liet gezeggen,
De zee werd, stil en kalm, en ging haar baren leggen.
Ik endigde mijn lied; t gedij tot Welhelms prijs,
En u tot eeuwige eer, Hollandsch paradijs!
Lukzaalge vorstenwieg! t zij u te dank gezongen,
Wiens naam klinkt overwijd op zoo veel duizend tongen
Roemt Delos op Apol, stoft Creten op Jupijn,
Gij, s Gravenhage t zult op Willem moedig zijn;
Gij zult uw vosterling met eedle borsten koesteren,
Hij, goedertieren God, zijn voster wer zal vosteren;
Zoo zal zijn moeder ook, Vorst Fredeniks gemaal,
Die t harte van dien held kan kneden met haar taal,
Steenrotsen murwen, doen bedaren muisschende elzen,
En wie t gebeurt, twee Gon te kussen en t omhelzen,
Met geurig rond koraal en wit gezield albast;
Gelijk t een Vorstenbruid en Princemoeder past.

VIRGILIUS:

Nec puer Iliaca quisquam de gente Latinos
In tantum spe tollet avos, nec Romula quondam
Ullo se tantum tellus jactabit alumno.

d. i.

Geen knaap uit Trooischen stamme en Frygische afkomst gaf
Aan zijn Latijnsch geslacht die hoop van triomfeeren,
Noch Romulus landouw zal nimmer dus braveeren
Op eenig vosterkind. 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001