Joost van den Vondel (1587-1679)

UITVAERT VAN MIJN DOCHTERKEN.

A. 1626?

De felle Doot, die nu geen wit magh zien,
Verschoont de grijze lin.
Zij zit omhoogh, en mickt met haren schicht
Op het onnozel wicht,
En lacht, wanneer, in t scheien,
De droeve moeders schreien.
Zij zagh er een, dat wutt en onbestuurt,
De vreught was van de buurt,
En, vlugh te voet, in t slingertouwtje sprong;
Of zoet Fiane zong
En hup pelde, in het reitje
Om t lieve lodderait je:
Of dreef, gevolght van eenen wackren troep,
Den rinckeenden hoep
De straten door: of schaterde op een schop:
Of speelde met de pop,
Het voorspel van de dagen,
Die deerste vreught verjagen.
Of onderhiel, met bickel en boncket
De kinderlijcke wet,
En rolde en greep, op t springend elpenbeen
De beentjes van den steen;
En had dat zoete leven
Om geldt noch goet gegeven:
Maar wat gebeurt? terwijl het zich vermaackt
Zoo wort het hart geraackt,
(Dat speelzeck hart) van eenen scharpen flits,
Te dootlick en te bits
De Doot quam op de lip pen
En t zieltje zeil ging glip pen
Toen stont helaas! de jammerende schaar Met tranen om de baar,
En kermde noch op t ljck van haar gespeel, En wenschte lot en deel
Te hebben met haar kaartje,
En doot te zijn als Saertje
De speelnoot vlocht (toen t anders niet moght zijn)
Een krans van roosmarijn
Ter liefde van keur beste kameraat
O krancke troost! wat baat
De groene en goude loover?
Die staatsi gaat haast over.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001