Joost van den Vondel (1587-1679)

TOT TOL VAN ZIJNE MAJESTEIT VAN ZWEDEN,

BETAALD TE GOTTENBURG

AAN DEN HEER

JACOB VAN DIJK.

A. 1628

Oud Room heeft barensnood en hartewee gebeden,
Doen t, overrompeld aan der Gotten overtocht,
Eens smaakte t geen het schonk dien, die het overmocht,
En zag in vier en bloed d Italiaansche steden.

Nieuw Rome, in arbeid, hoort de barsche wapens smeden,
Waarme de nerlaag wer des Tibers wordt gezocht,
Door eenen Kristen Mars, aan s Hemels eed verknocht,
Geboren in den schoot van t ijzren Rijk van Zweden.

Des bliksemt met de kling, en dondert met pistool,
En trappelt met zijn hoef, op t harte van den Pool,
Op d Oostenrijkers heup; t is tijd dat Remus schrome,

Want, deze be gesloopt, zou geeft hij t woeden bot,
En voort zijn noodlot uit, en schrijft zich als een God:
Gustaaf, de tweede Augnst, en heerscher binnen Rome.

Te Gottenburg.



Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001