Joost van den Vondel (1587-1679)

DE RIJNSTROOM,

AAN JOHAN WOLFART, HEER TE BEDERODE,VRIJHEER TE VIANEN.

Aļ. 1629?
Doorluchte Rijn, mijn zoete droom
Vanwaar zal ik u lof toezingen?
Mijn trekkende geboortestroom,
Gij koomt uit Zwitsersche Alpen springen,
Als hoofd-a‚r der begaafde Euroop;
De Donau, uw afkeerig broeder,
Nam Oostwaart op zijn snellen hoop,
Gij Noordwaart, toen een zelve moeder,
Begort van regen, ijs, en sneeuw,
U baarde voor zoo menige eeuw.

Germanje lag nog wild begroeid
Van zijn Hircijnsche wilde wouden,
Tot dat het namaals wierd besnoeid,
En door de tucht in toom gehouden.
Ten leste dorst gij, strijdbre Rijn!
Den Tiber op zijn feest bestoken;
Die voor u noog, toen Constantijn,
Van uwen oever opgebroken,
Ging strijken met den ouden roof
Van Rome en ít Heidensch bijgeloof.

Gij naamt het juk van Kristus aan,
Men hoorde uw vrolijke oevers schateren,
En scheent de heilige Jordaan
Te tarten met gedoopte wateren.
Het Kristen kruis viel uwen rug
Zoo zwaar niet, als weleer te dragen
Den last van Cesars legerbrug,
En Drusus, dien dede klagen
Om vijftig sloten zwaar van steen,
Gebouwd langs uwe kanten heen.

Maar uw geloovig Kristendom
Beproefd word, als het goud in dí oven,
Toen Attilaís verwoede trom
ít Geruisch uws waters kwam verdooven,
En verfde met onnoozel bloed
En damde uw kil met kuische dooden,
En trapte, met een dronken voet,
Op woeste steden, leÍg gevloden,
Of brandde uw haar af met zijn toorts,
Beklad en druipend van veel moords.

Gij schreide met een heesche keel
Den Hemel aan, om troost verlegen;
Die zond u Karel, ít Rijksjuweel,
Dees kon dí onveilige oevers vegen
Van onduitsch en baldadig schuim,
Gelijk uw Constantijn voorhenen.
Toen kreegt gij uwe randen ruim,
En zamelde uw verstrooide steenen,
En zaagt dien held vol Godesvrucht
Zijn lusthof planten in uw lucht.

O onvermoeide molenaar,
O stedebouwer, schepedrager,
O rijksgrens, schermheer in gevaar,
Wijnschenker, veerman, oeverknager,
Papieremaker! schaf papier,
Daar ik uw glorie op mag schrijven;
Uw water dat ontvonkt mijn vier,
Mijn zinnen in uw wedde drijven
En spelen, als een dartle zwaan,
Verlekkerd op uw wingedlbla‚n.

Gij schijnt een aardsche regenboog,
Gekleed met levendige kleuren,
En tact den hemelschen omhoog,
Die hierom nijdig schijnt te treuren.
De blaauwe en purpre en witte druif
Verciert uw stedekroon en lokken,
En muscadelle wingerdkuif;
De vlieten staan met wingerdstokken
Rondom u, druipende van ít nat,
En offren elk hun watervat.

Daar is de Mein, een pijnbergs zoon,
De Moezel met haar appelvlechten,
De Maas, die met een myterkroon
Om dí eer niet onzen Rijn wil vechten,
De Roer, die ít haar met riet vertuit
De Neckar, met een riem van trossen,
De Lippí, gelost met mos en kruid
Van overhangende eikebosschen,
En duizend andren, min van roem,
Bekranst met loof en korenbloem.

Gij strekt de voeten aan ít gebergt,
Daar zich de Zwitsers in bescharmen,
Wanneer men hen ons oorloog vergt;
Gij grijpt de Noordzee moet uw armen,
Waarin het heldeneiland leÓt,
Daar Bato zich ter nederzette,
En dat, zon schuw van dienstbaarheid,
Uitheemsche bekkeneelen plette,
En deÍ gevoelen, dat de Rijn
Geschapen was om vrij te zijn!

Gij slingert, als de Grieksche slang,
Uw blaauwe krullen om de struiken,
En groene bergen breed en lang,
En zwellegt in zoo vele kruiken
Van stroomen, dat uw lichaam zwelt
Van waterzucht, en parst de planten,
En schuurt zoo menig vruchtbaar veld,
En knabbelt aan de ruige kanten,
Nu tusschen berg en krommen bult,
Nu door een dal, met wijn gevuld.

Al is uw eene keel verzand,
Die ít huis te Britten plag te schaven
Dat nu verdronken leÓt op strand;
De Lek en lJsel doorgegraven
Vergelden dubbel deze sch‚,
En leiden u, met hooge dijken,
In zee, opdat uw ongen‚
De vlakke beemden niet koomí strijken
Met macht van regen, en geweld
Van sneeuw, dat in de zonne smelt.

De heldre en starrelichte vliet,
Die door den Hemel vloeit hij duister, (*)
Is dí Italiaansche Padus niet,
Noch ook de Nijl, Egyptens luister;
Neen zeker, ít is do rijke Rijn,
Wiens visschen, met een wuft gewemel,
In ít onbevlekte kristalijn
Van eenen onbetrokken Hemel,
Met zilvre schubben zilverklaar,
Als starren dolen, hier en daar.

O zuivre en blanke Rijnmeermin,
Die mij tot stervens toe kunt kittelen,
Gij helpt veel zielen aan gewin,
En menig Graaf aan eeretittelen,
En landen aan een bogen naam.
Hoe menig heeft u overtogen,
En met uw rand bepaald zijn faam!
Hoe dikwijls zaagt gij, met uw oogen,
Het hooggeboren Hollandsch bloed,
En voelde in ít water zijnen gloed!

Het zij ik dan mijn oogen sla
Op uw bisschoppelijke torens,
Of met een lent van vaarzen ga
Bevlechten uwe zilvre horens,
Of volg uw wuften ommezwaai,
Of zing op ít ruisschen van uw baren,
Of huppel , mijn Keulsche kaai,
Of koom door Bazel afgevaren,
Daar gij Erasmusí grafsteÍ kust,
En wenscht het wijs gebeente rust;

Het zij gij ís Keizers vierschaar schaaft
Te Spier, dat zwart van pleiters grimmelt,
Daar Themis grijs en afgeslaafd
Bekommerd zit, en ít pleit beschimmelt
Het zij gij brult in ít Bingem loch,
Of NeÍrland drenkt met volle vaten,
En groeyen doet van wingerdzog,
En ijdle en zotte zorgen baten,
Uw vocht bestelt mijn veder inkt,
Tot dat ze in zee met u verdrinkt.

Maar, och! ik schrei mijn oogen uit,
En zal nog in een vliet verkeeren,
Omdat er zulk een Hydra spruit
Uit kerkgeschil en haat van Heeren;
Een helsche Hydra vol vergift,
Die ís Rijns gezonde en zoete boorden
Vergiftigt, en gansch Duitschland schift,
En groeit in onverzoenbre moorden; ó
Een lang gewenscht Verlosser vaagí
Het Rijk vanís Rijks vervloekte plaag!

Hoe moedig zal de Rijnsche Lek
Al schuismend bruisen langs Vianen,
Wen Wolfart, wachter van ons hek
En dí eere der Nassausche vanen,
Een jongen zoon geboren wordt, (*)
In wiens gemoed de goude zeden
Der overoudren zijn gestort,
En ís vaders strenge dapperheden;
Een telg, die weder bloeyen doe
Den grijzen staan van BrederoÍ!

De Rijnsche Lek die teÍre rank
Daarna met zachter tong zal lekken,
En vrolijk wiegen zonder dwaugk,
Om met haar schaduw te bedekken
De moeder, die nu, niet een schaar
Van schoone dochtren, dezen zegen
Verbeidt, en wenscht om ít blijde jaar,
Gelijk een rozengaard om regen.
De Hemel bouw dien vruchtbren hof,
En hellep mij aan wiegestof! ó


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001