Joost van den Vondel (1587-1679)

OLYFTACK AAN GVSTAAF ADOLF

A. 1632

Om sijne Majesteit te bewegen datse Keulen, mijn geboortestadt, verschoone.

t Wild vogelkijn dat singht, daar t onbeknipt is:
      Al dope lucht is mijn;
      Noch steent het, om te sijn
By t lieve nestje, daar het uitgeknipt is.
Ick meed: hoewel mijn blyde geest vaart speulen,
      Daar draaiboom sluit nocht heck;
      Een heimelicke treck
Verleit het hart naar mijn geboortstad Keulen.
Daar heb ick eerst om honigh uitgevlogen,
      Ontrent den blonden Rijn
      Beplant met Risnschen wijn;
En als een bie violendau gesogen.
Vit dit geboortsogh word mijn sorgh geboren,
      Nu t Schweedsche vaandel vlieght
      Daar ick ben opgewieght:
Nu t grof geschut vast dondert in mijn ooren.
Hoe wensch ik, als een Rijnswaan, Mars tontmoeten,
      En met de borst in stroom,
      Aldus door sang sijn toom
Te temmen, langs het stof van paardevoeten!
De sware smack van Tyrus trotse muuren
      De zidderen in t rond
      Den Asiaanschen grond,
En schreeuwde, dat er niets gemaackt is om te duuren.
t Verslegen Sion laat sijn schilden hangen.
      Het heiligh Priesterdom
      Sich statigh toereed, om
Den dappren triomfeerder wel t ontfangen.
Hy naackt in t end: Iaddus treed hem tegen,
      Met Godgewijde pracht,
      Van t Kerckelijck geslacht,
Om den gesteurden veldheer te bewegen.
De jonge krijgsheld blijft verwondert staren
      Op t priesterlick gewaad;
      En t goddelijck ieraad
Sijn bittre wraack verweldight tot bedaren.
Hy leest Iehovaas dieren naam gesneden
      In t voorhoofd, op den hoed.
      Hy siet der steenen gloed,
Den glans van goud en purpere offerkleeden.
Ootmoedigh stijght hy van den hoogen paarde.
      En eert den priester Gods,
      En Salems tempelrots,
Met neigend hoofd en afgeleiden swaarde.
Hierusalem, bekleed met groene meyen,
      Hem feestelijck begroet;
      Terwijl hy met sijn stoet
Op Davids burgh sich vreedsam laat geleyen.
So vreedsaam wensch ick dat met fluit en cyter
      Mijn Rijcksstad u onthaal,
      Met geestelicke praal,
En Roomschen bisschops staf, en witten myter:
Dat sy niet swijm voor uwen stander;
      Maar hour haar verwe braaf,
      En groet u, Gustaaf,
Als een van God gedreven Alexander.
Ghy sult haar grijsen ouderdom verschoonen,
      Wanneer sy heusch en mild
      V toont den wapenschild,
Het bloedigh veld, gewijd met goude kroonen.
Dat s deeuwige eer der Perssiaansche Wijsen,
      Die met geschenk en stem,
      In t nedrigh Bethlehem,
Den grootsten koning offeren en prijsen.
Dat s t jammerteecken, dat haar oude straten
      Gedoopt zijn so verwoed
      In t kuische maaghdenbloed,
Vergoten van Barbarische soldaten.
Ghy sult, als eertijds Francksche en Hunsche rotten
      En woedende Attyla,
      Niet sluiten uw gena;
Maar harten winnen door bedaarde Gotten.
So word aldus uw zege niet besproken
      Van s dichters scharpen stijl:
      Hier heeft de Gotsche bijl
Den Agrippijnsche arbeid afgebroken.
So seeftge boven Alexanders vlercken,
      die Pindars wooning stut;
      Daar mijn gesang beschut
Een stad vol volcks, vol kloosters, en vol kercken.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001