Joost van den VondelĖ (1587-1679)

VERTROOSTINGE AAN GEERAERDT VOSSIUS

Kanonik te Kantelberg, over zijn zoon. Dionys.

Wat treurt ghij, hooghgeleerde Vos,
En fronst het voorhoofd van verdriet
Benij uw soon den hemel niet.
De hemel treckt, ay, laet hem los.

Ay, slaack dees ijdele tranen wat,
En offer, wel getroost en blij,
Den aller besten vader vrij
Het puick van uwen aertschen schat.

Men klaaght, indien de kiele strandt,
Maar niet, wanneerse rijck gelaÍn,
Uit den verbolgen Oceaan,
In een behoude haven landt.

Men klaaght, indien de balsem stort,
Om ít spitten van den dieren reuck:
Maar niet, soo ít glas bekomt en breuck;
Als ít edel nat geborgen wordt.

Hij schut ver geefs sich selven moe,
Wie schutten wil den starcken vliet,
Die van de steile rotse schiet,
Naar haren ruimen boesem toe.

Soo draait de wereldkloot; het sij
De vader ít liefste kindt beweent:
Of ít kindt op vaders lichaam steent:
De doodt slaat huis noch deur voorbij.

De doodt die spaart noch soete jeught,
Noch gemelicken ouderdom
Sy maackt den mont des reedners stom:
En siet geleertheit aan noch deught.

Geluckigh is een vast gemoedt,
Dat is geen blijde weelde smilt,
En stuit, gelijck een taeie schudt,
Den. onvermijdbren tegenspoedt.

Kantelberg: Canterbury, Zuidoost Engeland.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001