Joost van den Vondel (1587-1679)

Danckdicht aen Jacob Baeck, Rechtsgeleerde.

Aļ. 1634?

Voor zijne schoone appelen my met een gedicht gezonden.

Geleerde en heusche Jongeling
Met Uwen appelkorref ging
Mijn hart op, door het groot genoegen
Aan Uw met rym bestroide vrucht
Getuige van díoprechte zucht,
Die oit de Baecken tot my droegen.

Ghy geeft my weder nieuwe stof.
Om boven Hespers gouden hof
Uw vaders boom gaard te waardeeren;
Waar in mijn ziel zoo menighmaal
Geprickt wiert van een heldren straal,
Om uit de borst te quinckeleeren.

Zoo veelerley genoten goet
Verplicht mijn overtuight gemoet
Uw weder danckbaar te gemoeten,
En met een schaamroot maatgedicht
En neergeslagen aan gesicht
Voor alle weldaen te begroeten.

Uw hofsteÍ strekt een Helikon:
Uw klaare Beeck een Hengstebron,
Tot laafnis van mijn dorstige ader;
Het zy ick mijní Duitsche wijs
Het huis vol schrander kind ren prijs,
Of hunne moeder of den vader.

Mijn geest, benevelt en verwart,
Vont tíelckens daar een open hart,
Mij noodigende, om toe te tasten
Naar hofbancket en lecker ooft,
En wat de boom gaart meer belooft
Zijn altijt wellekome gasten.

Toen ick vervloeckte waarheit sprack
Verstreckte my uw vaders dack
Een toevlught, als selfs magen weken
En deisden, morrende en verstoort,
En weigerden ter noot een woort
Voor mijn onnozelheid te spreken.

Uw broeder schaft my dickwijls kost
Van Huigens, of den Muider Drost,
En blaackt, gelijck zijn gemalinne
In liefde tot de PoŽzy,
En zuight haar zuivre borst, en ghy
Laagt jonck en teÍr by haar te minne.

Ghy waart mijn broeders reis gezel,
En zaaght de wereld en haar spel,
En holpt hem hooge bergen banen,
En vond Urbaan in ít gulden jaar,
En naamt de grijze alloudheit waar,
En leerde spreecken met Tuskanen.

Uw brein ontwart ít verwarde Recht,
En strijckt krackeelen vlack en slecht,
En heeft de heelzame artsenyen
Doorkropen, niet ter loop noch los;
Oock hangt het aan den mont van Vos,
En smeet een reex van díoude tyen.

Uw aangename tonge sluipt
Den maaghdeboezem in, en druipt,
Van honingh en bevallickheden,
Ghy schift het wijze van het dwaas,
Wanneerge, met den wijzen Haas
Door gras en bloemen heen gaat treden.

Maar schuwende der steden smet,
Verschalcktge nu met strick en net,
Een vette snip, of slechte lijster;
Terwijl Uw zuster liet jes zingt,
Daník wou ghy beide uw zinnen hingt
Aan eenen vryer of een vrijster.

Zoo mogh ick voor u henegaan,
En stroyen, ít pat met roozeblaÍn
En maaghdepalm, en lauwerieren.
Mijn opgeweckt vernuft, ick wedt
Zou dan uw weeligh bruiloftbedt
Met puick van PoŽzy vercieren.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001