Joost van den Vondel (1587-1679)

LYCKKLACHT AAN HET VROUWENKOOR,

OVER HET VERLIES VAN MIJN EGA

Aº. 1635

O Heiligh Koor, dat van den mijnen’
   ’t Vergaen en onvergaen gebeent
   Bewaert, en sachte rust verleent,
Tot dat de son vergeet te schijnen;

Nu groeit ’t getal van uwe lijcken
   Door een, dat meest mijn geest bedroeft,
   En met de lijckschroef’t harte schroeft,
Die voor geen jammerklaght sal wijcken.

Nu parst uw harde serck het kermen
   En traenen uit het hart en oogh,
   Om mijn Kreüse, die om hoogh
Gevaren, smolt in bey mijn armen:

Terwijl ick t’ Aquileia streefde
   Met Constantijn, den grooten held,
   Door swaarden, op de keel gestelt,
Door vlam, die naer de starren sweefde.

Ick wenschte noch om eenigh teecken
   Van haar, die als een schim verdween;
   Wanneerse my troosten scheen,
En in den droom dus toe te spreecken:

Mijn lieve bedgenoot, dees saacken
   Gebeuren geenssins sonder Godt.
   Vernoegh met uw getrocken lot,
En wil uw heldenwerck niet staacken.

Dat ramp noch druck uw dagen korten,
   Voor dat ghy siet, naar uwen wensch,
   Den vlughtigen tyran Maxens
Bestorven in de Tiber storten.

Dan sla uw siel ten hemel draven,
   Wanneer het triomfeerend hoofd
   ’t Gewijde swaard, aen God verlooft,
Ontgord, op der Apostelen graven.

Bestel mijn sterflijck deel ter aerde,
   In ’t Koor der segenrijcke Maeghd,
   Daar sulck een schaar den naam af draagt,
En die mijn naam oock gaf zijn waarde.

’k Verhuis, van ’t aardsche juck ontslagen,
   Om hoogh, in ’t hemelsche gebouw.
   Besorgh de panden van ons trouw,
Twee kinders, die ick heb gedragen.

Soo spreeckend weeck sy uit dit leven.
   Marie al laat ghy my alleen,
   Vw vriendschap, uw gedienstighheên
Staan eeuwigh in mijn hart geschreven.

Hoe veer dees voeten moghten dwalen,
   ’k Sal derwaart mijn bedruckt gesicht
   Noch slaan, daar voor het rijsend licht
Vw bleecke star ging onderdalen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001