Joost van den Vondel (1587-1679)

In ít Boek der Blijde Inkomste (*)

VAN

MARIA DE MEDICIS,

Aļ. 1638
KONINGINNE VAN FRANKRIJK, TOT AMSTERDAM, GESCHREVEN DOOR C. VAN BAERLE,   ZIJN DOOR J. VAN VONDEL DE VOLGENDE VERZEN UIT HET LATIJN IN NEDERDUITSCH VERTAALD.

Op de Koninginne en de Stad.

HARE MAJESTEIT

Ontving van Thetis groote heeren
Tot zwagers, die de zee regeeren.

DE STAD IS

Allengskens van een lage vest
En kleen gebied dus hoog gewassen,
Zoodat ze nu des hemels assen
Bereiken kan, en Oost en West.

DE KONINGIN IS

Moedig op de GoŰn, haar zonen,
Al versierd met koningskronen,
Die te zij oer tijd om hoog
Zuilen cieren ís Hemels boog.

DE STAD

Komt billijk lof en dank, om haar lieftalige aard,
Omdat de vreemden daar, als in hun land, verkeeren,
Omdat wij wijd en zijd ons geven op de vaart,
En tot in dí ijszee toe in ít Noorden gaan laveeren,
Ontdekken onbeschroomd de veergelege landen,
Ons eertijds tot een schrik; dat wij den dorst verslaan
Met bruisenden Oront en schuimenden Rodaan,
En zijn, gelijk ťťn volk, verknocht door eendrachts banden.

OP DE VERTOONING DES HUWELIJKS VAN HENRIK DE IV, EN MARIA DE MEDICIS.

Hier trouwt ít Hetrurisch bloed de hand, die ít lemmer past,
En ít stijgt door huwelijk opís werelds hoogste toppen,
En Henrik aan haar zijde, al blank geharrenast,
Verwacht uit haren schoot gekroonde kotningskoppen.
Al zie, ít is Herkules, ít is Pallas, die hier staat:
Hij stut met dapperheid de rijken, Zij met raad.

OP DE VERTOONINGE VAN BERECYNTHIA.  L∆TA DEŘM PARTV (BLIJDE MOEDER VAN DE GODEN).

Als eertijds Berecynth, zou wijd befaamd door ít baren
Van zou veel Goden, reed door Frygiaansche steÍn;
Koom zou, ter goeder uur, gezegend ingevaren
De poort van Amsterdam, tot blijdschap van ít gemeen,
O groots Koningin! sla over al uw oogen:
Mijn kerken, mijn gebouw en torens, trotsch van stand,
Mijn havens dicht bezet, getuigen mijn vermogen.
Ik zwerf den aardboŰm om, te water en te land,
De beide werelden mij haar schenkagiŽn stieren,
En dí oude en nieuwe wordt hier op haar prijs gesteld.
Uw grootva‚r schonk mij eer, om mijnen schild te cieren,
Zijn keizerlijk kroon; nu wensch ik ít hoog gemeld
Geschenk met dankbaarheid zijn nichte te vergelden;
Te toonen, dat zijn deugd nog in mijn harte staat.
Zoo stond ik in de gunst van dezen held der helden,
Uw man; zou komt uw zoon mij jaarlijks noch te baat.
Na dien gij nu (dat ít meer) zelf Goden hebt gedragen,
Vergeef me, indien ik poog hun moeder te behagen.

OP HET OOSTINDISCH HUIS.

Fortuin trok over zee, en ging na ít Oosten bruisen,
En hiel in IndiŽn ten lange laste stand;
Daar was zij wellekoom in der Molukken huizen,
Bij Memnons koningen, verbonden hand aan hand.
De dageraad ontsloot zijn kamers voor ons kielen,
Daar werden Hollanders van Mooren wel onthaald;
ít Was niet genoeg, dat zij in NeÍrland ít veld behielen,
Zij zeilden ít aardrijk om, zou wijd de zonne straalt,
Vermaakt, omdat de zon getuigde van hun daden,
Zoo verre en zoo uitheemsch. Ons Holland strekt een schuur
Voor ít Indiaansch gewas. Het Noorden heeft geladen
Al ítgeen het Oosten teelt; al wat het hemelsch vuur
Des Zomers kookt en brandt, bewaart in dit geweste
De kille Wintervorst, die vier uit peper kaauwt.
ArabiŽn geeft ons zijn wierookvat ten beste,
De handel met den Pers tot nog niet en verflaauwt.
Hij mangelt zijne zijde, en zijn kottoene waren.
Het groote Java deelt ons zijne schatten meÍ,
En Sina ít porselein. Wij Amsterdammers varen
Al waar de Ganges loost zijn wateren in zee,
Al waar de winst ons voert, na alle zeÍn en kusten;
Gewinzucht liet tot nog geen havens onbezocht.
Wij deelen met den Taag de zee en ít land, en rustten
Ten oorloog tegens een, die alles overmocht.
Wie twijfelt, sla maar ít oog op schansen, steÍn en wijken,
Ik wijs hem andre stem, een ander vaderland,
Daar andre starren zijn; zou wisselt men van rijken;
Zoo koopt de wereld zich, en strekt ít verkochte pand.
Aldus wordt dí oogst gemaaid op wijd verspreide gronden,
Heel IndiŽrs in ťťn Oost Indisch huis gevonden.

OP HET GERECHT DER OOST INDISCHE KOOPMANSCHAPPEN, VOOR íS KONINGS MOEDER AANGERECHT.

Des konings moeder stond gelijk voor ít hoofd geslagen;
Om dí ongemeene spijze, en proefde met haar mond
Het Indiaansch banket, daar zij den disch zag dragen
Het edele gewas van ís aardrijks morgenstond,
De vrucht des Arabiers, de Perziaanache waren.
Zij proeft met grooten smaak welriekend pijpkaneel,
ít Verkwikkende gerecht, dat Oostersche akkers baren.
Zij riekt de vruchtbaarheid van ís werelds ander deel,
Het wierook, balsem, myrrhe, als heilige offergiften,
Een ieder op zijn plaats: het een haar oog behaagt,
Het ander smaakt de tong; wie zal partijen schiften?
Hier pleiten reuk en smaak, terwijl men riekt en knaagt.
Men at op Thetisí feest nog nooit dees lekkernijen.
Jupijn werd nooit genood op diergelijk banket;
Noch Caesar, toen hij kwam het Capitool oprijen
Met zegenrijken roof, vanís veinss bloed besmet.
ĄDe wereld, mompelde een, Ądie Grieken Kosmos heeten, Noodt Cosmusí dochter dus op haar banket ten eten.Ē

OP AMSTERDAM.

Keer om de stad, zí is bosch van onder, en gebouwd
Op boomen, onlangs nog gehaald in ít Noordsche woud.

OP DEN SLANGEN-STAF VAN MERCURIUS, WAARMEDE

Hij geesten, doodsch van verf, uit Plutoís jammerpoel Verdagvaart, of hen drijft na ís afgronds duistren poel.

EEN SCHOONE MAAGD, UITBEELDENDE AMSTERDAM, VERWELLEKOOMDE DE KONINGIN, MET DEZE VERZEN:

Met welk een offerand zal ik den Hemel danken,
Dat mij bezoeken koomt de grootste Koningin?
Die beÓ de werelden beschaduwt met haar ranken,
En mij een voorspraak strekte, en trouwe noodvriendin
Bij Vader en hij Zoon, in hare heerschappije.
Weest overwellekoom, gezegende Marije!

OP NEPTUUN, MERKUUR, EN Dí AMSTERDAMSCHE MAAGD, DIE DE KONINGIN, OP HET ROKIN, ONTMOETTEN EN BEGROETTEN.

De Zeegod, grijs van kop en kin, en straf van oogen,
Die met zijn spitsche vork opBorrelt uit den vloed,
En in een vloke schulp van monsters wordt getogen,
Daar watemnymfen vast hem strekten tot een stoet;
Merkuur, des koopmans God, beleider van den handel,
Die, met zijn gladde tong, nu koopt en dan verkoopt,
En, wispeltuur in gunst, en licht van aard en wandel, Veroorzaakt, dat de winst nu stand houdt, dan verloopt;
En deze schoone maagd, die, met een nedrig wezen,
Zich neigt eerbiedig!ijk; dees GodheÍn algelijk
Verwellekomen hier de schoone, dí uitgelezen,
Onsterflijke Godin van ít Fransche koninkrijk.
Zij storten over haar een algemeenen zegen;
De Zeevoogd draagt haar op ít gezag der gansche zee,
Van alle wateren en hobbelende wegen;
Zou veer van Seiní, of teems, of Spanjens veerste ree
De schepters van haar wijd gevreesde kindren reiken.
Der Goden Taalman wijdt zijn stad dees koningin,
En hare LeliŽn, tot een gehoorzaam teeken;
Maar dí Amsterdamsche maagd, ons stroom- en zeeheldin
Van Zee- en Handelgod gestut, vernedert bloode
Dees koupgodn voor Marie, en haar alleen voor Gode.

OP DE VERTOONINGE VAN HET HUWELIJK VAN FRAN«OIS VAN MEDICIS, GROOT HARTOG VAN TOSCANEN, EN JOANNA VAN OOSTENRIJK, KEIZER FERDINANDS DOCHTER.

FranÁois, Toscaansche vorst! hier treedt gij op ít tooneel,
Met dí eer van Oostenrijk, Joanna, uw verkoren;
Hier trouwt uw halve ziel nog eens haar ander deel,
Waaruit Hartogen en regeerders zijn geboren.
Door huwelijken rijst de zon van Medicis,
En steekt haar starren aan, die stralen van zich schieten,
Haar heldre sterren, daar Maria een van is,
Die, door de gunst van God, die ik niet mag genieten,
Geen blijde moeder wordt, zou menigmaal zij baart,
ít En zij van koningen. Dat ís baren! dat ís beklijven!
Dat ís ít aardrijk geregeerd, door haar geslacht en aard!
Dat heet, door hijliken de koninkkrijken stijven!

OP DE VERTOONING VAN DE SCHENKAGIň DER KEIZERLIJKE WAPENKROON.
MAXIMILIAAN SPREEKT:

O Amstelers! die wijd, te water en te land,
Verkoopt, en koopt, en wint, en winnen doet veel andren,
En stutte ís oorloogs last, het zij ook van wat kant,
En hoe veel vijanden mij drukten met malkandren;
ít Zij mij VenetiŽn of Vlaandren dreigde uit haat,
En Bruggí zijn eigen vorst- en landsheerhiel gevangen Aanvaardt ons goude kroon, der keizren hoofdeieraad,
En wil die, tot een loon van uwe deugd, ontvangen!
Dat zij in ít midden sta bij leeuwen rood van goud,
Voor den nakomeling, om met die eer te pronken;
Gij triomfeert ter zee met vlug en zeilbaar hout,
Ons keizerlijke kroon zij u uit gunst geschonken.
Te lande blinkt mijn kroon en wordt alom gevreesd,
Maar uwe Schildkroon blinkt te water allermeest.

OP DE VERTOONINGEN VAN DEN RIJKSKLOOT VAN FRANKRIJK, ONDER HENRIK DEN IIIDEN GESCHEURD, DOOR, HENRIK DEN IVDEN GEHEELD EN HERSTELD.

Als Frankrijk jammerlijk den Rijkskloot ziet gereten
Door burgerlijken krijg, en ít land gedeeld in twee,
De vorsten handgemeen, en hart op hart gebeten,
Den koning zelf vermoord, doet dit haar harte wee;
Omdat de kloot des rijks met kracht leÓt afgesmeten
Van zulke schouderen, waar op zich elk verliet,
En dí assen uit den naaf geheven; dies bekreten,
In dien benaauwden schijn, het na den Hemel ziet,
En smeekt Jupijn om hulp, en al de groots Goden,
En wacht van boven troost in dien vervallen staat.
Pomoon, en Bromius, en Ceres weggevloden,
En van het zwaard verdrukt, en Venus, bloot van raad,
Met dí andre GodheÍn staan bedrukt aan Frankrijks zijde;
De GoŰn erbarmen zich om die verlege schaar,
Verdagvaarden Borbon, dat hij hen al bevrijde,
En op zijn schouders neemí den last van ít nijksgevaar.
Tritoon met Mavors helpt den held, op Frankrijks bede,
Waar hij door hun beleid de vijanden verstoort;
Zou wordt het rijk geheeld door langgewenschten vrede.
Navarre, sterk van hals, den Rijkskloot onderschoort,
Zet dí assen in de naaf met kracht; zoo wordt herboren
De rust van ít oude rijk, zoo bloeyen alle steÍn,
De kerken en het land weÍr heerlijk als te voren,
De vreÍ keert wederom. Astrea gaat bekleÍn
Haar troon en eersten staat; gevluchte Goden keeren
Uit hunne ballingschap in ít vorige bezit.
Dit wordt u hier vertoond, dit wil Alcides leeren,
Daar hij ít gerabraakt land weÍr zet in zijn gelid,
En heelt ít gesplitste rijk, gelijk dees stommnen spreken;
Met recht wordt Hernik dan bij Hercules geleken.

EEN OOSTINDISCH SCHIP, DAT DE KONINGINNE NA HAREN RAAM NOEMDE, MAG ZO ZEGGEN:

Maria is mijn naam, mijn toenaam Medicis;
Het strekkí tot gunst, is ít niet tot mijn behoudenis.

OP DE AFBEELDINGE VAN DE KONINGINNE, DOOR DEN UITMUNTENDEN SCHILDER HONDHORST IN íS GRAVENHAGE GEDAAN, EN VAN HARE MAJEST. AAN DE E. HEEREN BURGEMEESTEREN VAN AMSTERDAM VEREERD.

De groote Medicis, een moeder van drie kronen,
Kwam dus, ter goeder uur, zich in ons stad vertoonen.

OP DE GEBOORTE DES DOLFIJNS, GEVALLEN JUIST TEN ZELVEN DAGE, EN OP DIE URE, TOEN MARIA DE MEDICIS UIT AMSTERDAM VERTROK.

Gelijk de starren sta‚g verrijzen, weder dalen,
Veranderen van beurt, door op en ondergaan.
En nu in dí een en dan in dí andre wereld stralen;
Alleveneens, terwijl de koninklijke ra‚n
Ontvoeren Amsterdam een starre van Florencen,
Verschijnt er aan de Seiní een zon, een ander licht,
En dí erfgenaam des rijks, tot heil en troost der menschen, Geboren juist dien dag, toen wij het aangezicht
De majesteit en glans van Medicis verloren.
Op dí uur, dat Amsterdam betreurde haar vertrek,
Was ít hoogtijd te Parijs, daar een Dolfijn geboren
Gansch Frankrijk juichen deed met opgeheven nek.
Leef lang, Mariaís neef! dat Hollanders en Franken,
Van uwe LeliŽn gezegend, u bedanken!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001