Joost van den Vondel (1587-1679)

OP

HET UITMALEN VAN T HAARLEMMER MEER.

Aan den Leeuw van Holland.

A. 1642

Uitheemsche vijanden te zitten in de veren,
Te slingeren den staart groothartig over zee,
Is ijdel, als uw long, geslagen aan het teren,
Inwendig vast vergaat, en gij, van hartewee,
Zoo deerlijk zucht, en kucht, en loost, bij heele brokken,
Het rottende ingewand te keel uit, in de golf,
Wat baat het, met uw klaauw al t Oost en t West te plokken,
Nadien u bijt in t hart dees wreede water-wolf,
Belust, om over u eerlang te triomfeeren?
O, Landleeuwl waak eens op, en wek, met nen schreeuw,
Al t Veen, de Kennemers, en Rijnlands oude Heeren,
Met d Aemsterlanders op, tot noodhulp van hun Leeuw.
Men sluite met een dijk dees pest, die u komt plagen,
De Windvorst vliege er met zijn molewieken toe;
De snelle Windvorst weet den water-wolf te jagen
In ree, van waar hij u kwam knabblen, nimmer mo.
De Veenboer zit en wenscht dees waterjacht te spoeyen,
In t Veenwijf roept: hij ruimt! De Landleeuw weidt op t ruim,
En zuigt zijn long gezond aan de uyers van de koeyen.
Zoo wint de Landleeuw land, zoo puurt hij goud uit schuim.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001