Joost van den Vondel (1587-1679)

A. 1642

Eulalia aan Julia, hare moeder.

Eulalia, uw lieve en Godgeboogzaam kind,
t Welk niemand, onder al den Hemel, meer bemint
Dan is, behoudens d eer van Jezus, den behoeder,
Neemt met dit oorlofschrift nu afscheid van haar moeder;
Om wie zij, die het hoofd van vreugd ten Hemel beurt,
Wiens transen zij genaakt, alleen nog zucht en treurt;
En wenscht, dat gij haar lijk aanschouwen moogt met oogen
Van blijschap, veer van rouw en avrrescht mededoogen;
Nadien gij nimmermeer (al hoort het moeder no)
Uw dochter trotscher kunt uithuwelijken dan zoo.
Kon uw misleid vernuft dit sterfwit recht beseffen,
Gij zoudt geen lijkklacht, maar een bruiloftslied aanheffen,
En zingen, uit der borst, een lof tot Gods gen,
Waardoor ik naar mijn graf, als naar een staatsie, ga,
Die eeuwig duurt, en lacht, met onverdorde krassen
En onvermoeiden toon, waarop de zielen dansen,
Dat al de goude vloer en t zaligste gewelf
Der starren dreune, al ie het d onbeweegdheid zelf;
Al drijft het endeloos om t middelpunt der dingen,
Om d alnatrekkende as, waarna de stoffen dringen,
Die, zonder dezen trek, niet langer houden stand,
Maar spatten liefdeloos, en springen uit den band.
Mijn lippen offeren een dankbare offerande
Aan uw medoogend hart, twelk mij ten platten lande,
Veel mijlen opwaart zond; daar ik gesloten zat
Op t landhuis, uit het oog van mijn geboortestad,
Die d eer des afgronds zocht door wreedheid te bewaren;
Waarom gij duchtte, of ik mocht komen uit te varen,
Tot smaad der Gon, door wien men God zijn eere ontrooft
En, t schepsel eerend, ziet den schepper over t hoofd;
Een lasterbrok, te hard en bitter om de kaauwen.
Mijn geest ontstak, wanneer mijn ijver scheen te flaauwen,
In t eenzaam landvertrek, en sprak al heimlijk dus:
Is t billijk, dat men hier het vier des ijvers blusch
En uitdoove, in een spruit bijkans van twalef jaren?
Waar blijven knoppen? Waarde bloesem? Waar de huren?
Als voorbon van de vrucht, den hovenier beloofd,
Die, nat van bloedzweet, zich ter dood heeft afgesloofd,
En voer, recht toe recht aan, de wreedheid in de kaken,
Om zijnen wilden hof en wijnberg op te maken,
Uit liefde tot den oogst, zoo lang van hem verwacht,
Uit liefde tot het nut van t menschelijk geslacht. -
Zijn liefde was zoo groot; wij laten ons verbluffen,
Wij ijveren in t veld, met sammelen en suffen.
Men moet kwansuis, alleen met voordeel, t voorhoofd bin;
Men noemt voorzichtigheid, ontijdig kruis te vlin.
Men mag zijn handen aan geen godloos marmer schenden.
Zoo doende, hoopt men op den stapel der ellenden,
En levert voedsel aan dees schuwenswaarde pest.
En wie dit past of niet, het past bedaagden best.
t Onmondig kind moet scherp naar moeders huisles luistren.
De waarheid houdt haar glans, wat nevels haar verduistren.
Wie God gehoorzaamt, die gehoorzaam moeder eerst.
Het jong gezicht ziet scherp, t ervaren allerveerst.
Men mag de moeite, die s lands rust versteurt, wel schuwen.
De stilte voegt een maagd, die reede staat op t huwen;
Eulalia heeft vroeg de zedigheid bemind,
Men zag een oud verstand in d oogen van een kind,
En wijsheids rimpelen, op t voorhoofd zonder krenken;
Nooit speelziek, kaauwde zij het pit van wijze spreuken,
Verfoeide muskeljaat, en ambergeur, en roos,
En myrglas, en cieraad, en krans en poederdoos.
Hoe zal dees stemmige, die nu wat meer kan vatten,
Haar drempel overtren, en komen uit te spatten!
Dan Kruisbelijder wordt zelf t vluchten toegestaan:
Dats wijd van willens in een wisse dood te gaan.
k Beken, t valt makkelijk den drempel te bewaren,
Te zwijgen bij den haard, en nimmer uit te varen;
Maar ondertusschen vaart de dwaling immer voort.
D afgoderij braveert, en dreigt met brand en moord,
En wint vast veld, terwijl de laffe ridders deinzen.
Behoudt men dan den strijd met loochenen en veinzen?
Zoo is t gekruiste hoofd vergeefs vooruit getren,
In t bangste van t gevecht. Blohartige! neen, neen,
Gij moet Gods vijand t wit van beide uw oogen tonnen,
En streven, door het dikst, naar d opgehange kronen.
Dit geldt Maximiaan. Tyran! ik koom u bij.
Zoo sprekende, en genoopt van heilige razernij,
Schoot ik, ter middernacht, ten bedde uit, in mijn kleren,
En daatlijk naar de poort. Geen grendel kon mij keeren,
Noch boom noch slotwerk, staal noch ijzer, hout noch steen;
Ik borst ten landhuize uit, en over graften heen,
En vloog recht toe, door braam en bosschen, struik en heggen.
En voelde geen kwetsuur der voeten, noch kan zeggen
Wat geest, wat Godheid mij alle achterdocht benam,
En schemerde vooruit, en lichtte met een vlam
Mijn vlugge voeten toe; gelijk de vierpilaren
In woeste wildernis weleer de twalef scharen
Van Mozes; twelk ik voor onfaalbaar teeken hiel,
Dat mijne glonde drift den Opperste geviel.
Zoo mat ik onvermoeid vast land, hij heele mijlen,
En wenschte, dat mij geen bewaarder na mocht ijlen,
Noch stuiten mijne vaart, door t achterstuivend stof.
Terwijle kwam de zon vergulden t schendig hof,
Daar Anas, eens grens van onze Lusitanen,
Ons Emerite bouwt. Toen barsten mij de tranen
Ten oogen uit. Ik hief, met eenen droeven zucht
En nare jammerklacht, mijn handen naar de lucht:
O Vader, die dan dag gezet hebt op den wagen,
Die om den aardkloot rolt, en ziet, met welke plagen
Maximiaan nu niet een ieders rust beroert,
Maar slechts wat Jezus merk op t natte voorhoofd voert;
Het staat is licht, dien reus, in wreedheid zoo wanschapen,
Door geenen Hercules, maar des Aartsengels wapen
Te kneuzen in het zand, indien het u behaagt;
Zoo niet, en houdt liet kruis uw eere op, laat een maagd,
Uw dienstmaagd, heden eens, daar mannenharten gruwen,
Gerions zielendwang en Gon in t aanzicht spuwen,
Dat al het Spaansch gewest verlicht zij van uw straal,
Ja, d avondstar die aan de morgenstar verhaal?
Zoo bidde ik, en ruk voort, daar, op dan stoel geklommen,
Als afgronds spoken in des rechters oogen glommen,
En t bijlen-bondelrecht, bestuwd met lijftrawant
En heibardier, zoo straks de Roomsche vierschaar spant.
Ik roep: wie zijt gij, die den bliksem zelf doet trotsen?
De bekkeneelen schiet en kraakt op harde rotsen,
En dwingt den kuischen mond, te loochenen de bron
En spring-ar van het licht, nog ouder dan de Zon?
Wat zoekt gij t volk, twelk schuwt Apollen aan te bidden,
Te rooken voor hun beeld? Hier staat er een in t midden,
Die s afgronds offerande en rook en stank veracht,
Ik pas op Isis niet, noch Venus tempelpracht;
Ik eer den Schepper zelf, en geen geschape stoffen.
Geen vorm noch beitelkunst heeft ooit den zwier getroffen
Van dien onzichtbren God. De beste meesters hand,
Die t danig Wezen uit wil beelden, haalt slechts schand.
Boet vier, en brand tot kalk die grove lasterstukken.
Gij drukt het Kruis, maar zult het nimmer onderdrukken.
O scherreprechterl koom, koom herwaart. Brand, snij af
De leden eener maagd. Zet af, tgeen God haar gaf.
De Bronar van de ziel en t menschelijke leven
Zal haar, te zijner tijd, een heerlijk lichaam geven.
Kom, pijnig vrij dit lijf met ijzer en met gloed,
Gij zult geen lasterwoord mij parsen van t gemoed.
Door zulk een rede slaat de norsche schout aan t razen,
En poogt mij, doch vergeefs, met dreigen te verbazen.
Men gaat mij, vr de straf, met schoone woorden aan.
Al t maagschap vleit, en gij, met uwe vrucht belan,
Aan t schreyen, aan uw hart en naakte speen te toogen
Mijn lip te drukken aan de borsten, die ze zogen.
Och, moeder! ik beken t, dat tranen noch geklag
Van is, noch iemand mij zoo roerde, als toen ik zag
Uw borsten, daar ik, nog een wicht, aan had gelegen.
Toen leed natuur geweld, die band hiel dapper tegen,
Maar entlijk most natuur bezwijken voor t geloof,
Dat aldoordringend punt. Dit sloot mijn ooren, doof
Voor t moederlijk gekerm, en zoo veel vrienden t zamen,
En schelden en t gegraauw, gemengd met lieve namen,
En woorden, overbloemd en lieflijk geblanket.
Een maagd, die, huwbaar, raakt de spond van t weelig bed,
Een joffer schoon, en rijk, en e en welgeboren,
De bloem van ons geslacht, gaat in een mist verloren.
Al t huis aan t waggelen, door t missen van die hoop.
De bruidschat helpt alreede elke zinnen op de loop,
Voor uwe poort van t puik der riddren overdrongen. -
Wat geldt bedaagde raad bij t wulpschc brein der jongen!
s Lands Godsdienst is van ouds door Goden ingesteld;
Die blijft gedurig, uw verzameling versmelt.
Een tijgerstand of haak zal uwe ribben rijten.
Met weinig wierooks in het wierookvat te smijten,
Met luttel korlen zoute te zegenen de vlam,
Kunt gij dien heen ontgaan, ter eere van uw stam.
Ik knarsetandde, en wierp, van heeter gloed onsteken,
Den dwinger, die het vat mij in de hand wo steken,
Het wierook in den baard, eis trapte op t stinkend zout,
t Bederf der ziele, als t meel, hetwelk geen onderhoud
Noch voedsel, maar vergift voor t lichaam zou verstrekken,
Daar t rusten moet in God, die t uit zijn asch zal wekken.
Ik stiet de beelden weg, en trapte ze op den vloer.
Toen wierd al t hof geschud van een verbaasd rumoer;
Gen had uitgediend. De vrienden voort aan t scheiden,
Van daar de dienaars vast het hoogtijd toebereiden,
Voor Kristus bruid, die straks zich zetten wil te prijk,
Op t heerlijk sta, in t gezicht der hoofdstad van dit rijk.
Nu kiest ze een ijzre boei, in ste van arremketen,
En schakels rood van goud. De lenden, opgereten
Met haken, glinstert met een kostelijker gloed
Van verf en levend rood, dan Tyrisch purper doet.
Ontelbre wonden, in die smertelijkste pijnen,
Beschamen pracht en praal van baggen en robijnen,
Gehecht op gouden grond. De torts, die d oksels knokt,
Verdoov de fakkel, die in Hymens handen rookt.
De roode vlam, zoodra zij stijgt, om t haar te lekken,
Mag t schaamrood aanschijn, als een vlammesluyer, dekken,
Daar ik, al staande, drink den nektar van de druif
Der vlamme. Sla dan ga, die t aanziet, hoe een duif,
Een hagelwitte duif, ten zoom uit van mijn lippen,
Gelijk een Fnix, rook en vonken gaat ontglippen.
Dat is mijn zuivre ziel. Aanschouwers! slaat dit ga.
Dat is die door het vuur gepuurde Euialia;
Zij heeft geruit, en laat de ruiver u ten beste,
En zoekt haar oorsprong wer, dat smetteloos geweste,
De gulde vrijheid, daar Pompejus nooit van wist,
Noch daar zijn dappre zoons eens hadden op gegist,
Eer zij, op dezen grond, in Czars dagen vielen.
Daar zoekt die nette ziel dan vrijdom aller zielen.
Doch eer ze steigre naar het klaarste deel der lucht,
Van geenen damp bezwalkt, en leg van aardach gerucht,
Zal d onbesmette, om zich ter nieuwe vlucht te wennen,
Eerst zweven om het vier, dan hangen op haar pennen;
Dan klappen zevenwerf de vleugels tegens aan;
Dan snorren uit het oog, naar s Hemels tappunt heen;
Van waar ik moeder hoop, al biddende, in te wachten.
Terwijle, bidde ik, sla mijn dood uit uw gedachten,
Om t leven, mij om hoog beschoren, in Gods stad.
Nu, moeder! zijt getroost. Vertroost u met dit blad!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001