Joost van den Vondel (1587-1679)

DE VIe PSALM.

A. 1643

1.

Och! straf mij niet, in uwen tooren,
Noch leg mij niet mijn schuld te voren,
In uwe gramschap, lieve heer!
Ontfarm U mijns! ik leg ter neder,
Ter dood toe krank; genees mij weder!
Mijn beenen t siddren meer en meer.

2.

Mijn ziel is vol ontsteltenissen.
Help, God 1 hoe lang zal zij is missen?
Och! keer uw aanschijn toch naar mij,
En ruk mijn ziel uit zoo veel strikken;
Maak mijnen geest van alle schrikken
Des doods, door uwe genade, vrij.

3.

Want niemand, daar de dooden leggen,
Weet prijs en eer van is zeggen;
Wie looft is in den Helschen kuil?
Ik ging in arbeid van al t stenen;
k Zal, nacht op nacht, in t bedde weenen,
En wasschen het, terwijl ik buil.

4.

k Zal t bed met tranen overspreyen.
Mijn oog is blind en rood van schreyen;
Van hartzeer wierd ik grijs en oud,
Bij zoo veel haters, die mij pramen.
Nu wijkt van mij eens af al t zamen,
Gij, die van recht noch regel houdt!

5.

Want mijn gekerm kwam God ter ooren.
Gods goedheid wo mijn be verhooren,
Mijn smeeken gingk hem aan het hart;
Dat nu zou menige als mij baten,
Verbaasd en schaamrood t veld verlaten,
En haastig vlin, van schrik benard.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001