Joost van den Vondel (1587-1679)

DE XXXIe PSALM.

Aº. 1643

1.

Welzalig mag men zulk een houden,
Wiens schulden God heeft kwijt geschonden,
Wiens misdaân zijn geul. bedekt;
Welzalig, wien ’t betaling strekt,
Dat God hem geen verloop toereken,
En in wiens geest geen valschheên steken.

2.

Om ’t zwijgen van mijn boos geweten,
Is mijn gebeent’ veroud, versleten,
Terwijl ik kreet den dag ten end.
Ik voelde en kende mijn ellend,
Toen, dag en nacht, uw hand, uw tooren
Mij drukte en prikte, als met een duren.

3.

Ik heb mijn zwaar vergrijp beleden,
En U mijn ongerechtigheden
Niet ineen verborgen; ’k sprak: „welaan!
Ik wil mij zelven melden gaan,
En Gode ontvouwen al mijn boosheid!” —
En Gij vergaaft mij mijn godloosheid.

4.

Hierom zal elk, geneigd te boeten,
Bij tijds zich worpen voor uw voeten,
Eer hem de springvloed henerukk’.
Gij zijt mijn toevlucht, als mij druk
Omringt, mijn blijdschap; help mij dringen
Door al, die mij met macht omringen.

5.

’k Zal in uw brein verstand verwekken,
En, langs den weg, dien gij moet trekken,
U komen wijzen van omhoog,
Ik zal, met mijn zorgvuldig oog,
U naarstig gaslaan en regeeren,
En nimmer ’t aanschijn van is keeren.

6.

Slacht paard noch muil’, van reên versteken.
Betoom en breidel de gebreken
Der woesten (die U tot geen wit
Verkiezen) met een mondgebit,
En muilprang. Zondaars moeten bloed en,
Als God hen geeselt met veel roeden;

7.

Maar Gods genâ, voor vromen open,
Omlegert hen, die op Hem hopen.
Verblij, verheug is in den Heer,
Rechtvaardig volk! en wien men meer
Vroomhartig en oprecht mag noemen;
Gij moogt op God met reden noemen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001