Joost van den Vondel (1587-1679)

DE XXXVIIe PSALM.

A. 1643

1.

Och! straf mij niet, terwijl uw gramschap blaakt,
Noch haal niet over mijn gebreken;
Nadien uw pijlen in mij steken,
En uwe hand mij heeft zoo diep geraakt.

2.

Uw tooren liet niet heels aan al mijn lijf.
Mijn misdaad, die mij dus doet stenen,
Verjaagt de rust in mijne beenen;
k Ben, over t hoofd, gedompeld in misdrijf.

3.

Ik draag mijn schuld, gelijk een zwaren last,
Mijn wonden stinken en vervloeyen,
Om al mijn dwaashen, die mij moeyen;
Ik blijf gekromd, en ben aan jammer vast.

4.

Ik ga bedrukt, geheele dagen lang,
Mijn lenden zijn vol zuchts, vol schimpens,
Mijn kranke len vol pij na, vol krimpens;
Ik leg in hij, en schreeuw: mijn hartje bang!

5.

Gij kent, o God! al tgeen wat ik begeer,
Mijn zuchten is is niet verborgen.
Mijn hart, vol onrust, krielt van zorgen.
Mijn kracht is weg; mijn oogen zien niet meer.

6.

Bekende en vriend kwam op mij aan, en viel
Met al zijn macht mij dapper tegen.
De trouwste stond van veer verslegen.
k Leed last van hun, die stonden naar mijn ziel;

7.

Die wenschen, dat mij niet ontmoeten mag
Dan ramp en smaad, om zich te wreken,
Slechts logentaal en lasten spreken,
En leggen toe op valschheid, al den dag.

8.

Ik sta en zie, als doof, dien handel aan,
En als de stomme, en sprakeloozen;
En, als de doove, bij de boozen,
Schijn een, die hun niet weet te wederstaan.

9.

Omdat ik had mijn hoop gegrond op God,
Zult gij, mijn Heer, mijn God! mij hooren.
Ik zei: laat haters, heet van tooren,
Niet huppelen, om mijn rampzalig lot.

10.

Zij stoffen en braveeren Hemelhoog,
Terwijl mijn wankle beenen beven;
Ik ben de ron ten roof gegeven.
Mijn lijden staat geschreven voor mijn oog.

11.

k Zal blijken doen, hoe groot een schuld ik droeg,
En leggen toe, om die te boeten.
Mijn vijand, die mij voor zijn voeten
Ziet leggen, juicht, en heeft nu kans genoeg.

12.

t Getal, dat mij met onrecht haat, wint aan.
Zij schenden mij, die goed beloonen
Met kwaad, en zich ondankbaar toonen,
Omdat ik volgde en bid de beste baan.

13.

Mijn Heer, mijn God! verlaat mij nimmermeer,
Noch wijk van mij met uw genade.
Uw bijstand kome mij te stede,
O God mijns heils, mijn allerwaardste Heer!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001