Joost van den Vondel (1587-1679)

DE CIe PSALM.

A. 1643

1.

O Heer! verhoor mijn smeeken!
Mijn schreyen klimt tot Dij!
Keer ,t aanschijn niet van mij,
Zoo dikwijls t hart, verstoken
Van troost, is in de klem,
Neig d ooren naar mijn stem!

2.

Zoo dik Gij mij hoort stenen,
Verzacht terstond de pijn,
Nadien mijn dagen zijn,
Gelijk de rook, verdwenen;
En mijn gebeent verschrookt,
Als brandhout, zwart berookt.

3.

Ik ben, als t hooi, geslagen,
Getroffen van omhoog,
En t hart is dor en droog.
k Vergat, door al het klagen
En kermen, in der nood,
Mijn nooddruft en mijn brood.

4.

Door t zuchten, in die pijne,
Versmolt mijn vleesch; ik scheen
Een geest, en vel, en been;
Of als, in een woestijne,
De pelikaans natuur,
Of nachtrave in den muur.

5.

Ik waakte, en slachtte musschen
Om hoog, op t eenzaam dak,
Wat vijand was, versprak
Mij daaglijks ondertusschen;
Wat flus mij eere gaf,
Zwoer mij zijn vriendschap af,

6.

Omdat ik asch moet eten,
In plaats van brood; omdat
Ik tranen mengde in t nat
Mijns kelks; want gij, gebeten,
Mijn ongegrepe len
Verpletterde op den steen.

7.

Verloopen zijn mijn jaren,
Gelijk een schuin vergaat,
Die nimmer stille staat;
Verdund zijn al mijn ren,
Gelijk t gemaaide gras
In hooi verkeert zoo ras.

8.

Maar Gij, o Heer! blijft leven,
Door eeuwen zonder tal,
En uw gehengnis zal,
Door al de rij der neven
Van t oudst en jongst geslacht,
Gedurig zijn geacht.

9.

Gij zult, nog naauw aan t rijzen,
Aan Uw berg Sion, daar
Men rookt op Uw altaar,
Barmhartigheid bewijzen;
Want die genadetijd
Genaakt, en dwaalt niet wijd;

10.

En uwe knechten dragen
Alre, in hoop zoo trouw,
Vast steenen aan dien bouw,
Hun opperste behagen.
Zij zien Uw land, o Heer!
Medoogende aan van veer.

11.

Het Heidendom zal tsagen
Voor Uwen naam, ontzien,
Geerd hij allen, wien
Gij schepters geeft te dragen;
Omdat God Sion bouwt,
Daar elk zijn glans aanschouwt.

12.

Hij zag met goedige oogen
Op t nederig gemoed,
Hetwelk Hem viel te voet,
Eerbiedig en gebogen;
Hij keerde zich niet straf
Van zulke bidders af.

13.

Nu laat dit al met orden
(Opdat het blijf gedacht
Bij t volgende geslacht)
En vlijt beschreven worden;
Opdat nakomeling,
En neef Gods glorie zing.

14.

Want God zag uit de wolken,
En van Zijn Heiligdom,
Ter aarde noden, om
Alle afgezuchte volken
Te staken, uit t gevaar
Der boeyen, overzwaar;

15.

Om, van zijn ijzre keten,
T ontsluiten, door Zijn raad,
Der omgebrochten zaad;
Opdat het uit mocht meten,
In Sion, s Heeren naam
En ongemote faam;

16.

En Zijnen lof verklaren
Door gansch Jeruzalem;
Daar landen volks, voor Hem,
Gelijk n ziel, vergaren;
En Vorsten van ontzag
Hem dienen, dag aan dag.

17.

k Ging dus dees rede tegen,
In t bloeyendst mijnen jeugd:
Ontdek mij, die t vermeugt,
Mijn levens korte wegen;
En ruk mij niet, zoo vlug,
Ter halve baan terug!

18.

Uw jaren doen hun ronden,
Gedachten uit en in;
Gij grondveste, in t begin,
Den aardbom zonder grnden;
Don boog des Hemels spant
Gij, met uw sterke hand.

19.

t Gewelf, met licht geladen,
En starren, zoo, en maan,
Zal slijten, zal vergaan,
Verouden, als gewaden;
Gij, rijk van macht en eer,
Verandert nimmermeer.

20.

Wat kreitsen om ons drijven,
Gij wisselt, t zijner tijd,
Hou, als een kleed verslijt;
Maar Uwe jaren blijven;
Uw Wezen blijft alleen,
Gelijk het was voorheen.

21.

Al Uwer knechten zonen
En hun onsterflijk zaad
Die zullen, eens van kwaad
Bevrijd, Gods stad bewonen,
Bestendig en altoos,
In t eeuwig endeloos.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001