Joost van den Vondel (1587-1679)

UIT DEN CXVIIIen PSALM.

WIJZE: ESPRIT DONT LES CHARMES SI DOUX.
A. 1643

GIMEL.

Rijk God! blaas Uwen dienaar wer
Een nieuwen adem in, en leven;
Opdat hij zich aan Uwe leer
En zuivre wet, hem voorgeschreven,
Mag houden. Schuif, door t Hemelsch licht,
Den nacht, die mijne ziel
Zoo lang verduisterd hiel,
Toch af van mijn gezicht!

Dan zal ik zien de Majesteit
En wonderen van Uwe wetten,
In wijsheid, nut, en bilijkheid
Uitmuntende, en zoo hoog te zetten.
Ik ben op d aarde een uitheemsch gast,
Vereerd en aardsch gezind,
Van eige liefde blind,
Bezwaard van s lichaams last.

Hierom, verberg mij niet het pad
Van Uw gebon, zoo streng bevolen;
Waar langs ik ter behoude stad
Gerake, en nergens koom te dolen.
Mijn ziel heeft, dag op dag, geblaakt,
Zij wenscht om t recht bescheid
Van Uw rechtvaardigheid,
Die haar rechtvaardig maakt.

Gij straft het stoute en trotschse hoofd,
Dat God zijn eere waant t ontstelen.
Vervloekt is die, van brein beroofd,
Het heilig pad van Uw bevelen
Verlaten durf, uit hovaardij,
En slaat, verstokt van zin,
Verkeerde straten in,
Onveilig en onvrij.

Ontlast mij van don bittren smaad,
En t lasteren van t boos gewissen
Des trotschen, die mij schendt en haat; Nadien ik Uw getuigenissen
En wet voor mijnen schat verkoos:
Terwijl hij mij belacht,
En schimpelijk veracht,
Te stout en reukeloos.

De vorsten, hoog op hunnen troon Gezeten, trotsch op macht en zegen,
Vervolgden mij, met smaad en loon,
En vielen straf Uw dienaar tegen;
Die hiel zich aan t rechtvaardig recht Van Uwe wet en wil,
En oefende zich stil,
Als Uw gehoorzaam knecht.

Want Uw getuigenissen zijn
Mijn overleg en troost, in rampen;
Uw hoofdgebon mijn zonneschijn
En raadsmans, in dees donkre dampen
Der twijfelingen, waar ik ga,
Die nimmer in der daad
Ontbeer noch troost noch raad
Van d opperste geul.

DALETH.

Mijn hart aan d aarde hangt gehecht
En aan den klomp van klei en aarde,
O God! herschep het recht en slecht, Opdat mijn geest bereik de waarde
Der eerste schepping, zoo volmaakt.
Herschep mij door Uw woord,
Door d andere geboort,
Het wit, daar Gij naar haakt.

Mijn zijdegangen meldde ik Dij,
En openbaarde mijn gebreken;
Maar Gij, o Heer, vergaaft ze mij,
En begenadigde mijn smeeken.
Nu ik met U in vrede sta,
Zoo onderwijs mij klaar
Uw wil, in dit gevaar,
En schut mijn schande en sch.

De slaap beving, na lang verdriet
Des strijds, mijn ziel, vermoeid van strijden.
Al wat de lust van t vleesch haar ried,
Dat volgde zij, en raakte in lijden;
Tot dat ik wakker riep: o God!
Versterk op Uwen weg
Mijn ziel, door t overleg
Van Uw volmaakt gebod!

Gele mij van de slimme baan
Der lasterstukken, uit genade,
En van de wetten, die mij ran
Tot snoode lusten, en ten kwade.
Ontferm U mijns, in dezen staat
Der misdaad, zoo bedrukt,
Waarin ik leg verrukt;
Mijn God, mijn toeverlaat!

Nu leef ik, van de logentaal
En duisternissen afgescheiden,
En volg alleen Uw waarheids straal,
En pan, die mij tot blijschap leiden.
Nu sla ik d uitspraak Uwer wet
Niet meer uit mijnen zin;
Zij leidt mij uit en in.
Geen werspoed mij belet.

Ik, die te vore ging vermast
Van t lastig pak der aardsche dingen,
Hang nu aan Uw getuignis vast;
Die, als een toom, het vleesch kan dwingen.
Bewaar mijn ziel in dezen stand.
Mijn ziel bezwijkt en zijgt,
Zoo t hart geen bijstand krijgt,
Noch hulp van Uwe hand.

Wanneer U t zeil van mijn geben
En ijver lust in top te zetten,
Dan vlieg ik als een zeejacht heen,
Den diepen afgrond Uwer wetten
Met blijschap over, zonder druk:
Dan draag ik met gemak
Het liefelijke pak
Van t opgeleide juk.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001