Joost van den Vondel (1587-1679)

PSALM CXXV.

A. 1643
WIJZE: NU STELT HET PUIK VAN ZOETE KEELEN.

1.

In t ommezwaayen der ellende
Des kerkere (onder onbekende
En wreede en wrovele Chalden;
Daar wij een rij van jaren zaten,
En droegen t juk van die ons heten),
Heel Sion uitgelaten scheen.

2.

Elk riep: nu lacht vrij, dat het schater
Tot aan de Eufraat en over t water,
Dat ons de ketens slepen zag.
Hoe ging de mond van oude en jongen!
Hoe danste blijschap op de tongen!
Wat was ons dit een blijden dag!

3.

De heidens zelfs, aan andere oorden,
En alle volken, wie dit hoorden,
Die riepen vrolijk onderling:
Gewis, de vader dor Hebreeuwen
Hoeft eudelijk verhoord het schreeuwen
Zijns kinds, verdrukt van Babels kling!

4.

Hij heeft verheerlijkt Zijn verkoren,
Zijn eenigen en eerstgeboren;
Zoo deed Hij zeker. Deze deugd
En weldaad heeft hem God geschonken,
Die lang in d ijzers zat geklonken.
God zelf is oorzaak van onz vreugd.

5.

God berge ook t overschot der luiden,
Opdat, gelijk de wind van t Zuiden
Den boezem aller beken vult,
En propt met water, dat ze stroomen,
En overloopen aan de zoomen,
Aldus ontboei hij s volks geduld.

6.

Keert wer, nu God is t pad komt banen,
Naar Sion. Schroomt niet zaad van tranen
In d oude kampen, lang verwoest,
Geduldig op een nieuw te zaayen:
Van t zaad der tranen zult gij maayen
Een oogst van vreugde, een gouden oegst.

7.

t Valt hard, t is waar, zou lang te beyen;
Het veld te gaan met rouw bespreyen,
Op hoop van een gezegende uur;
Maar zijt getroost, wat lust te derven,
Gij zult in t keeren uwe gerven
Met winst opleggen, in Gods schuur.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001