Joost van den Vondel (1587-1679)

DE CXLIe PSALM.

Aļ. 1643

1.

Wil mijn gebed, o Heer! verhooren,
En vang mijn smeeken met Uw ooren;
Gelijk de waarheid van Uw mond
Zich aan vergiffenis verbond.
Verhoor mijn bede nu rechtvaardig,
Gelijk Gij toezeit zoo meÍwaardig.

2.

Wil niet met Uwen dienaar rechten;
Want niemand looft er van Uw knechten,
Die voor Uw aanzicht kan bestaan,
En gerechtvaardigd henegaan;
Nadien mijn vijand, zoo verbolgen,
Mijn ziel belaagde, en kwam vervolgen.

3.

Hij plofte in ít stof mijn zwakke leden,
Vervoerde mij in duisterheden,
Gelijk de dooden, schier vergaan;
Mijn geest ging angst en doodschrik aan,
En ít hart in ít lijf, van schrik gedreven,
Begon te tsidderen, te boven.

4.

Ik overdochtí al dí oude tijden
Der vaderen, gered in lijden;
Ik overleÓde al (geen Gij wrocht,
Wat schepping, wat gen‚ vermocht.
Mijn zinnen staarden op Uw werken;
Ik kon alsins Uw goedheid merken.

5.

Toen lief ik, met een vast betrouwen,
Mijn handen, dicht in een gevouwen,
Naar U, voor wien mijn ziel wel schijnt
Een land, dat regen hoeft, en kwijnt;
O Heer! verhoor terstond mijn smeeken:
Mijn geest is, als mijn hart, bezweken.

6.

Och! keer Uw asnschjn nergens bene
Van mij, of ít gaat mij als dengene,
Die tí zink gaat in don diepen grond.
Nadien op U mijn hope stond,
Laat, eer de Zon nog wordt herboren,
Mij dí uitspraak van genade boren!

7.

Ai! wijs, wat weg ik op moet streven;
Dewijl ik heb mijn hart geheven
Naar U. Ontruk mij toch de laag
Des vijands, nu ik tí Uwaart jaag.
Leer mij Uw wil en wensch verrichten;
Want Gij, mijn God! kunt mij verlichten.

8.

Uw goede geest zal mij geleiden
In ít rechte land en versche weiden
Om Uwen naam, vol Majesteit,
Zult Gij een lucht van billijkheid,
Een leven, dat de ziel kan azen,
Mij lieflijk in den boezem blazen.

9.

Gij zult mijn ziel ontslaan van plagen,
En mijn erfvijanden verjagen,
Door Uw gen‚, mij toegezegd;
Vermits ik ben Uw eigen knecht,
Zult gij vernielen al de klaauwen
En haters, die mijn hart benaauwen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001