Joost van den Vondel (1587-1679)

BOUWZANG,

AAN

GERBRAND PANKRAS, JAKOB DE GRAEF,
SYBRAND VALKONIER, PETER SCHAEP,

DER BURGEMEESTEREN ZONEN ER NEVEN,

eerste Grondsteenleggers van het Stadhuis t Amsterdam,
onder het gezag derzelve Heeren,
in t Vredejaar, den 28en van Wijnmaand.

A. 1648

Ie. ZANG,

De Vredevader Numa had
Nu d oorlogskerk van Remus stad
Gesloten, en dat vier gedoofd,
Toen, met olijven om zijn hoofd
Bekranst, een teeken van den Peis,
Hij voornam t heerlijk Raadpaleis,
Het Capitool, zoo hoog en trotsch,
Te bouwen op de dorre rots.
De Koning klom op dit besluit,
De Vre zag hem ten oogen uit,
Den heuvel op van t Roomsche volk,
Dat hem omschaduwde als een wolk,
Gevolgd en toegejuicht met lust
Voor t heil van d ingehaalde rust.
Ten lange leste hiel hij stand,
En le, met zijn gewijde hand,
Den grond van t Raadhuis bij den vliet,
Die t aardrijk sticht met zijn gebied.

Ie. TEGENZANG.

Ons Vredevaders, alle vier,
De Raden van ons landbestier,
Den vrede hadden ingevoerd,
En t bloedkrakeel den muil gesnoerd;
Toen zij, gezeten op het kruis
Van t kussen, stemden t nieuw Stadhuis
En zijnen uitgestelden bouw
Te vorderen, zoo kloek als trouw,
Op zulk een rustig raadslot kwam
Het vreedzaam Viertal naar den Dam.
Zij brengen ter bestemde ste
Hun wakkre Zoons en Neven mee,
Daar Aemstels Burgerij verlangt,
t Gekroonde wapen blinkt en hangt
Op hunne borst, in goud gesnen.
Zoo let die Jeugd den Eersten Steen
Van t Raadbuis, dat, met raad en daad,
Verstrekt een zenuw van den Staat.

Ie. TOEZANG.

Op t rijzen van de zonnestralen
Des vredes, plag van ouds alom
De Bouwkunst haren am te halen,
Te bouwen wat, door ouderdom,
Geweld, of nood, verviel en stortte,
De Peis ontsluit haar schatkist niet,
Opdat ze onnoozelen verkorte,
En groeye in s nagebuurs verdriet;
Zij weet ze nutter te besteden,
Dan om den stroopenden soldaat
Te mesten, en geweer te smeden
Tot tijdverdrijf van blinden Haat,
Die hof en huizen let in kolen; -
Zij sticht doorluchte Capitolen.

IIe. ZANG.

Athene en Rome dragen be
Een zonderlinge liverei
Van kunsten, elk in zijn gewest.
De Bouwkunst voegt Athene best,
En andre wetenschappen meer;
Het strijdbre Rome voegt een speer
En schild, gelijk een krijgsheldin,
Opdat ze t aardrijk overwinn,
En, met den Burgemeestersrok,
Dan alles, wat zij overtrok
Met vliegende Arenden, haar Gon,
Berechte, en onder haar gebon
Doe zwichten d overheerde lin,
Die t aartsgebied naar d oogen zien.
Dus zijn ze beide in lof zoo rijk,
Elkandre in zegen ongelijk,
Het zij bij noodlot of geval;
Want n bezit het zelden al.

IIe. TEGENZANG.

Maar Amsterdam, zou zwaar met goud
Gekroond, en uit Gods schoot bedouwd
Met zegen, voert haar oorlogsvlag
Tot in den ondergaanden dag
Van t blozende Oosten, en beklimt,
Van daar de steile Noordbeer grimt,
De Zuidas met haar stoute kiel.
Zij mint den Vrijdom als haar ziel,
En, na dien dierbevochten schat,
Zoo kroont ze t merktveld van de stad,
Den Visschersdam, met een gebouw,
Waarvoor d Athener strijken zou,
En stom staan met zijn open mond;
Hoewel hij zich den bouw verstond;
Hij zou gerief en majesteit,
En tijdverdurende eeuwigheid,
Verknocht zien in een hoofdgesticht,
De glorie van mijn Bouwgedicht.

IIe TOEZANG.

Geen droevig voorspook ken men ramen
Uit uwen grondbouw, Pankras, Graef,
En Valkonier, en Schaep t uw namen,
In witten marmer, net en braaf
Gehouwen, houden hunnen luister,
En flonkren in den zwarten nacht,
Als klare starren, die bij duister
Ontvangen grooter glans en kracht.
Bezwalkt ze, in t bloeyen van uw jaren,
Met geen gebreken; volgt uw bloed,
Die t Burgemeestersampt bewaren,
En houdt dien burgerlijken voet,
Als rechte Neven, rechte Zonen;
Zoo zal de Deugd uw jaren kronen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001