Joost van den Vondel (1587-1679)

Aļ. 1658

ZEEMAGAZLJN,

GEBOUWD OP KATTENBURG Tí AMSTERDAM.

AAN DE WELEDELE EN MOGENDE HEEREN ZEERADEN
TER ADMIRALITEIT IN DE GEMELDE STAD.
Aļ. 1658

Super Garamantas et Indos Proferet imperium.
(Zal í rijk bij Garamanters en IndiŽrs vestigen)

Gij Heeren, wien de zorg der zeevaart is bevolen,
Die uit geen winkelen noch vergelegen holen,
In ít persen van den nood, het scheepstuig tí zamen raspt,
Maar op uw Magazijns gereeden voorraad slaapt,
Geruster dan voorhene, en vloot aan vloot kunt mannen,
Tot heil der koopsteÍn, en ten schrik der zeetyrannen;
Naardien men, onder schijn van wettigheid, nu stout
De vlag voert, en de hoop van roof te balen bouwt
Op uw geduld, gezind het ongelijk is slechtcn
Door reden, bles er dan uw Recht door ít zwaard te rechten,
Gij Raden ít die den Raad ter waterkamer spant,
En, onder ít hoog gezag van ít vrijgevochten land,
Den luister en den glans bewaart van Zeven Staten,
Die op uw schildwacht zich, naast God, gerust verlaten;
Vergunt, dat mijn klaroen dan toon op ít zeepaard zettí,
Gelijk ít de Bouwkunst leidde aan ít scheeprijk IJ te wed,
Om, als het Triton hoort den plonderhoren steken,
Door waterstormen en slagordens heen te breken,
Te brieschen over ít vlak, te trappen, en te treÍn
De zeepest van den Staat der vrij gehore steÍn,
Het lust me, ít schuim te zien neÍrbruischen langs zijn toomen,
Te hooren, hoe het briescht, als dí oorlogsvloten komen
Zeeghaftig uit de zee, met nagesleepte vaan
En vlaggen, van den roof des vijands overla‚n.

Natuur en Nood leert elk opwaken in gevaren,
Zich zelven wapenen en voor geweld bewaren,
Te werke stellen, wat hem ís Hemels voorzorg gunt,
Tot tegenweer van ramp en jammer. Op dit punt
Let al ít gezielde, wat de reden is gegeven,
Of een gevoelzaam, of alleen het groeizaam leven.
Zoo wapent zich de boom en vrucht met loof en bast,
En schors en schel, voor koade en hitte en overlast.
Zoo wapent God de slang met schubbe en spitse tongen
En doodelijk venijn. Zoo worpt de leeuw zijn jongen
In schuilhoek en spelonke, uit vreeze voor verlies.
Zoo wordt hij uitgerust met scherpen klauw en kies.
Zoo houdendí oogen wacht voor ít lichaam. Zoo beschermen
De menschen zich, met hulp van handen en van ermen,
Voor aanstoot, vier, en vloed. De nood, al valt het zuur,
Ontziet geen moeite, en, in den boezem van Natuur
Gedrongen, ondertast al haar geheimenissen,
En weet geweren uit den afgrond op te visschen,
Natuur te bezigen ten oorbaar en tot nut
Van ít leven, en zijn eisch. De reden onderstut
De noodweer, die niet rust op veiligheid te letten,
En kloeker tegens ramp, bij tijds, zich schrap te zetten.

Zoo ging ít Athene, dat, van Pallas niet misdeeld,
Zich op zijn burg verliet en trotsch Heldinnebeeld,
Een levend voorbeeld van de wijsheid in haar wapen.
Dees stad scheen op haar burg en burgerwacht te slapen
Gerust en veilig, eer de groote Xerxes kwam
Aanvliegen met zijn heer uit Perzen, als een vlam,
Om welig Grieken en Athene, met zijn daken,
Wraakgierig en verwoed, te branden en te blaken,
Dat overmachtig volk te delven in een graf.
Toen sprongen ze uit den slaap, gewekt te hard en straf,
En leefden raad om ít heer des vijands te verduren.
Dí orakels rieden hen, terstond naar houte muren
En vesten toe te vliÍn, zich, buiten alle zorg,
Te bergen in ít begrijp van dezen vrijen borg.
De burg tí Athene, eerst hout, scheen in dien naam begrepen.
Themistokles, hun hoofd, verstond alleen de schepen
Met dezen naam bedied, en zag de scheepsvloot aan
Voor dezen muur van hout, om ís vijands zwaard tí ontgaan.
Hij ried de burgerij, tot voorstand vast haar leven,
De wal te slechten, zich te water te begeven,
Te scheiden uit de stad, op Delfiís raad en mond,
Dewijl ze in geen gebouw, maar eer in volk bestond
En brave burgerij. Zoo gaven ze ten leste
Zich tí schepe, en redden zich, den Griekachen Staat ten beste..

Ik mocht van Amsterdam en haar verbonde steÍn
Dit tuigen, toen ze, van ís Eilanders nijd bestreÍn,
En, zonder schijn van recht, baldadig aangevochten,
Van duizenden gepreste en dolle zeegedrochten,
Ontwakende uit den droom, nog rijper letten, wat
De mogendheid vermag van zulk een houte stad,
En hoe de vrije Staat beschut wordt, min door steenen
Dan door een eike stad en afgehouwe grenen,
Gemand met helden van matrozen, en een Hel
Van gruwzaam grof geschut, den Afgrond zelf te fel.
De dog der Britten, die bloedderstig op kwam steken,
Vatte onzen zeeleeuw aan, wien ít scheen aan kracht tí ontbreken.
Men merkte fluks aan ít dier, hoe zulk een zeebrands gloed
Gereeder klauwen eischte en wakkerheid en spoed,
Tot lessching van een vier, waarvan ons kust en stranden
En wateren in ít ronde opflakkerden en brandden,
Als of de gansche zee vol zwavel dreef en pek.
De leeuw gevoelt zijn rug verzengen binnen ít hek
Des zeetuins, daar hij rustte, een poos in slaap gevallen,
Niet denkende aan de macht van zijne houte wallen,
Waarin het heil bestond van Batavier en Zeeuw
En ongedwongen Fries en ít volk, dat, op zijn schreeuw,
Nu dí oogen opsloeg, en bevroedde aan alle hoeken,
Hoe ít scheepstuig in dien nood verdwaald was en te zoeken.
Men poogt vergeefs een dijk door ít lage land te slaan,
Wanneer dí oploopendheid van vader Oceaan
Met lossen toom, alreÍ te hoog aan ít overvloeyen
De weiden overzwalpt, en stulp en dorp en koeyen,
En vee en veld verdrinkt; de landzaat al verstijfd
Ten dake uitschreit, of op een karnemelkvat drijft.
Voorzichtigheid ziet uit, brengt, zonder eens te wijken,
De zoden bij der hand, worpt dammen op en dijken.
Zij houdt een berg van steen en rijs en palen reed,
En wat de nood vereischt. Zoo schut ze ramp en leed;
Zoo slaapt ze niet te lang op í waters achijugcnade,
Terwijl dí onwijze traag geleerd wordt met zijn schade.

De Macht van ít vrije land en Zeeraad, om den kam
Te heffen uit de vloÍn, vond raadzaam, tí Amsterdam,
Op ít nieuwe Kattenburg het wapenslot te bouwen,
En ít magazijn des lands haar scheepstuig te betrouwen,
Ten dienst van Nereusí volk, dat op de dijning woelt,
Die, blauw- en zeegroen, om de zeekasteelen spoelt.
Men woŻ den rug van ít Y, zou vele en lange jaren
Geploegd van kielen en gekruist door stadig varen,
Dees glorie gunnen, als een stroom, die, altijd rad,
De zeilen wellekoomt en weÍr geleidt in Zee,
Gedurig laadt en lost, en uit naarijver luistert,
Waar ít hapert, als een wolk van roof de vaart verduistert,
Opdat hij ít water schuimí van dit baldadig schuim
Van pesten, die den vloed bevlekken, en, te ruim
Op ít water weidende, de koopvaardijen steuren.

De kerk van Janus sloot weleer met alle deuren
En dí oorlogspoort aldus te Rome, in tijd van peis,
Daar Mars geketend zat in ít ijzeren paleis,
Op ít bloedig krijgsgeweer, en standert, vlag en vendels,
En brieschte en knarsetandde op kopren boom en grendels
Met zin bebloeden hek. De volken wijd en zijd
Ontzagen Zijne wraak te tergen, en den strijd
Met hem te ontginnen; want geraakte dí oorlog buiten
Zijn posten, zwaarlijk viel ít de poort in slot te sluiten,
Of sloot ze, ít was met dwang en ondergang van ít Rijk,
Dat ís Tibers wapens tergde, en stelde in ít ongelijk.

Zoo ziet hier Janusí kerk door mist en waternevels
Met dubble tronjen, twee voorhoofden, en twee gevels,
Vast vore en achter uit, en voert voor iedereen
Haar ampt en oogmerk, daar zij rijst, in marmersteen
Gehouwen door Quelljn, des Amstels beeldehouwer,
Tot licht en kennis van den keurigen aanschouwer.

Aan dí eens zijde staat ís Lands zeebewind ten toon
Op eene waterschulp, verheerlijkt met een kroon
Van schepen op het hoofd. De rechte vingers grepen
Een jacht, de slinke ít roer, den breidel van de schepen.
De schulp op ankers rust, die kruiswijs aan het strand
Gehecht zijn door ít gebit van hunnen ijzren tand.
Het bootsvolk voert de vlag en wimpel, zwaait de zwaarden,
Rolt tonnen buskruit voort, of zadelt roode paarden,
Ontsteekt den rooden haan, die moord kraait al den dag.
Men laadt er ít grof geschut, dat steent zoo luide als ít mag,
Grof zwanger van bederf en donderkloot en donder,
En bliksem. ít Watervolk komt borrelen van onder,
Met hagel en kompas en riem en kokerrol.
Zou rust ze eest krijgsvloot uit, zou staat de zeekracht vol.
Neptuun, aan dí andre zij ter schulp uit, trotst op ít water
Wat zijnen drietand tergt, en eiken handelhater.
ís Lands zeebewind, met krone en zeekompas om ít hoofd
Gekroond, verzoekt zijn gunst, uit minne haar beloofd.
De Zeegod, die gestreeld zijn woord niet wil verkorten,
Gebiedt de Waternymnf, zich rustig uit te storten
Met eenen horen, rijk van schat, en vloot op vloot,
In ís lands gezegenden en wijd ontvouwen schoot.
De levenwekker, aan des Zeegods rechte zijde,
Begroet ís Lands zeegezag, en blaast, verheugd en blijde,
Een lucht van rozen, en van allerhande heil,
En dertlen geur van weelde, in ít opgezwollen zeil.
Men ziet er Amsterdam, ten trots van eindlooze eeuwen,
Met ís keizerskroon gekroond, braveeren op haar leeuwen,
En beide WatergoŰn, grondleggers van haar Staat.
De zeeschaar levert haar, wat Middelzee en Straat,
Europe en AziŽn, onvaste en vaste landen,
De Zuid- en Noorder as, de stroomen, en de stranden
Uitleevren; zij bestelt de vracht van overal,
Ontslaan met vlotschuit, boot, en lichter, op de wal,
In pakhuis, kelder, en op zolders, en in schuren.
De balken buigen van den last. De dikke muren
Bezwijken door ít gewicht van kruiderij en graan
En schat, haar toegevoerd van Vader Oceaan,
Genegen, vloot op vloot met rijkdom te bestoppen,
Kanaster, zijbaal, kist, en koffer vol te proppen,
Als of hij tol vast al de watervloÍn ontving,
Om eene zeestad, zijn verkoren voÍsterling,
Te zegenrijker, als een bijkorf, te stoffeeren,
Waarbij de zwarmen der gebuursteÍn zich geneeren.

Het lichaam van ít gevaart, zoo prat aan ít Y geplant,
Tí ontleÍn van lid tot lid met al zijn ingewand,
Vereischte een baal papiers, vol letteren en printen,
Veel gansepennen, mild gedoopt in Maroís inten,
Veel duizend handen, om dien voorraad uit te reÍn,
De bergsmids van Vulkaan om ijzerwerk te smeÍn,
Veel gieterijen, om de donders nu te gieten,
Veel stroomen van metaal, veel kopre eu ijzre vlieten,
Een lange lijnbaan van veel mijlen, onder dak.
Hier valt de schouder van een Atlas veel te zwak,
Om znlk een ballast van behoefte tí onderschragen,
En zoo veel krijgsgeweer op zijnen hals te dragen.
Hier wordt het Noordsche bosch met zoo veel zeils bedekt,
Dat het een schaduw voor de Spaansche Zee verstrekt.
Veel velden henneps wordt hier in ťťn perk gevonden,
Aan kabels en aan touw gestapeld en verbonden;
Veel wapenhuizen gaan hier schuil in ťťn gevaart;
Veel Trooische paarden steekt God Mars hier in ťťn paard,
Musketten, donderbus, schuiftangen, speren, pijlen,
De sabel, helbaart, dreg, granaten, enterbijlen;
Hier hagelt lood en schroot en kogel, Plutoís schroom,
Zoo veel als ít notebosch van zijnen noteboom
kan schudden, of een bui van hagelsteen bij vlagen
Op korenvelden schudt. Hier grimmelt het van plagen.
De Zeezorg zamelt hier dien dieren oorlogschat
Van zeil, en wapentuig, ten dienst van Gijsbrechts stad,
Die Kennemers van ouds, en Waterlandsche streken,
In ís Graven eed getredn, de torts en ít vier zag steken
In haren houten muur en torens, toen de grond,
Nog zwak, geen toevlucht aan den eiken scheepsmuur vond,
Aan hemelltooge mars en drijvende kasteelen,
Gebolwerkt tegens ramp en bloedige krakeelen.

Hier grimt de slangeschild van Pallas, die elk een
Voor ít voorhoofd slaat, misverfd, zoo doodsch als marmersteen.
Hier is ít Palladium, de wacht van Amstels schatten
Daar Diomedes noch Ulysses niet op vatten.
Dees Zeedraak houdt de wacht, eis slaat den boomngsard ga
Van Atlasí dochteren, bij daag en ís avonds sp‚.
Hier weidt het gulden vlies, de zeevaart, onder ít waken
Des zeeraads, veiler dan in schaduw van veel draken.
De dappre Perseus, op dit vliegend paard zoo fier,
Beschut dí onoozle maagd voor ít grimmig waterdier.
Hier is de vrijburg en de toevlucht der oprechten.
Hier zweet Vulcanusí smids, vol muren, winkelknechten,
Die geene bliksem smeÍn, gelijk Parnassus droomt,
Maar donders, duur wier kracht de Hel wordt ingetoomd,
En ít Helsche zeegedrocht, dat opsmookt van beneden,
De watren ringeloort en ketens waant is smeden,
Als stroppen, om de zee te wurgen, en de keel,
Waarbij de wereld leeft en ieder wereldsdeel.
Zoo schept de zeevaart lucht, zoo leeft men onbesprongen;
Zoo wordt al ít zeegeweld door zeegeweld gedwongen.

Al spanden nu Karthasge en Syrakuzer aan,
Om naar de watervork van God Neptuun te staan,
En om den rozekrans een waterkans te wagen,
Te zien, wien Jupiter de zeekroon geeft te dragen;
Men schroomde geen gevaar, van dí eens aan dí andre reÍ
Zoo Hollands Admiraal zijn vlag opstak in zee,
En streefde recht vooruit, gevolgd van alle kielen,
Om zeegeweldenaars te zitten op de hielen,
Aan boord te klasmpen, aan te grijpen, naar dien stijl,
Met lagen vol geschuts, en dregge en enterbijl,
Den vloed te dekken, na het kraken, na het entren,
Met masten, ribben, al ít seheepsingewand aan slentren
Te scheuren, of het vier te steken in den staart
Of buik vanís vijands vloot, dat zij ten Hemel vaart,
In ít onweÍr van dien slag, daar dí elementen knersten,
Het aardrijk in de zee aan duigen sprong te bersten,
De Goden in de lucht verdwenen met hun wolk,
Angstvallig voor matroos en spokende oorlogsvolk,
Dat vier noch vloed ontziet, en vecht, sla of ít verwaten
Een ander lichaam ít, huis had in de kist gelaten.

Dit zeegevaart, dat Mars in zijnen boezem sluit,
Rust reedschap voor een vloot van honderd schepen uit
Ten oorloge, en verbaast den schendigsten vrijbuiter,
Die God noch Koning vreest. Een Admiraal, als Ruiter,
Ten dienst van Amsterdam gewettigd en gewijd,
Is waard, dat hij op zee het kloekste paard benijdt,
In ít midden van de vloot der wakkere Amatelheeren,
Te moedig, dat hun zeegeweldenaars braveeren;
Nog zou niet, neen voorwaar: een hooger macht regeert,
Die met ťťn slingerslag den stoutsten reus verueÍrt,
De bergen innestort, en die te moedig draven
En steigeren in puin en assche kan begraven,
Of slingren in den nooit gepeilden Oceaan,
Om nimmer, na dien smak verrezen, op te staan.
Men steekt zich ít een oog uit, om andren twee te rooven
Men schroomt dan Helhond niet, ten Afgrond, uit naar boven
Te slepen in den dag, Gods erfdeel te verra‚n,
Om vromen op den hals te komen, langs een baan
Van Helsche gruwelen, en, tegens rechten wetten,
De grenspoort voor den Turken Tarter op te zetten,
Met wien men in verbond en vloekverwantschap treedt,
En zweert de standertvaan des Afgronds met een eed,
Dat Gode om hoog verdriet, en kwetst de vroomste harten
Die hem aanschreyen, en aanroepen in hun smarten,
Of hij, in ít eind verbeÍn, den schent der boozen schuttí,
En den geschokten Staat des Heilands onderstuttí.

Gelijk de kudden gaan bij duizenden te weide,
En groeyen bij het gras, zoo drijft nu ít zeegeleide
Vanís lands geleÓvloot, al wat hongert naar gewin,
Den mond van Tessel en den Vliestroom uit en in.
Nu houden ze elk hun koers, op twee en dertig streken,
En volgen ít zeekompas. Noch vracht noch schip ontbreken
Den handelsman. Men heeft geen zeeverzekeraar,
Nu alle waren zijn geveiligd voor gevaar
Van Turk en halven Turk, of slimmer waterdieren.
Mercuur zit zelf te roer, en schept vermaak in ít stieren
Hij zet de winden naar zijn hand, tot ís koopmans heil.
De zegen komt van zelf gevallen in het zeil.
Men spant geen keten meer, daar landen tí zamnnhoopen
De Straat van Gibraltar, de Sont staat voor ons open.
Het hoofd van Kalis en van Doever, pleitens moÍ,
Staat Holland, van weÍrizj, zijn recht, den sleutel, toe.
Al wat ons dreigde is in zijn waterschulp gekropen.
De wereld is nu veil, men valle alom aan ít koopen,
En aan ít verkoopen, aan ít bevrachten. Werkt en wint.
Nu pakt, nu zakt eis slaaft en draaft en weeft en spint
En schrijft en wrijft; de nacht is tot geen rust geboren.
Krioelt en woelt en vliegt, de schrijfpen tusschen dí ooren
De Warmoestraat, de Dam, de lange nieuwe Dijk,
En ít Water, huis bij huis, de winkels worden rijk.
De lakenreederij ziet andren in de kaarten,
En slijt haar fijne stof en wol op alle vaarten.
De kruidenier varieert een gansch Oostindisch huis.
De zijdewinkel ruischt, gelijk een volle sluis,
Van trekgetouwen en van goude passementen,
De rentenier besteedt zij is geld op hoogst renten;
De beurs valt veel te nauw. De wisselbank vertelt
Een schat van Krezus aan ít gereede wisselgeld.
De waag is afgemat van waren af te wegen,
En roept om arbeidsvolk, tot aan dan hals verlegen.
De Spaansche zilver vloot wordt hier aan geld vermunt,
In ít aanzien van den haat, die niemand zegen gunt.
Nieuw Nederland, bezaaid, belooft ons macht van koren;
Een ander Polen schijnt voor Holland daar geboren.
De Geldersman, en Sticht, en IJsel, Maas en Waal,
En Rijn en Merwe en Eems, de steden allemaal
Gedijen bij den oogst der zeevaart. Alle menschen
Begroeten Amsterdam, bezichtigen met wenschen
ít Gezegend magazijn, door Stalparts kunst gebouwd,
Uit last der WatergoŰn. Nu blinkt onze eeuw van goud
En zilver, als voorheen, toen Salomon zijn schepen
Naar Ofir heenzond, om gansch IndiŽn te slepen
In ít juichend Sion en het lang beloofde land,
Daar melk en honig vloeit. Wat ziet de waterkant
Al zegens te gemoet, nu alle zeÍn en golven
Voor Holland openstaan, geen weg is opgedolven,
Gesloten voor de vaart en zeevaart! Nu ons hek
Den leeuw ziet wentelen in klaver, zijnen nek
Afschudden ít lastig juk van alle dwinglandijen,
Te water en te lande, en macht van violen rijen
Op anker, of zou weidsch laveeren af en aan!
Zoo houdt een magazijn, een huis, ís lands welvaart staan.
Staat vast, gij Staten! staat, als ouverwrikbre stijlen!
Verzekert, met een knoop, den schoenen bundel pijlen,
Nog vasten dan voorheen, dat tweedracht niet verzwakkí
Deze eendracht, en de band in ít einde met een krak
Van een springe, en geen twist, het oud bederf van Troye,
Bekoorlijk twistooft en den gouden appel strooye
In uw vergadeninge, en schenne uw sterke steÍn
En landen, tot een vreugd des zeevloeks, tegeens een.
Het is gaan mindre deugd ít gewonnen te bewaren,
Dan veel triomfen tot een staatsie te verg‚ren.
De nijdigheid werkt loos en listig, en bespiedt
Het hek van uwen tuin, of zij een open ziet
Om in te boren, of een spaak in ít wiel te steken
Van uwen wijzen raad. Geen schaduwen ontbreken
Het lichaam in de zon; zoo sleept ook staatgeluk
Een staart benijders na, die wegen stuk voor stuk.
Zij zoeken alsins stof om harten te vervreemen,
En u, eer ít iemand riekí, dees kroon van ít hoofd te nemen.
Gelukkig is hij, die, gesteigerd tot zijn wit,
Den rijkdom kent van ít goed, dat hij met God bezit.
Bemint dan Amsterdam, de glorie van uw steden,
Den pijler van den Staat, de trouwst van uw leden,
Die, onvermoeid getrouw, bij ít land heeft opgezet
Wat zij met zweet vermocht; die uit haar beurze redt
Den nooddruft van den Staat, zou menigwerf verlegen.
Zij heeft, gelijk een zon, met haren rijken zegen
Haar buren toegestraald, gekoesterd, en verwarmd,
In koele schaduw eik gehandhaafd en beschermd,
Geensins den loon verdiend, dien nijdigen haar gonnen,
Als of ze bij ít verlies der halsvriendinne wonnen.
Bedenkt ge dit, men ziet uw vijanden in lij,
Triomfen op triomf uit zee in ít zeilrijk Y
Opdondren, en den roof op Kattenburg gehangen,
Daar duizend duizenden het aanzien met verlangen,
Op ít lossen der kortouw, die vier geeft op den stroom,
En heet den Amiraal met jachten wellekoom.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001