Joost van den Vondel (1587-1679)

ADAM IN BALLINGSCHAP

of Aller Treurspelen Treurspel


INLEIDING TOT ADAM IN BALLINGSCHAP.

Vondel zegt in zijn opdracht, dat hij Adam in Ballingschap geschreven heeft naar het voorbeeld van Hugo de Groot’s Adamus Exul, dat deze reeds op achttienjarigen leeftijd had vervaardigd. Van Lennep bewijst in een uitgebreid betoog dat de treurspelen echter weinig met elkaar te maken hebben; in het laatste gedeelte zijn echter een aantal passages, die Vondel van zijn voorbeeld heeft overgenomen. Hoewel het stuk niet werd opgevoerd, tot groote teleurstelling van Vondel werd Adam aangevallen door drie gedichten, die van meening waren dat het stuk een heiligschennis was. Het eerste was van Jacob Steendam: „Op Joost van den Vondel, of Adam in Ballingschap” waarin de dichter een „stokoude zonder schaemt” wordt genoemd. De tweede was van Jan Pietesz., zich noemende „beelthouwer” (in deze functie een onbekende grootheid) en was getiteld: „Adams Antwoord tegen Joost van den Vondel, over Adam in Ballingschap”. Dit is niet zoo vijandig als het eerste en ontwikkelt theologische bezwaren tegen het leerstuk der erfzonde. Het laatste was van Meynarda Verboom: „Pleyt voor onze eerste Moeder Eva”. Adam in Ballingschap vormt met Lucifer en Noah in zekeren zin een triologie.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001