Joost van den Vondel (1587-1679)

ADAM IN BALLINGSCHAP

of Aller Treurspelen Treurspel


AEN DE KUNSTBEMINNENDE HEEREN VADERS VAN HET OUDEMANNENHUIS EN   WEESHUIS, VOORSTANDERS VAN HET RECHT GEBRUICK DER TOONEELSPEELEN. (*)

Nu zal het tooneel met recht gebruick een toestel van boschloof en spelonckschaduwe, naer zijnen oirsprongkelijcken naem schnh (*), eischen, gelyck het van overouts in Griecken, eerst onder herders, die op het lant, in de schaduwe der boomen, hunne veltlieden, om eenen bock, by beurte opzongen, welck zanggebruick allengs van het platte land in de steden overgevoert wert, daer men d’oude Sater (een schimpspel, entlyck afgeschaft) in de  lommer van eene spelonck en laen en prieel, by de springader van eene levendige bron, vertoonde, van welck vertoonen de Nederduitschen den naem van hun tooneel ontleenen, en niet van een tonneel, gelyck of men de speelstellaedje eerst op tonnen boude. Niemant kreucke om dit toestel van het paradystooneel zyn voorhooft, nochte werde out en grys voor den tyt van schrick en verbaestheit; want d’aenschouwer zal geene dertele saters en geile boxvoeten met moedernaeckte nymfen zien huppelen, neen zeker: en om de naeugezetten kort uit den droom te helpen, men zal het paradystooneel zien gebootseerd naer het paradys, van den oppersten en eersten hovenier, in het oosten, aan d’Eufraet geplant, tot een lustprieel, en gezegent verblyf voor Adam en Eva, die hier, in het zuivere gewaet van onnozelheit en Erfrechtvaerdigheit, met engelen, aertsengelen en hemelsche geesten verkeerende, op hunne bruiloft den allerhooghste, die hen te zamen voeghde, eenen hemeldans toedanssen. Toen Lucifer voorheene de Godtheit naer de kroon stack, was het tooneel louter hemel: nu is het enckel paradys, daer d’erfvyant van Godt en het menschelyck geslacht heimelyck uit den afgront opdondert, om d’eerste bruiloftsstaetsi te steuren, door de hofslang, waerom wy met recht mogen roepen:

O peuri, fugite hinc: latet anguis in herba:

O jeugdigh paer, verziet u ras:
De paradysslang schuilt in ’t gras.

Doch het is vergeefs gewaerschuwt: de bezete slang zal het helsche vergift der hoovaerdye in hunne harten schieten, onder deze woorden: Gy zult Goden gelycken, goed en quat weeten; en de vrolycke bruiloftszang wil veranderen in eene droeve rouklaghte, hun geluckzaligh leven, naulyx begonnen, in eene bittere armoede en eeuwige ballingschap, buiten het paradys, en versteecken van de vrucht des levens. Het dochtme niet onstichtigh maer leerachtigh Adams ballingschap, het treurspel aller treurspeelen, tooneelwys t’ ontvouwen, naer het voorbeelt van wylen, onsterflycker gedachtenisse, zijne Exelentie Huigh de Groot, gezant der kroone en koninginne van Sweden, die, naulyx over de grens van Zijne kintsheit getreden, deze stof in Latijn heerlyck aen den dagh broght, en door dit proefstuck zoo vroegh voorspelde wat men namaels te verwachten hadde van hem, wiens naam De Groot zoo loflyck met de daet overeen komt. Indien d’aenschouwers, na het speelen, met een vrolyck hantgeklap eenstemmigh toonen dat hun dit behaegt, zullenwe deze moeite niet qualyck besteet achten, en ondertusschen den kunstminnenden heeren vaderen der godtshuizen het handhaven van ’t recht gebruick der tooneelspeelen, ter eere van stadt en burgerye, bevolen laeten.

Uwe E. E. dienstwillige

  J. v. VONDEL.

 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001