Joost van den Vondel (1587-1679)

Adonias of Rampzalige Kroonzucht.

Aļ. 1661

EERSTE BEDRIJF.

ADONIAS, ABIZAG.

ADONIAS.
De hot van Aron zingt den God der vadren lof:
En rijst Abizag niet, de morgenstar van ít hof
En joffrentimmer, die mijn vader Davids oogen,
Met eene dunne wolk van onderdom betogen,
Nog kon verkwikken, toen zij hem in ít harte scheen,
Het leven langer rekte in dí afgeleefde leÍn,
En ít bloed, in dí ademen bevroren, zacht ontdooide?
Geen morgenglans, ter kimme uitrijzende, bestrooide
Het aanschijn van het Oost met schooner rozeblaÍn,
Gelijk Natuur haar wang. Daar komt die schoonheid aan,
Zoo schoon geschapen, dat een princen hart zou lusten
In haren schoot, vol gloeds, en blanken arm te rusten.
Hoe rijzig munt ze in al dien sleep hofjoffren uit.
De Hemel zetten haast te prijk, aanstaande bruid
En trouwe uw rechte hand aan mijne, o overschoone!
Gij waart den vaderlief, en zijt den ondsten zone
Nog liever. Mij verlangt naar geenen blijder dag
Dan dat ik in uw hart de kroon eens spannen mag.
De Hemel geef het. Och ít gebeurde mij die zegen,
Ik zou het tegens goed noch kronegoud opwegen.
Gij, schoone! belg u niet, noch keer zoo streng en ras
Uw blinkende oogen van den prince Adonias;
De tijd verandert wel der dingen naam en orden:
Gij waart mijn moeder, dat verbiedt u niet te worden
Mijn bedgenoote. zoo het hemelsche geluk
Ons beÓ gewaardige door banden van ťťn juk
Te paren; neen, gewis. Kwaamt gij mijn vier te koelen,
Dat zou mijn vaders geest en asscbe zelfs gevoelen,
Zoo dí overleÍn nog met zijne afkomst is bela‚n.
Ik bidde, luister toch, en blijf een luttel staan.
ABIZAG.
Doorluchtste prins, van God gezegend!
Wat strooit ge zulk een lof voor mij, -
Die nooit van u dus ben bejegend?
Deze eer gaat boven mijn waardij:
Ook lijdt de tijd niet dartle rede
Zoo vroeg te voeren. Het gebeentí
Van uw heer vader rust in vrede.
Ik heb mijne ogen uitgeweend,
Het rouwgewaad pas uitgetogen.
De lijkklacht en het hofgescbrei,
Jeruzalem en ít rijk bewogen.
Het is te vroeg van bruiloftsrei
En bruid en bruiloften te reppen,
Ook leerde vader dag en nacht
Mij lust in Mozesí wetten scheppen;
Dat voegt het vaderlijk geslacht.
Wat leerde ik al verborgenheden
Uit ís konings mond, daar God door sprak!
Toen bij mij ís nachts, op mijn gebeden,
De fakkel van Gods woord ontstak,
Mij wees den wandel der aartsvadren,
En monsterde eeuwen, die voorheen
Verliepen, of van verre nadren,
Daar Jacobs hoop en troost uit scheen.
Hij leerde mij Messias kennen
Uit schaduwen en ommetrek,
Ik zweefde op Cherubijne pennen,
En trad de leeuwen op den nek.
Hij toonde mij de schets des tempels,
Zoo rijkelijk door Salomon
Te bouwen, koor, altaar, en drempels,
En wat geen mensch bedenken kon.
Zijn aandacht heeft mijn geest ontsteken.
Het lust me alleen van God te spreken.
ADONIAS.
Het spreken van Gods recht en wet
Is loffelijk, doch eischt zijn stonden;
Daar staan de priesters aan gebonden,
Die voor ons waken in ít gebed.
Het vrijen eischt ook zijne tijden,
En voegt den jongelingen eerst.
De liefde, die het al beheerscht,
Gebiedt ons in dit veld te strijden.
Zoo gingen al de vaders voor,
En noodden ons hun streek te houden.
Heldinnen, die geslachten bouwden,
Verdagen ons op ít zelve spoor.
Het is mij ernst. Ik hoop u heden
Nog aan te zoeken bij het hof.
O schoone! ít zij met uw verlof;
Och, neig uw oor naar mijn gebeden!
ABIZAG.
Dat is een donderslag in ít oor.
Zou mij de prins ten hove aanzoeken?
Daar komt hij lankzaam tot gehoor.
Bedenk u wel. Leef raad met kloeken.
Verschoon uwe eer en achtbaarbeid:
Uw broeder zoekt u niet te huwen.
En wordt uw aanzoek u ontzeid,
Al ít joffrentimmer zal u schuwen.
ít Verzoeken staat den prince vrij:
Maar kunt ge mij hierin gelooven,
Gij raakt er lichtelijk in hij,
Of kommerlijk dien hoek te boven.
Wie tí ontijd vruchten plukken wil,
Zal ít zwaarlijk naar zijn wensch gelukken
Wat hindert uitstel? Hou u stil:
Ontijdig ooft valt wrang in ít plukken.
ADONIAS.
Betrouwt gij ít ons, men heeft de zaak
Met wijze mannen overwogen,
En raad van aanzien en vermogen.
Gij zijt de liefste, om wie ik blaak.
Men zal dit aanzoek zo beleiden,
Dat ons de bruid niet kan ontstaan.
Wij vangen ít werk niet reukloos aan.
Maar rijp, omzichtig en bescheiden.
ABIZAG.
Wie zijn die raden; meldt ze mij; -
Ziet toe en laat u niet verblinden.
Ga hier een luttel aan een zij;
Wat grondvest heeft dit onderwinden?
ADONIAS.
De groots Aartspriester Abjathar
Met veldheer Joab onderstutte
Mijn huwlijksvoorslag in Gods hutte,
O licht des rijks ít o morgenstar !
Men zal eerst ís konings moeder winnen,
En houden aan bij Berseba;
Zoo kan men, onder baar gen‚,
ít Verzoek aan Salomon beginnen.
De zoon kan zijn vrouw moeder niet
Haar bede ontzeggen en beschamen.
Hoe zou den koning dit betamen,
In ít opgaan van zijn rijksgebied?
ABIZAG.
Gij stut met afgezette machten
En machteloozen raad uw daad. - -
Wat uitkomst staat u hier te wachten,
Indien dit averechts beslaat?
Doch is uw jeugd aldus op trouwen
Verslingerd, ga te keur in ít bot,
En kies de blom uit alle vrouwen.
Een prins als gij ontbrak nooit stof.
ADONIAS.

Mijn vader had u uitgekozen
Uit twalef stammen, waar de zon
Een schoone maagd beschijnen zou;
Gij zijt de bloem van al de rozen.
Verkwik mijn hart met uwen geur,
En zwelg mijn ziel in met de tippen
Van uwen mond en mooie lippen.
Waarom verschiet ge dus uw kleur?
Ik hoop de honiglekkernijen
Uit uwen mond, in uwen schoot,
Te zuigen, daar de min mij noodt.
Ik ga hierop ten hove vrijen.
Daar komt nu dí oude koningin
Ter hutte treden naar Gods outer.
De liefde maakí den minnaar stouter;
De Hemel zegene ons begin!

ABIZAG.

Wat mij belangt, ik sta gelaten
Aan ís konings wil en Sadoks stem
De Hemel zeegne Davids staten
En wake voor Jeruzalem !
Wij zullen ons gehoorzaam dragen
Wat God bebaagt, zal mij behagen.

BEBSEBA, ADONIAS.

BERSEBA.
Adonias, dus vroeg en vierig in het werk,
Abizag het geleÓ gegeven naar de kerk,
En met een morgengroet den kerkgang onderhouden?
Dat ging zou minnelijk, als waart gij ondertrouwden
Of eerst getrouwden, zoo ít mij uit de tralie scheen
Wat luistert gij ze in ít oor, daar zij u spreekt alleen,
Zoo stil aan dí eene zij? Wat broeit hier, twist of vrede?
ADONIAS.

Vrouw moeder ít durf men nood moedig met een bede
Van ver genaken, ík heb een vriendelijk verzoek.

BERSEBA.

Indien gij onraad broeit, zo treffe u vaders vloek.
Laat hooren, wat uw geest ontworpt en heeft begrepen.
Hoe schijnt ge zon verbaasd, al waar het hart benepen?
Uw aangezicht ziet bleek, en kwijnt, als afgevast.

ADONIAS.
De bleekheid is de verf, die eenen minnaar past
Da jongeling, getroost van hartewee te sterven,
Indien hij troosteloos zijn liefste pand moet derven;
Het is de loutre min, dat ik aan ít kwijnen sla.
Mijn leven drijft alleen op hoop van uw gen‚.
Belieft uw majesteit mijn toeleg nu te zeegnen,
Zoo kan mij heden niet dan heil en troost bejeegnen.
ík Verwacht van uwe hand alleen ít gewenschte goed.
BERSEBA.

Gij meent Abizag!

ADONIAS.
                            Recht. Abizag is de gloed,
Daar ít jeugdig hart in blaakt. Die schoonste, uit alle stammen
Voor vader opgezocht, is voÍster van mijn vlammen.
Hetzij ik wake of slape, of nederlegge of sta,
Abizag of haar schijn en schaduw volgt me na.
Zij houdt mijn zinnen met haar schoonheid opgespannen.
Mij lust geen spiegelstrijd, geen poort noch burg te mannen,
Noch met den zwijnspriet het schuimbekkende everzwijn
Te vliegen in den mond, noch, vrolijk bij den wijn,
De bloem der ridderschap met boordevolle schalen,
Op feest- en hofbanket, te toeven en onthalen;
Mij laat Abizag na alleen ten dienst te staan.
BERSEBA.

En wanneer ging die brand in uwen boezem aan?

ADONIAS.
Toen vader overleed en dí ogen had geloken.
BERSEBA.
En wanneer hebt ge haar hier over aangesproken?
ADONIAS.
Eerst daadlijk, nooit voorheen.
BERSEBA.
                                              Waarom zoo lang gebeid?
Waarom niet eer?
ADONIAS.

                           Zij heeft den rouw eerst afgeleid,
Hoewel zij jaren lang dien rouw in ít hart zal dragen,
Tenzij een wederg‚ die smart kome uit te vegen;
Da jammer waarí het, dat ze, in staat van weduwvrouw,
Het leven, dat elk lust, dus eenzaam slijten zou,
En geen afzetsel den nakomeling getuigen
Van zulk een schoonheid, daar zich Engelen voor buigen
Met alle eerbiedigheid, nog nooit bespieglens moÍ.
Hoe dikwijl zwaaide haar mijn hart het wyrook toe,
Als zij ten outer ging, of kwam door ís konings zalen,
Gelijk een lente-zon, het hofgewelf bestralen
Dan eerde kerk en hof haar, als een heiligdom.
Wat oogen had in ít hoofd stond voor die schoonheid stom.
En lag ik dood of blind in dikke duisternissen,
Dat waar mij liever dan haar aanschijn lang te missen.
Vroon moeder ít had u ooit mijn vaders min geraakt,
La troost en helpt den zoon, wiens hart van minne blaakt.
Gij kunt mijn vaders asch nog in het graf verblijden.
Hem stond met machtigen, mij staat alleen te strijden
Om eene schuwe maagd, de zuiverste die leeft,
En daar heer vaders bed getuigenis van geeft.

BERSEBA.
ík Beken, de koning, die dees bedgenoot nooit repte,
Getuigde, dat natuur nooit kuischer schoonheid schepte.
En zulk een diende hem, in zijnen lesten dag,
Tot ís levens onderhoud, daar ze in den arrem lag
Des ouden konden held,. Maar is zij niet manachtig
Eu schuw van huwelijk, hoe valt ge dan dus klachtig?
Een jongeling, als gij, in ít blakendst van zijn jeugd,
Hoeft weder-min, een bruid, die leven schept en vreugd,
Den bruidegom en held in ít veld van min tí ontmoeten,
Den kus met wederkus, een echte schuld, te boeten.
Ontstaat u dit, wat baat es ít liefdelooze schoon?
Eene ongevoeglijkheid. De rozen op de koon
Te krenken, en van haar geen wedergroet te voelen?
En veinst ze min, dat kan oprechte min niet koelen.
Een zoon van David blijf voor geen Abizag staan.
Gij moogt door al het rijk ten kusse en keure gaan.
Of lust het uwe jeugd, de rijksgrens tí oversteigren;
Geen omgelegen vorst zal u zijn dochter weigren,
En broeder uw verzoek inwilligen, indien
Dit zonder Mozesí wet tí ontwijden kan geschiÍn.
Bedenk u liever. Laat uw liefde wat bedaren.
Hij struikelt menigmaal, die haastig voort wil varen.
ADONIAS.
Doorluchtste koningin, naast God, mijn toeverlaat!
Al wie een minnend hart in ít blaken weder-staat,
Die noopt rechtschape min met sporen, helpt ze aan ít hollen.
Men schut geen donderkloot: hij moet ten ende rollen.
Zoo barst een zwangre wolk met vier en bliksem uit.
Mijn leven loopt gevaar, wordt deze drift gestuit.
Gij kent te wel den aard van koning Davids zonen.
Zij volgen vader na, die leven, staat, en kronen
Min schatte dan een schoone en aangename ziel,
En, toen de macht bezweek, nog trek tot vrouwen hiel,
Ja, ít leven onderhiel door levende artsenijen.
Zijn hoogste vreugd bestond in wapenen en vrijen.
Als hij de harpsnaar op de hoogste toonen trekt,
Dan hoort men ít bruiloftslied, Gods wijsheid, zoo bedekt
Met loof en bloemwerk, dat men billijk hem ten prijs zelf;
Het harpgezang begrijpt een overbloemde wijsheid,
Wat andere in den klank, wat anders in den zin;
Zoo hing hij gansch aan een van vrouwenliefde en min;
En schoon Abizag mij bezweek in minneplichten,
Zij kan me uit vaders mond met raad en wijsheid stichten,
Want onze bruske jeugd behoeft een spore en toom,
Om in godvruchtigheid, recht tusschen hoop en schroom,
Voor God te wandelen, en, schuw van ít spoor der boozen,
Te letten, hoe de kwa‚n zich zelfs verreukeloozen.
Had blakende Ammon en staatzuchtige Absolon,
Eer elk van beide blind zijn lasterstuk begon,
Met zulk een raadsvrouw raad geleefd; zij blonken heden
Nog in hun vollen glans, gediend en aangebeden;
En nooit had ik voorheen ís rijks erfgenaam, uw zoon,
Den recht gewettigden, zo reukloos naar de kroon
Gestoken, dat hij ons genadig heeft vergeven;
Dies houde ik na, naast God, van hem alleen mijn leven
Te leene, en wensch dien dag te leven, dat ik dit
Nog eens verdienen mag, Ik toone u ít zuiver wit,
Waarop mijn minne mikt. Och, of men ít mocht beschieten!
Dat waar nog eens van hem het levenslicht genieten.
BERSEBA.

Wat eischt ge Abizag van uw moeder tot een bruid?
Dit hangt aan mijnen zoon en ít koninklijk besluit.
Ga, spreek den koning zelf, uw noodhulp en uw broeder.

ADONIAS.

Helaas! mijn aard is bloŰ. De voorspraak van de moeder
Vermag dit op den zoon, die Zijne moeder eert.
De Hemel heeft het rijk van mij op hem gekeerd;
Schoon mij de rijkskroon van dan Hemel scheen beschoren;
Want ik, na Absolon, was dí oudste en eerstgeboren;
Waarom al ít stamhuis op het wettig kroonrecht zag,
Toen elk mij toeviel. Na bij onderling verdrag
En ít hemelsche beleid en vaderlijk begeeren,
Bezweren met een eed, de jongste moet regeeren,
Zoo buigen wij ons hoofd gewillig onder hem,
En smeeken u : verwerf, dat broeder toch zijn stem
Verleene op uwe bede, en mij Abizag schenke,
Gelijk een pand, waarbij ik zijn gen‚ gedenke.
Wat is ter wereld, dat een zoon in dit geval
De moeder, hem zoo hoog bevolen, weigren zal?
Stemt uw en mijn verzoek in billijkheid te zamen,
Gij zult mijn bed, noch hij uw vorbeÍ, niet beschamen.

BERSEBA.

Abizag minne ik met een moederlijk gemoed.
Zí is waardig uitbesteed aan ít koninklijke bloed.
Een die den vader minde en onderhiel in ít leven,
Zal Davids trouwen zone in trouwe niet begeven.
ík Verwachte uit haren scboot een zoon ten steun van ít rijk,
Die zijn grootvader in geen dapperheid bezwijkí.
Adonias! ík beloove uw woord ten hoof te houden.
Mijn zoon heeft uw vergrijp van harte kwijt geschonden.
Volhard standvastig en getrouw tot ís levens end.
Gij weet, boe bij zich kwetst, die majesteiten schendt.
Abizag zal u niet dan loutre deugd inscherpen,
En leenen, hoe men zich de kroon moet onderwerpen.
Wij gaan ten berg op God aanbidden veur het koor;
Belieft het u, bekleÍ mijn zijde op ít heilig spoor.

REI VAN HOFJOFFEREN.
ZANG.

Hoewel wij ít rouwkleed nederleÓden,
En maanden lang, op Davids lijk,
ít Verlies des genoten held, beschreiden,
Met al de vromen van bot rijk;
Nog dragen wij den mouw in ít harte.
De mouw hangt allerminst in ít kleed.
Den nadruk voelen wij met smarte
En al te bitter harteleed.
De weezen missen hunnen vader,
De weeŻwen haren man en voogd. -
De tranen vloeyen uit eene ader
En bron van droefheid, nooit verdroogd,
Bij zonneschijn en bij het maanlicht.
De held is meer dan tranen waard.
De druk zet krenken in ons aanzicht.
De jonkvrouw schijnt te vroeg bejaard.
Al leert de reden rouw ontwennen;
Het geeft ons dankbaar hart te kennen.

TEGENZANG.

Met reden eeren wij hem dankbaar,
Die zooveel strijds heeft doorgestreÍn,
En steile~n, woest en onbegankbaar,
Met zure trappen opgetreÍn.
Zoo wij van Goliath beginnen,
Tot dat hij oud met lijfsgevaar
Reus Isbibenob holp verwinnen,
Al viel het harrenas te zwaar -
Den bevenden en afgeleefden;
Wie kon hem volgen, tocht op tocht,
Daar zoo veel brave mannen sneefden?
Wat rampen liet bij onbezocht?
Uit vrees van al zijne eer te dooven
Most zelfde krijgsraad hem gebiÍn,
Die lang alle afgunst was te boven,
Te rusten, om gevaar te vliÍn:
Een minder zou het rijk beschermen.
Toen viel hij in Abizags armen.

TOEZANG.

Abizag heeft al ít rijk verplicht,
Toen dí Alleropperste gehengde,
Dat zij den held met haar gezicht
Bestraalde, en ít leven nog verlengde,
Uit loutre liefde, niet uit lust
Tot wellust. Zoo de nazaat weder
Die schoonheid, waard van hem gekust, Vergold, en uit den rijkstrone neder
Kwam dalen, om haar aan zijn zij
Te zetten zeker zí is het waardig,
Maar ít huwlijk hachelijk; en wij,
Tot ís jongen konings diens wilvaardig,
Begroeten hem, op ís vaders graf.
De Hemel handhaaví Jesses staf.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001