Joost van den Vondel (1587-1679)

Adonias of Rampzalige Kroonzucht.

TWEEDE BEDRIJF.

A. 1661

ABJATHA., JOAB, ADONIAS..

ABJATHAR.

Zaagt gij Adonias, met Berseba, den drempel
Opklimmen, en hoe hij opwachtte in Arons tempel
Met alle eerbiedigheid?

JOAB

                                    Eerwaardigste Abjathar!
Ik zeg d opgaande zon de heldre morgenstar
Abizag volgen, en de koningin geleiden.

ABJATHAR.
Wat doelt Heer Joab?
JOAB

                                 Zij betoonde hem in t scheiden
Een openhartig hart. Hij dankte haar, gelijk
Een zoon van David voegt, die, d Opperste van t rijk,
Des konings moeder eert, en troost wacht op zijn bede
Daar komt de prins nu zelf.

ABJATHAR.

                                           Wat tijding brengt ge mede?

ADONIAS.
De kans is eerst gewaagd met een benauwden geest,
Het hart klopte in mijn lijf. Zij zag, ik was bedeesd,
En hoe het aangezicht van angst zijn doodverf zette.
Dat gaf wat acbterdochts. Zij vraagde, wat mij lette;
Maar ik bewimpelde mijn bleekheid met de min,
En kreeg gehoor, zij nam bef aanzoek gunstig in;
De koningin beloofde in t end mijn woord te houden.
ABJATHAR.

Dat s d eerste grondsteen, daar wij t werk op bouwen zouden.
Houdt zij uw woord ten hove, ik zie es bruidegom
En alle ons vijanden voor zulk een huwlijk stom.

ADONIAS.

De koning zal het eerst met hofran overleggen;
Hier hebben Benajas en Sadok in te zeggen,
En Natan boven al, dies wenscht me geen geluk;
Zij zullen niet zoo licht tot dit gewichtig stuk
Hun stem verleenen, maar den vollen raad eerst hooren.
Zoo dat gebeurt, is eerst de zwarigheid geboren;
Want dit besluit zal dan aan alle stammen staan.

ABJATHAR.
Die zijn Adonias in t kroonrecht toegedaan.
Dat bleek, toen, in den drang en t juichen van de troepen,
Gij met bazuingescbal zoo trotsch wierdt uitgeroepen
Voor erfgenaam des rijks, en zelf bij vaders tijd,
Die t kommerlijk belette; en nu bij dood is, slijt
De gunst tot Salomon, te wulpsch en jong van jaren.
ADONIAS.
De wapens kunnen hem handhaven en bewaren.
JOAB.

Wat baten wapens, zou al t volk hier tegens kraait?
Urias moord roept wraak; dat bloed is niet gepaaid;
Al stutte vaders hals dien ingedrongen basterd,
Een over-speelsters zoon; hij wordt van elk gelasterd.
Het eerstgeboorterecht ontstaat u nimmermeer,
En wettigt u vooruit tot koning en landsheer.
Toen vader zijdeloos den toom der staten mende,
De deugd ten hove haalde, en haar verdiensten kende,
Stond Abjathar en ik in eere aan zijne zij;
Maar toen bij Amaza met s rijks veldheerschappij,
Zoo trouw van mij bekleed, beloofde in top te zetten,
En Abjathar van t boek, dat Arons dienst en wetten -
Bewaart, versteken woude, om Sadok in zijn plaats
Te wijden, konden wij, gekwetst door zoo veel smaads,
Niet laten, t recht aan u, den oudsten zoon, te geven;
Doch niet als Absolon, die bij zijn vaders leven
Ten troon dorst klimmen, en hem stout naar t leven stond.

ABJATHAR.

Dat s recht, en hierop rust ons onderling verbond,
Zon gij standvastig tijd en luimen kunt verbeiden.
Gelukt dit huwelijk, het kan den weg bereiden
Ter krone; want zoo ras Abizag uwe hand
Zal trouwen, wint uw recht meer velds door t gansche land,
Naardien geen ander dan de koning s konings vrouwen
En weewen, naar den stijl van Azi, mag trouwen.

ADONIAS.

En zouden Salomon, de moeder, en de staat
Niet rieken, dat hier broedt een heimelijk verraad?

ABJATHAR.

Verraad is glimpelijk te werke gaan door lagen;
Nu schuwt men achterdocht met orelof te vragen.

ADONIAS.

Het vragen staat ons vrij, maar t weigeren hier bij.

JOAB.

Gij wont alre de gunst van moeder op uw zij,
Dat s meer dan t halve rijk, en zonder last, gewonnen.

ADONIAS.

Het is gerokkend, maar, helaas! niet afgesponnen.

ABJATHAR.
Hoe nu, bezwijkt een zoon van David in t begin?
ADONIAS.

k Bezwijk nog niet, maar zie t gevaar wat dieper in.

JOAB.

Indien t geweigerd wordt, men laat het tijdig steken.

ADONIAS.
En barst het uit?
JOAB.

                          Dit lijdt geen last om uit te breken.

ADONIAS.
Zoo t huwelijk gelukt, hoe lange dan getoefd?
ABJATHAR.
De tijd zal leeren. Eerst uwe eer in top geschroefd.
ADONIAS.

Waarme?

JOAB.
               Men hoeft geweer, noch volk, noch harrenassen;
Uw aanzien zal allengs opsteigeren, en wassen
Den koning over t hoofd, eer t iemand droome of waan
Dan zal het zeil des rijks van zelf voort overslaan.
ADONIAS.
Ik durf me, tusschen vrees en hoop, dit niet beloven.
JOAB.
Men zeilt eerst scherp, daarna heel ruim den hoek te hoven.
Zoo krijgt men, recht voor wind, de loef van zijn partij.
Aldus legt Salomon, eer hij ontwake, in lij.
ADONIAS.
Ik noodigde op dees hoop mijn brors ter offerstacie,
Als vaders erfgenaam; maar d aanslag bleef, eilacie!
Zoo plotsling steken, als men moedig t werk begon.
Dit gaf een opgang aan den kleenen Salomon,
Gezalfd door vaders last; en ik, die t hof dorst tergen,
Kon aan den vrijburg van t altaar mijn lijf nauw bergen.
ABJATHAR.
Die misslag leert ons, dat men na wat verder ziet.
JOAB.
Wie niet durf wagen, als het tijd is, wint ook niet;
Uw vader dorst den hals om s konings dochter wagen.
Wie niet durf wagen, is niet waard een kroon te dragen;
Zij wordt es nu met kans en voordeel aangebon.
ADONIAS.

Hier dreigt me t zwaard, en daar bekoort me vaders kroon:
Gewogen in een schaal, aan t overslaan zal t hangen.

ABJATHAR.
Men kan een prins hierom berichten nochte vangen,
Die naar een huwelijk met s konings kennis staat.
ADONIAS.

Naar s konings bedgenoot?

ABJATHAR.
                                           Hij sla het af, is t kwaad.
ADONIAS.
Ik schroom, hem achterdocht door dit verzoek te geven.
JOAB.
Zou t hij de moeder slechts eenvouwig wordt gedreven,
Hoe kan de zoon dees bed haar weigeren met glimp?
Een koning stelt niet licht zijn moeders woord ten schimp.
Men zal haast merken, hoe dit kluwen af wil loopen.
Mij dunkt van ver, daar gaat de gulde hof poort open.
Laat ons vertrekken in de Hutte, eer t iemand zie,
Het kan slechts hindren, zoo men ons gesprek bespie.
De koning gaat ten troon, bestuwd van alle grooten.
De stammevaders en doorluchtste raadgenooten
Verschijnen voor het Hof, en vallen hem te voet,
Uit oodmoed en ontzag. Zij wenschen heil en spoed
Aan Davids nazaat met den intrede in Gods rijken.
Het is geran, dat wij, verschovelingen, wijken.
De moeder zal terstond ter hofzale innetren,
Om, u ten dienst, den zoon te winnen met geben.

SALOMON, BERSEBA.

SALOMON.
Gij, stammevaders en tijksamptenaars en heeren,
Die Davids nazaat elk uw gaven komt vereeren,
k Zal uw milddadigheid erkennen, vroom en trouw,
In t rijk, dat ik van God alleen te leene ho,
Die vader met een eed verzekerde te voren,
Dat mij de heerschappij van boven was beschoren,
En ik, zijn naam ten prijs, inwijden zonde een kerk,
Een goddelijk gebouw en werelds wonderwerk,
Om Arons heiligdom, dus lange met tapijten
Beschaduwd, diep in goud te zetten, daar Levijten
En priesters wyrooken en offren dag en nacht,
Een ieder op zijn beurten toebetrouwde wacht.
De Godheid is bij nacht ons in den droom verschenen
En hemelsch licht, waarvoor de schaduwen verdwenen.
Zij bood ons rijkdom, eer, en eene lange rij
Van blijde jaren, en veel zegen aan; maar wij
Verkozen wijsheid, om dit rijk en zulk een zegen,
Door vaders wapens en grootdadigheid verkregen,
In staat te houden, en door kloek en wijs beleid
Het volk, Gods eigendom, naar recht en billijkheid
Te stieren. Handhaaft dan mijn wettigheid, als braven.
Gij schatbewaarders! komt, ontvangt deze rijke gaven,
En bergt ze in t schatkoor, tot eene erfgedachtenis,
Hoe Davids erfgenaam in hen gehouden is.
Daar komt Vrouw moeder, om de Majesteit te groeten.
Vertrekt, belieft het u; het voegt me, haar t ontmoeten.
Hofdienaars! brengt een stoel; zij komt ons nader bij.
Geluk, Vrouw moeder! koom, zit hier aan onze zij.
Den staf van Juda, uit den Hemel ons gegeven,
Aanvaarde ik liever, nu, nog hij Vrouw moeders leven,
Dit lot ons toeviel. k Wensch u eeuwig onderdaan
Naast God, den Oppersten, getrouw ten dienst te staan.
Wat eischt ge van den zoon, alre zou hoog aan t steigren?
Wat zoude een zoon, als ik, zijn moeder kunnen weigren,
Die mij te- wereld brocht en opvoedde, om gewijd
Te triomfeeren, als geen voor noch na mijn tijd?
BERSEBA.
O zoon! wat is t me een troost, dat ge, op den troon gezeten,
Uw moeder, Davids weeuw, den lijkrouw helpt vergeten,
En haar godvruchtig eert! O, eerst opgaande zon!
Wat heeft me David niet beloofd van Salomon!
Zoo God in u voltrekt de schets der profecijen,
Gij zult de palen van uw rijk en heerschappijen
Uitbreiden van den Nijl nog hooger dan d Eufraat.
Wat sluyerkronen voert, begint naar uwen staat
En opgang om te zien, en worpt zich voor u neder.
De God te Sion, op de Cherubijneveder
Der bondkist zwevende, verhoore altijd uw be!
Een rijke goudvloot vloeyen toe van overzee!
De Hemel bouwe uw hof, verheffe uw stem en muren,
Verbinde u door een gade aan machtige geburen,
Den vromen tot een stut, den boozen tot ontzag,
En schenke u vrede, en meer dan moeders wensch vermag.
SALOMON.
Getrouwe moeder! is uw zoon die zegen waardig,
Gebi me wat de kroon vermag; ik sta wilvaardig,
En zwere heilig bij den God, die eeuwig leeft,
En Abrabams geslacht in ons verheerlijkt heeft,
Naar zijn belofte en eed, te stemmen uw begeeren.
De Hoogste sta getuige, en hoore wat wij zweren.
Genaak me, en raak hierop den koninklijken staf.
BERSEBA.

Zoo sla dan mijn verzoek, een kleene be, niet af.

SALOMON.
Hoe luidt het? k Zal mijn woord voltrekken naar t betamen,
En wil het aanschijn van Vrouw moeder niet beschamen.
BERSEBA.
k Verzoeke Abizag voor Adonias, naardien
Dit, zonder uwe kroon t ontluistren, kan geschin.
Gedenk, hij is uw vleeseh en bloed, uw eigen broeder.
Hij nadert u van ver door voorbe van uw moeder.
Hoe nu, mijn zoon? Hoe dus? Ontstelt u mijn verzoek?
k Genaak den troon geensins opdat men u verkloek.
Vergun hem dezen troost, in t blakendst van zijn minne.
De schoone stralen van uw vaders bedvriendinmme
Doorprikkelen het hart, bijkans ter dood gewond;
Hij zoekt gehoorzaamheid uit haren wijzen mond
Te leeren, en te staan in t broederlijk behagen.
Dit blijkt: de broeder wo niet zonder raad te vragen
Aan zijn Heer broeder, vast gesteld in t hoog bezit,
Dit stuk beginnen, om zoo loffelijk een wit
Te treffen. Ai, verleen hem uw genadige ooren!
Hoe laag vernedert zich uw vaders oudstgeboren!
SALOMON.
Vrouw moeder! hoe bedroeft ge uw zoon met dezen eisch!
BERSEBA.

De Hemel straf me, zoeke ik anders iet dan pais.

SALOMON.
Onnoozle tortelduif! helaas, gij spreekt eenvuldig.
BERSEBA.

De koning ho me vrij onnoozel en onschuldig!

SALOMON.
Maar t voegt den koning eerst te waken op den troon.
Wat eischt ge, Abizag? Eisch ten bruidschat deze kroon
Met vaders schoone bruid al teffens. Blinde moeder!
Is niet Adonias, mijn oudste en grootste broeder,
Gewettigd tot het rijk, indien natuur de wet
Der erfgenaamschap stelt, de vrucht van t eerste bed
Den rijksstaf opdraagt, en den jongsten zoon vernedert?
Al t stamhuis weet dit, dat hem onlangs aanhing. Sedert
Hoeft d uitkomsten mijn recht en wettigbeid getoond,
Daar Natan, door Gods last en vaders last, mij kroont
En zalft en innewijdt, en nog bij vaders leven,
Om dien werspanneling geen voet in t rijk te geven.
BERSEBA.

Wat kan Adonias, nu hem de macht ontbreekt?

SALOMON.
Och, moeder! riekt ge nog de lagen niet? Hij kweekt
Eene adder, die verwarmd hem t hart haast af zal steken.
Abizag zoekt bij minst, maar al zijn leed te wreken,
En, onder huwlijks schijn, mij listig onder t zwaard
Te kruipen; maar bij wet met dien geveinsden aard
Het slagzwaard, dat hem dreigt den wissen slag te geven,
Hij brengt zich heden los om goed en bloed en leven.
Aartspriester Abjathar met veldheer Joab kant
Zich weder tegens ons. Zij vliegen van zijn band,
En vlammen op den roof, als afgerechte valken;
Zij willen door de schoone Abizag mij verschalken.
Deze is de brandpop, om in eenen oogenblik
Dien brand te stichten door al t koninkrijk; maar ik
Zweer tijdig, t smeulend vier met luttel bloeds te blusschen.
Abizag mag voor t jongst het gapend hoofd dan kussen
Van haren bruidegom Adonias.
BERSEBA.
                                                Verschoon
Dien schoonen jongeling.
SALOMON.
                                        k Vermag t niet, bij mijn kroon,
Doch zal het halsrecht niet uitwerken door den Satan,
Maar vragen eerst Gods mond om raad. Men roepe Natan,
Den heiligen profeet, en t hoofd van Arons Hut,
Aartspriester Sadok, die de Heiligdommen stut.
Behaagt het moeder, laat dit oordeel ons bevolen.
Wie God om raad vraagt, kan in t halsgerecht niet dolen.

SADOK, NATAN, SALOMON

SADOK.
De God van Abrabam behoede Davids zoon!
NATAN.
Dezelve handhaav d eer van Jesse bij de kroon!
SADOK.
Hij legere eens wacht van Englen om zijn staten!
NATAN.
Hij dempe erfvijanden, die Sions opgang baten!
SALOMON.
Aartspriester Sadok en gij, heilige protest!
Gebeimran van het rijk, die beide uw wacht bekleedt,
Ten dienst des konings en tot heil der onderzaten,
Wij mogen ons, naast God, op uwe wacht verlaten,
Als andren weifelen en wanklen in hun trouw.
Pylaren van dit hof en heerlijk hoofdgebouw
Der koninkrijken, ons door Gods gen beschoren,
Wij vonden raadzaam en hoog noodig, u te hooren.
Adonias verzoekt Abizag tot een bruid
Door moeders voorbe. Laat ons hooren uw besluit
SADOK.

Verzoekt Adonias Abizag door uw moeder?

SALOMON.
Gij hoort, wat bij verzoekt.
NATAN.
                                          D Alziende zij de Hoeder
Van uwe Majesteit, uit s Hemels hoogen trans!
SADOK.
Dat is een werk van een gevarelijke kans.
NATAN.
Hoe, durf Adonias den leeuw van Juda wekken?
SADOK.
Hij treedt op kool en asch, die smeulend vier bedekken.
NATAN.

Laat hem uw tanden zien. Waak op, o Salomon!

SADOK.

Hier smeult een oproer van den tweeden Absolon.

NATAN.

Een tweede Seba trekt het stamhuis op zijn zijde.

SADOK.
Men dempe t oproer, eer het uitberst.
NATAN.
                                                          Recht, men snijde
Die slang van Bichri wer het hoofd af tot ontzag.
SALOMON.
Men onderzoeke eerst, wat de kroon verdragen mag:
Zoo wordt het halsrecht best onschuldigd en verdadigd.
NATAN.
Gij en uw vader hebt hem onlangs begenadigd,
En uw genade wordt dus lasterlijk gehoond.
SADOK.

Het oproer wordt gesterkt, zoo t halsrecht dit verschoont.

SALOMON.
Wij overwegen t vast, en luistren met gedachten
Ook naar den naklank, op dit halsgerecht te wachten.
SADOK.
De wijze koning, die rechtvaardig loont en straft,
Bekreunt zich luttel, zoo een hond hier tegens blaft.
NATAN.
Wie billijk loont en straft, zal t nimmer zich ontdanken.
SALOMON.
Een billijk koning schuwt ook lasterlijke klanken;
De broeder moet hier voor zijn broeder staan te recht.
SADOK.
Het kroonrecht kent geen bloed, neen zeker; het beslecht
Dit ongelijk door t zwaard. Wat valt hier lang te pleiten?
Adonias kwetst Gods en s konings majesteiten.
SALOMON.
Hoe blijkt dit? Hij verzoekt, indien het ons behaagt,
Zijn vaders weeuw ten echte, eene ongerepte maagd.
NATAN.
En trouwt hij s konings weeuw, dan is hij daadlijk koning.
Aartspriester Ahjathar zal t zalven, en de kroning
Met oliehoorne en kroon voltrekken naar den eisch.
Als Joabs dagen hem dan voert in uw paleis,
Zoo staat Adonias geen Salomon te duchten;
Die bergt zijn leven, kan hij nog ten rijke uit vluchten.
SADOK.
Al t Priesterdom, rondom en in Jeruzalem,
Hangt nog san Abjathars, gelijk aan Arons stem.
Al d oude krijgslin, die veel jaren met genoegen,
Ten dienst van vader, t zwaard in Joabs krijgseed droegen,
Zien naar den veldheer om. Zij beide, aan dit verraad
Verknocht, getuigen, hoe twee pijlers van den Staat,
De Godsdienst en het zwaard, uw broeders aanslag stutten.
Men moet dan springvloed, een die inbreek, tijdig schutten,
Of anders is t te sp.
NATAN.
                                Gij weet, hoe Isbozeth,
De zoon van Saul snel door Abners veldtrompet
In t leger werd gevoerd en koning uitgeroepen,
Schoon Juda vader zalfde en aanhad met zijn troepen;
Zijn rijk hield jaren stand, zoo pal gelijk een post,
Eer al het stamhuis wierd van dat geweld verlost,
Niet zonder stroomen bloeds Godsjammerlijk te storten;
Dies waak bij tijds, wilt gij ie zelven niet verkorten.
SALOMON.
Heer vader dempte lest zijn schoonvars overschot,
De zeven broeders, en niet zonder raad van God,
Ten zoen van Gabaon, om hongersnood te keeren,
Een scherp tweesnedig zwaard. Hij kon het recht verweren
Met Gods orakels; nog ontging men d opspraak niet,
Zoo lasterlijk gestrooid door al het rijksgebied,
Als of de wraaklust zocht dat gruwelijk verdoemen
Met Gods orakelen te dekken en verbloemen;
Geensins genoegt, dat hij al Sauls erf bezat,
Ten waar men t overschot nog voort de borst intrad.
SADOK.
Uw vader vond zich zelf gerust in t vroom geweten.
SALOMON.
Een koning is ten toon op zijnen troon gezeten,
Als op een hoog tooneel, daar elk hem ziet en hoort;
Rechtvaardig halsgerecht wordt met een vlak van moord
Geschandvlakt, zon daar iet met glimp valle op te spreken.
Hier worstelt bloed met bloed. Men mag op schijnbaar teeken
Geen vonnis vellen, daar de reden tegens pleit.
NATAN.
Waar t minste blijk is van gekwetste majeateit
Verschoont men niemands schuld. Wordt hier te kort geschoten,
Zoo wordt door slapheid haast een zee vol bloeds vergoten,
Dat door gestrengheid met een druppel blijft geboet.
De kroonzucht schimpt niet, ziet noch God aan, noch haar bloed.
SALOMON.

Wat wordt dit hart beklemd, genepen als met schroeven!
God weet, hoe noode ik mijn heer broeder zou bedroeven,
Zoo noode als vader dien verstokten Absolon.

SADOK.
Uw vader stopte met dat heilloos lijk een bron
Van jammeren en bloed, voor hem en t rijk te vreezen.
Die geest is weder in Adonias verrezen;
Dees gaat zijn broeders gang, in schoonheid hem gelijk,
Wint gunst, en spant de kroon in t harte van uw rijk;
Om tegens vaders kroon zich met geweld te kanten,
Bestuwde hem een wacht van vijftig lijftrouwanten.
Hij stelde een ridderschap en veel strijdwagens toe,
Terwijl heer vader sliep, te luttel op zijn ho.
Aartspriester Abjathar en veldheer Joab strekten
Slagpennen aan zijn wiek. Zij mompelden, en dekten
Hun godloos opzet, dat kwam op een onwer uit,
Toen elk ten offer liep, op schel bazuingeluid.
Nu popt men listig met Abizaga feestbanketten,
Om onder bruiloftsschijn, met klinkende trompetten,
Dien bruidegom de kroon te spannen om het hoofd.
SALOMON.
Hij treurt, van inkomste en staatmiddelen beroofd;
Zijn armen vallen kort, om zulk een last t omvatten.
NATAN.
De milde Abizag, rijk van koninklijke schatten,
Indien ze hem ontvange in haren glonden schoot,
Sluit geen trezoren voor haar liefste in hoogen nood.
SALOMON.
Die zuivre maagd werd nooit van hoveling besproken.
Zij heeft Heer vaders mond en oogen zelf geloken.
Hoe zou ze trouweloos zijn afkomst nu verran?
SADOK.

Men mag op liefde van een wankle vrouw niet staan,
Daar t koninkrijken scheelt te winnen of ontberen,
En de oudste billijker den jongaten zou regeeren,
Naar eisch en reden van natuur en hare wet.
De koning hoort wel, wat men mompelt van dit bed,
Waaruit hij voortkwam, en hoe vader hij zijn leven,
Niet zonder opspraak, u ten troon heeft opgeheven.
De grondslag van uw staat, nog onbestorven, lijdt
Den minsten aanstoot niet, en eischt gewis meer tijd
Om zich te zetten, en begroeyen tegens t razen
Der dwerrelwinden, die uit twalef hoeken blazen,
En torens scheuren van hun taayen wortel af.

SALOMON.
Och, mocht heer vader zelf eens opzien uit zijn graf,
En ik, in dezen schijn, nog raad bij hem gaan zoeken!
NATAN.
Ho u gewaarschuwd; laat uw wijsheid niet verkloeken.
SALOMON.
Ik wil godvruchtig mij hierop met God beran,
En uitzien, hoe men best alle opspraak mag ontgaan.
REI.
ZANG.

Wat is er nu op handen?
Wat mompelt het paleis?
Adonias, aan t branden,
Verzoekt, met s konings peis,
Abizags hand te trouwen.
Hoe wil dees be beslaan?
Die bloem van alle vrouwen,
Veel waardiger te staan
In Salomons genade,
Is eenen prins te rijk
En schoon. Hij biedt haar schade.
Zij zal dat huwelijk
Ontzeggen, zoo verschooning
Ten hove gelden mag.
Z is tegens eenen koning
En koninklijk gezag,
Van God zou schoon geschapen,
En waard in t vlakke veld
Gehaald door zwaard en wapen;
Als Jesses zoon, Gods held,
Om Sauls dochter slachtte
Den grooten Filistijn,
Die Jacobs heer verachtte.
Wie zal baar brugom zijn?

TEGENZANG.

Gevalt ze s konings oogen,
Zoo schiet de prins te kort;
De kroon kan niet gedoogen,
Dat hij verheven wordt.
De jongste lijdt geen ouder,
Die zulk een aanhang had,
En onlangs met de schouder
Der koninklijke stad
Ten toon werd omgedragen,
Op d algemeene stem
En Abjathars behagen.
Indien Jeruzalem
Deze eere mocht gebeuren,
Dat zij, te prijk gezet,
Getoond met ope deuren
Als bruid, de minnewet
Aan Salomon mocht geven;
Wat zouden wij aan haar
Al vreugd en troost beleven!
Zij zoude jaar op jaar
Het hof met zonen zeegnen.
Daar s grootvars kroost in blonk!
Wat zou t een goudeeuw reegnen!
Jeruzalem werd jongk.

TOEZANG.

Keer, o zorg des Albehoeders!
Dat de schoone Abizag niet,
Door naijver van gebroeders,
Stof beselle tot verdriet
Van getrouwe burgerijen.
Heel genoegd aan t schepterlot,
Dat, voor Davids overlijen,
Salomon is toegevallen,
Uit den rijken schoot van God,
Die geene oude schat noch kent.
D Opperwijsheid trof haar end.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001