Joost van den Vondel (1587-1679)

Adonias of Rampzalige Kroonzucht.

Aļ. 1661

DERDE BEDRIJF.

ABIZAG. BEBSEBA.

ABIZAG.
ík Heb ís konings oogen, tot mijn droefheid, eerst geloken,
En word ten hove alreÍ gelasterd en besproken,
Alsof ik weifelde, en, lichtvaardig in mijn trouw,
Den prins Adonias ten trone opvoeren woŻ,
Waaruit hij onlangs van de trappen neÍr kwam storten.
Zoo durf men reukeloos mijn naam en faam verkorten,
En storen ít nieuwe rijk des zoons op ís vaders graf;
Maar al deze opspraak zal verdwijnen, als het kaf
Voor ít stuiven van den wind, koom ik gehoor te krijgen.
Men kon met glimpen een onnoozle maagd betijgen,
Niet overtuigen; doch eer ít lasteren geloof
Ten hove wint, en groeit, wordt mij gera‚n, ten hoof
Te klagen, en in ít licht dit ongelijk te toonen.
Ten minste mag mijn klachte Adonias verschoonen
En vrijen voor gevaar, uit zulk een lasterstuk
Te schromen; want hij, droef van ít koninklijk geluk
Misdeeld, en niet gekend voor ís vaders eerstgeboren,
Behoorde, zonder schuld, in zijn Heer broeders tooren,
Hem al te machtig, niet te sneuvelen, gelijk
Een, die zich met verraad indringen wil in ít rijk.
Daar komt de koningin; het voegt me, haar tí ontmoeten,
En driewerf uit ontzag eerbiediglijk te groeten:
De Hemel zegene de groots koningin!
De Godheid zegene, van ís hemels hooge tin,
Des konings moeder, dat zij lang gelukkig leve,
En niemand ongestraft haar opgang tegenstreve!
BERSEBA.

Abizag! spruit uw wensch uit een oprecht gemoed,
En stemt die met uw hart, verwacht van ons al ít goed,
Dat ís konings kroon vermag; maar spruit ze uit een geweten,
Ten wederspannigheid en schalk bedrog bezeten,
Zoo treffe een vloek uw hoofd, en drijve u uit het hof!

ABIZAG.
Genade, o koningin! wanneer gaf ik u stof
Tot ongenoegen? Wat verleider zaait mistrouwen
En onmin tusschen ons? Kon ooit de zon aanschouwen
Twee eveneensgezinde als wij, die in den arm
Van eenen koning korts noch lagen zacht en warm,
Hem hielden lijf en ziel aaneen door minzaam paren,
En schutten, wat zijn hart kon kwetsen en bezwaren
En onderdrukken, in dien zwakken ouderdom.
Wij stutten elk hem, als een vierige kolom,
En vingen, toen hij storf den adem, met de tippen
Van onzen rooden mond en liefelijke lippen.
ík Heb hem ten uitersten onscheÓbaar bijgestaan:
En komt dus plotsling uw betrouwen om te slaan?
Gij mocht uw hart alleen Abizag toebetrouwen.
Geen koninginnen, geen van al des konings vrouwen
Verdienden eens gen‚ ten hove; en zoudt ge nu
Haar aanzien met den nek, afkeerig, stuur, en schuw?
Dat hoede God! dat durf, dat wil ik nimmer hopen!
Mijn hart, dit zuiver hart (God weet het!) staat nog open
Alleen voor Berseba; gunt gij een ander ít oor,
Zoo gun genadig uwe Abizag ook gehoor,
Eer gij haar, ongehoord en tegens recht en reden,
Beticht. Dat voegt het Hof en hoffelijke zeden.
BERSEBA.
Geveinsde! waant ge dus uw schande tí overkleÍn?
Hoe schoon gij ít kwaad vermomt, men ziet door ít mommen heen.
Woudt gij met ís koniugs zoon op dit beding verzamen?
En most men heden mij voor mijnen zoon beschamen
Door dí eerste voorbede, en uit huwlijks verzoek?
Gij waart mij, simple duif! in ít veinzen veel te kloek;
Maar veins uit al uw macht, en vlam op dertig rijken,
Gij zult, als konings bruid, met geene rijkskroon prijken.
Den prins Adonias zal ít eeuwig touwen, om
Dat hij ter sluik dien weg naar Davids troon opklom.
De boosheid wordt een pot ís bedekt met schoone glimpen,
Maar meldt den meester haast. Men mag geen tweewerf schimpen
Met majesteiten. Neen, hij worstelt tegens God,
Wie tegens ís Hemels wil en uitgedrukt verbod
ít Gezalfde en wettig hoofd haar Zijne kroon durf steken.
ABIZAG.
Genadigste! gedoog, dat wij een luttel spreken
Voor onze onnoozelheid, en neem zoo lang geduld.
BERSEBA.

Onnoozel zijt ge niet

ABIZAG.

                                 Gij zult de minste schuld
Bij ons niet vinden, schoon hier schuld in wordt gevonden.

BERSEBA.

Ik weet Adonias heeft zich niet onderwonden
U aan te zetten, of gij droegt er kennis af.

ABIZAG.
Dat ís waar, hij meldde ít mij in ít henegaan. Ik gaf
Mijn oordeel op dien eisch, en ried den held getrouwelijk,
Zoo kort na vaders dood, ontijdig van geen houwelijk
Te reppen; een verzoek, dat langzaam zou beslaan.
Maar lichter kan men minne een jongeling ontra‚n,
Dan minnaars, heet van gloed, intoomen en regeeren,
De liefde wil te noŰ ít geliefde pand ontberen.
BERSEBA.

Dat gij met schijn van ernst hem ít huwelijk ontried,
Stak ít vier in ís minnaars hart. ík Geloof u verder niet,
Zag door de tralie, toen gij gingt naar Arons kooren,
Wat hij u heimelijk toeluisterde in uwe ooren.

ABIZAG.

Mevrouw! verschoon me toch, met een den jongeling.
Hij luisterde ons in ít oor, hoe hij te rade ging
In dit gewichtig stuk met geene onwijze heeren.

BERSEBA.
Dat zijnde valken, die dus schalk te zamen zweren,
Om prins Adonias te helpen aan het rijk.
ABIZAG.
Aan rijk noch kroon; maar aan een eerlijk huwelijk,
Gelijk een prins betaamt, door voorbeÍ van de moeder
En loutere gen‚ des konings, zijn Heer broeder.
BERSEBA.
Tot nog toe worden mij de raadsliÍn niet gemeld.
ABIZAG.
Aartspriester Abjathar en Joab, Davids held
En oudste veldheer, beÓ beproefden en getrouwen.
BERSEBA.

Twee vogels, afgerecht om dit verraad te brouwen,
Naardien ze, met den nek beide aangezien ten hoof,
De klauwen willen slaan in zulk een schepterroof.

ABIZAG.
De Hemel straf me, viel dit ooit in mijn gedachten!
BERSEBA.
De straf is voor de hand.
ABIZAG.
                                      Mevrouw kan dit verzachten,
Ten beste schikken hij den koning, haren zoon.
BERSEBA.

Zoo holp ik hem en mij om leven, staat, en kroon.
ík Verzocht het huwelijk uit alle mijn vermogen,
En vind me in dit verzoek te schandelijk bedrogen.
Een prins, wien ít huwen lustte ontbrak nooit rijke stof;
Men vindt ze in ít gansche rijk. Hij hoeft geen schoone in ít Hof
Te zoeken, om verraad te stichten, koninginnen
Te trouwen, en door haar het hart des volks te winnen.
De hartkwetsuur des Staats, nog nauwelijks geheeld,
Wordt weder opgekrabt. Hij rekent zich misdeeld
In ít erfrecht van de kroon. Dit kan hij niet verduwen.
De koning vond den draad, nu zal het gansche kluwen
Haast volgen. Dit verraad, in ít heimelijk gesticht,
Wordt nagespoord. Het wil, zoo helder als het licht,
Opdagen. Salomon, in zijn beleid zoo prijsbaar,
Kon zijn gekwetste kroon genezen heel bewijsbaar,
En heden, zonder ít recht te schorten; maar hij gaat
Omzichtig, en gebruikt gewicht en toets en maat;
Zoo vindt geen lastervlak op zijne kroon te vatten.

ABIZAG.
Ik wenschte Adonias, met al mijn bloed en schatten,
Te redden uit dien nood. Mevrouw, verschoon den held,
Den zoon van David toch!
BERSEBA.
                                         Indien verschoonen geldt,
Betrouw, de broeder zal den broeder eerst verschoonen:
Maar God, die Salomon verhief op Davids tronen,
Eischt, dat hij ít kroonrecht streng handhave in zijne kracht;
Dit voegt den koningen van Abrahams geslacht,
Die, als het God behaagt, hunne eige vrucht niet sparen.
ABIZAG.

Hou aan om uitstel, of de koning mocht bedaren
In zijn verbolgenheid.

BERSEBA.
                                  Wanneer een koning ít recht
En ongelijk in zijn verbolgenheid beslecht,
Dan gaat de gramschap blind ter vierschaar voor de reden.
De koning Salomon stapt met gewisse schreden
Zachtzinnig naar den troon, voor ít storten van dit bloed.
ABIZAG.

Helaas! mijn bloed wordt koud van angst en schrik, mijn moed
Loopt over. Kan men nu geen hoop noch troost verwerven,
En doet Adonias den dood zoo bitter sterven,
In ít bloeyendst van zijn jeugd? Hoe boet men deze sch‚?

BERSEBA.

Zoo ít u geraden dunkt, beproeft, of gij gen‚
Ten Hove voor der, troon van Salomon kunt winnen.
Daar komt de Koning uit zijn kabinet van binnen,
Zwaarmoedig, hangends hoofds en met dit recht belast;
Vermurwt ge ís konings hart, ik stel mij zelve vast,
En wil beloven, ít zal aan Beraeba niet hangen
Hem weder in gen‚, gelijk voorheen, tí ontvangen.
Mijn zoon heeft reede uw komst vernomen; hij ziet uit.
Verbidt ge Adonias en wordt het recht gestuit
Door uw bemiddeling, de prins, nog onverwezen,
Verrijzende, achte zich dan anderwerf verrezen.

SALOMON, ABIZAG.

SALOMON.
Hoe krachtig is de liefde in ít nijpen van den nood!
Een werelooze maagd ziet leven aan noch dood.
Abizag komt bedrukt ten Hove om troost, en midden
Door al de lijfwacht hene, Adonias verbidden.
Zij knielt. Gij komt te sp‚, hier geldt geen nabeklag.
Indien voorbidden den betichten helpen mag,
Bidt voor u zelve, die den prins holpt harrenaaaen,
En onder bruiloftsschijn den koning woudt verrassen.
Had mijn Heer vader u dees schalkheid toebetrouwd
Gij blonkt aan Zijne kroon, gelijk gesteente in goud,
En diende hem getrouw voor anders bedverwanten.
Maar hij beschonk u mild met perlen en karkanten,
En goot in uwen schoot een zee van schatten uit;
Uw gunst en schoonheid streek dien koninklijken buit.
Doch geen milddadigheÍn een wufte vrouw verbinden,
Die wispelturig zich van allerhande winden
Bewegen laat, en, van staatzuchtigheid vervoerd,
Jeruzalem en ít Hof in brand zet en beroert.
Uw schoonheid en gezag en rijkdom, zoo veel gaven
Den jongling prikkelden om hooger aan te draven,
En zorgelijk en steil te grijpen naar den staf,
Dien vader mij door Gods gen‚ rechtvaardig gaf.
Indien u ít huwen lustte, en liepen uwe zinnen
Op eene wederg‚; wij, die uw heil beminnen,
Niet min dan vader in zijn leven, hadden u
De keur uit al het Hof van zelf geschonken; nu
Misbruikt ge uw zegen, en, dat nimmer wordt geleden,
Wilt op ons staatgevaar u listig uitbesteden
Aan broeder, dien gij jaagt in een gewisse dood.
Hoe onlangs is ít geleÍn, dat hij ten outer vloot,
Verbaasd een vrijburg zocht, om ít lijf in nood te bergen?
En durf men mijn genade en goedheid weder tergen?
Een die gewijd werd om Gods stammen te gebiÍn,
Kan dees goeds moeds en koel dien loozen handel zien?
Abizag, kon men u dees boosheid toebetrouwen?
Hoe wordt die schoone prins misleid door list van vrouwen!
ABIZAG.

Genade, o Salomon! geloof geen los gerucht.

SALOMON.
Geen los noch loos gerucht. Wat durfde schepterzucht
Niet aangaan! Meent ge uw schuld te dekken met ontveinzen.
ABIZAG.

De Hartekenner kent de harten en gepeinzen,
En weet, dat geen verraad mij in de zinnen schoot.
Hoe zoude ik eerloos, korts uw vaders bedgenoot
En trouwe noodvriendin, mij laten blind bekoren,
Om, tegens zijns zin en wet, Gods uitverkoren
Te stooten uit dien troon, van Gode u toegelegd,
Bij Davids jongsten wil? Dat waar het heilig recht
Ontheiligen. Ik heb mij voor Mevrouw, uw moeder,
Ontschuldigd. Wordt er schuld gevonden hij uw broeder,
En is de prins misleid en jammerlijk verkloekt,
Ik ken me vrij van schuld. Indien men ít onderzoekt
En naspoort, geene smet zal in Abizag blijken;
Het stond met uw verlof hem vrij, op huwelijken
Te denken; ít afslaan stond aan uwe majesteit.

SALOMON.
Sta op, kent gij u vrij. ít Is dan het loos beleid
Van trouweloozen, die ter offermaaltijd liepen,
En, op bazuingeachal, Ągeluk, heer koning!Ē riepen,
Van alle stammen met triomfe toegestaan.
Nu durf men weder stout dien omweg inneslaan.
ABIZAG.
Die misdaad werd gezoend, bij uw Heer vaders leven.
SALOMON.
Het bleef gezoend, waar hij niet wederom gesteven.
ABIZAG.
Hij ziet niet verder dan, door dí oude koningin,
Abizag tí eischen tot een bruid en gemalin.
Dit huwlijk stelde hij aan zijn Heer broeders zeggen,
En toen hij boden mij het huwen voor kwam leggen,
Ontried ik hem met ernst ten hoof naar mij te staan,
Doch stelde mij den wil des konings onderdaan;
Hoe geeft mijn simpel hart dan stof tot achterdenken?
SALOMON.
Men zocht, door deze trouw, de majesteit te krenken,
En op uw bruiloft mij te dingen naar den hals,
Met eenen naar dees kroon.
ABIZAG.
                                          Abizag was nooit valsch;
Hoe zou ze op koningsmoord toeleggen ongenadig?
SALOMON.
Neef Joab in den aard is bitter en moorddadig;
Dat bleek aan Abner en aan Amaza weleer,
Twee helden, in het spits van zijn vermomd geweer
Gesneuveld, daar hem ít recht nog rein van staat te geven
Hij werd met Abjathar van ťťnen geest gedreven,
Adonias, van zelf kroonzuchtig, eenen smaak
Te geven van verraad en broederlijke wraak,
En u van ít huwen met dien stouten prins. Hier draayen
Dees voorbeÍn op. Men zoekt Abizag eerst te paayen
Met zulk een bruidegom, de gading van haar jeugd,
En dan, in ít midden van de feest- en bruiloftsvreugd,
Den jongsten broeder met zijn vaders zerk te dekken.
ABIZAG.
Zou zich een broeders hand door broedermoord bevlekken?
SALOMON.
Dat is gebleken aan den schalken Absolon,
Die speelde ít Ammon bij den wijn. Staat Salomon
Nu van Adonias een beter lot te hopen?
ABIZAG.

Om Thamars schennis heeft zich Absalon verloopen,
Uit een getergde wraak; dat schelmstuk gaf hem stof.

SALOMON.
En prins Adonias, onterfd van vaders hof
En krone, kan dien smaad verkroppen noch verduwen;
Dien ziet de wraaklust uit, om, onder schijn van huwen
Aan schoone Abizag, stil voor Joab, schelmsch van aard,
Zijn broeder bij den wijn te komen onder ít zwaard.
ABIZAG.
De koning wordt bewaakt met zijne leeuwsbanieren;
De koning zit bestuwd van hofwacht en staffieren.
SALOMON
Zoo dicht niet, of het gaapt bij wijlen voor of na;
Men slaat gelegenheid en plaats en tijden ga.
De zee, hij ít schoonste weÍr, legt stil en op haar luimen:
Een storm steekt schichtig op; dan ziet men ít water schuimen
En zich verheffen, dat het aan de starren plast.
Zoo vindt de zeeman, die niet opwaakt, zich verrast,
En strijkt het zeil te spade, en kan het roer niet dwingen.
Een koning wapene zich veilig voor bespringen.
Wij willen schrap staan, eer al ít stamhuis, blij van geest,
En vrolijk hij den wijn, op dat geveinsde feest,
Eenstemmig uitroepe, op geklank van moordbazninen:
ĄLang leeví de koning en de koningin van Suinen!Ē
Wij willen tijdig eerst de hand slaan aan dien rei.
ABIZAG.
Natuur, die mij beschonkt met schoonheid! hoe beschrei
Ik uw milddadigheid en schadelijke gaven,
Die prins Adonias, den koninklijken braven,
Ten val gedijen! Och, had koning David mij
Gelaten buiten ít hof, zou mocht Abizag, vrij
Van achterdenken, in het bloeyendst van heur jaren
En buiten opspraak, met een wedergade paren.
Nu is Abizag, fluks nog ís konings bedgenoot,
Eene oorzaak van des zoons al tí onverdiende dood.
SALOMON.
Abizag niet, maar door haar trouw ten troon te stijgen,
Dŗt ís oorzaak van zijn dood.
ABIZAG.

                                             ík Zal dan van dí oorzaak zwijgen;
De stam van Jesse ontzet nooit vijand zijn gen‚,
En minst den eigen zoon, die, zonder wederg‚
In wederspannigheid, den vader dong naar ít leven.

SALOMON.
Door vaders goedheid werd de boosheid meer gesteven,
Toen Absolon, gesterkt van aller stammen stem,
Hem sedert met geweld dreef uit Jeruzalem,
En in zijn ballingschap gewapend naar kwam zetten.
ABIZAG.

Zoudt gij uw eerste recht met broederbloed besmetten

SALOMON.
Met geen onschuldig, maar strafschuldig broeders bloed.
ABIZAG.

Het maagschap grenst te na.

SALOMON.
                                           Wie naar de kroon steekt, moet
Het boeten met den hals. De kroon lijdt geen verschooning.
Dees misdaad kwetst het hart des rijks, dat is de koning,
Het eigen beeld van God, op ít rijksaltaar gewijd.
ABIZAG.

En God scheldt daaglijks zelf der boozen misdaad kwijt;
Zoo beeldt de koning best de Godheid uit naar ít leven.
De Godheid trekt min lof uit straf dan uit vergeven.

SALOMON.
De Godheid in het recht ziet geen personen aan.
ABIZAG.
Gen‚ kan eeuwig, geen gestrengheid lang bestaan.
Men geeft den koningen den titel van genadig;
De faam van goedheid, licht verzoenbaar, en weldadig,
Verleent meer luisters aan den opgang van uw rijk.
SALOMON.
Nooit droeg een rijk gerust twee koningen gelijk,
Gelijk de wereld geen twee zonnen kan gedoogen.
ABIZAG.

Een rijkszon Salomon verheugt der stammen oogen;
Hoe zou ze Abizag dan bedroeven in den zoon
Van David, die u zette in ít goud van dezen troon?
Geen vleyer van het hof misleide u met zijn breken!

SALOMON.
Abizag rust. Het recht wordt met dit tegenspreken
Eer aangetergd, en min geleenigd en verzacht.
Gij wordt ten Hove met dees voorspraak meer verdacht.
ABIZAG.

Genadigste! gedoog, dat wij ons zelven kwijten.

SALOMON
Zoo kwijt u dan heel kort. Dit jammeren, dit krijten,
Dit kermen vordert niet. Nu klaag uw hart voort uit.
Het recht gaat zijnen gang. Kort af uw klachte, en sluit.
ABIZAG.

Genadigste! eens maagd is teder,
En allerteÍrst in dit geval,
Daar ít konings broeder gelden zal.
Ik worp me aan nwe voeten neder,
Als voor een vrijburg in den nood.
Gekerm noch tranen kunnen baten.
Vergeef me, ik moet mijn tranen laten.
Verdiende Adonias de dood,
Zoo wijt het mij. Is dit te stuiten;
Gij kunt Abizag, waard veracht,
Bij vaders vrouwen, dol verkracht
Van Absolon, met muren sluiten,
Zoo kan ze, door dit huwelijk,
Den jougling niet ten trone opvoeren,
Noch door haar staatzucht ít rijk hernemen.
O Salomon, o licht van ít rijk!
Verdoof den glans der majesteiten
Niet in uw broeder met de kling;
Zoo moet ge hij nakomeling
En nazaat voor uwe eer niet pleiten.
Geu‚, geen recht zij uw besluit!
Kies van dees heide ít veiligste uit.

SALOMON.
Rijs op, Abizag! Wij, gediend bij ít meeste voordeel,
Beloven u voor God, door geen ontijdig oordeel,
Noch Hem, noch ít heil des volks, noch ouzen naam en eer
Te kwetsen. Neen gewis; betmouw dat nimmermeer.
Wij willen ít heilig recht om gunst noch afgunst buigen,
Noch op een donkre blijk, maar wettige getuigen
Het vonnis vellen; ítzij men ít recht uitvoere of zwichtí.
Zoo schromen wij geensins ís volks opspraak, noch het licht.
Dees zwarigheid treft mij, zijn broeder, eerst in ít harte.
Rijs op, Abizag! God verlichte u in dees smarte.

BANAJAS, SALOMON

BANAJAS.
Genadigste! ik verwacht, tot ís konings dienst bereid,
In dezen stand den last van uwe majesteit.
SALOMON
Hoe gaat het, Banajas? Wat mompelen de lieden?
Zal prins Adonias of Salomon gebieden?
BANAJAS.
Elk heeft de bruiloft van Abizag in den mond.
SALOMON
Wat dunkt u van dees bruid en zulk een trouwverbond?
BANAJAS.

Ze is teffens rijk en schoon, en, boven hare dagen
En kunne, alreede wijs. Zou zij den zoon mishagen,
Een maagd, die vader, zwak van ouderdom, beviel?

SALOMON
Zij kent geen wederg‚. De glansen van haar ziel
En geest, die door de wolk van ít schoone lichaam stralen,
Verheelden ít ooge, dat een Engel neÍr kwam dalen
In menschelijken schijn, met sterflijkheid bekleed.
Natuur heeft teffens al het eÍlste aan haar besteed.
Zon ít eerstgeboorterecht niet streed met vaders orden
En God, die mij verhief, wat kon ze minder worden
Als koningin van ít rijk? Want schoon het hof haar riep,
En zij, gelijk een roos, in vaders armen sliep,
Ze is nooit van hem gerept, maar zuiver maagd gebleven;
En storf ik kinderloos, ík woŻ haar aan broeder geven;
Nu staat Adonias te vroeg op vůůr den tijd,
En bergt de wettigheid, ter heerschappij gewijd.
Zoo vader David mij dit voorrecht had geweigerd,
Ik waar tevrede, en hij ten rijkstrappe opgesteigerd
Met ís volks toejuichen; nu verbindt me staat en plicht,
Te hindren, dat mij geen onterfde sta in ít licht.
Heer vader spelde lang mijn opgang door de galmeu
Van hemelsch harpgezang, en strooide olijf en palmen
Den vredevorst ter sets, en zette in ít lang en breÍ
Mijn grenzepalen uit, van dí eens aan dí andre Zee,
Van Faro ís Nijl tot aan dí Eufraat en Nimrods stroomen;
En durf Adonias vermeten, mij ís rijks toomen
Tí ontrukken tegens Gods en vaders jongsten wil
BANAJAS.
Indien men spreken mag in broederlijk geschil,
Het voegt onwettigen voor wettigen te wijken
En Gods orakelen. Men mag de dertig rijken
Ineen gesmolten niet verdeelen; dat staat vast.
Het is geen snuffens tijd. ít Gemor der burgren wast
Alle oogenbtikken aan. Zoo veel aanhangelingen.
Die onlangs met gejuich ter offermaaltijd gingen,
Om prins Adonias te helpen op den stoel,
Verwachten ít woord van hem; en wilt ge, stil en koel,
Van ver dit aanzien: hij zal dí eerste rol herspelen.
Het oproer kankert in. Men moet staatkanker heelen
Met vier en ijzer, eer die inkruipt naar het hart.
SALOMON
Ik vind me van weÍrzij benepen en benard:
Hier staat mijn wettig recht, daar dí opspraak en de laster;
Hier ís huwlijks aanzoek, daar ít gevolg. Wij dienden vaster
In ít vonnissen te gaan, om door geen los besluit
Te slibbren. Bloedrecht eischt een klaar bewijs vooruit,
Dat op getuigen rust van onbesproke koppen.
Men hoeft veel stofs, om al wat gaapt den mond te stoppen;
Dies liet ik door de stad naarsporen wat er broeit,
En wacht getuigen, hoe hier Joab ouder rooit
Met Abjathar. Bezet terstond de poort en vesten
Van Davids stad met wacht van alle vier gewesten,
Gij hebt de Kreten en de Pletheu in uw eed.
Ga daatlijk heus, en hou u op mijn leus gereed.
REI.
ZANG.

Had Jesses jongste zoon niet verder
Dan ís vaders stal gezien,
Genoegdí te leven als een herder,
En kudden te gebiÍn;
Hoe vrolijk zouden Zijne zonen
Den haat en nijd ontgaan,
En, onbekoord, naar konings kronen
Noch heerschappijen staan!
De kroonzucht, nu hun aangeboren
In ít vaderlijke hof,
Komt reis op reis het hart bekoren,
En geeft krakeelen stof.
Hoewel de princen snel, als schimmen,
Verdwijnen uur op uur,
Nog zoeken ze al in top te klimmen,
Op ít wankele avontuur.
Men vindt geen rust in koningshoven;
Het hooge daalt, het laag stijgt boven.

TEGENZANG.

De zoons belagen eige vaders,
De broeder ís broeders staat.
Het hof krioelt van aartsverraders;
Elk vlamt op eige haat.
Men legt op rooven toe en moorden.
Geveinsdheid, vol bedrog,
Verlokt een duif met schoone woorden;
De koning staat, och, och!
Gereed alle oogenblik te glijden;
Biedt God hem niet de hand,
Hij stort, ten schimp van die ít benijden.
De rijke tullebant
Geneest geen hoofdpijn, purpre broozen
Voetevel nochte smart;
In doornen plukt men geur van rozen;
De mond is niet als ít hart;
De goude kelk schenkt moordvenijnen.
De dingen zijn niet als zij schijnen.

TEGENZANG.

God zelf had Jesses zoon
Ter heerschappij gekoren,
En met den oliehoren
Door SamuŽl uit ís Hemels troon
Gezalfd hij koning Sauls leven.
Hij kreeg dan ít rijk, niet aangedreven
Van kroonzucht, maar door ít hoog bevel
Geopenbaard aan SamuŽl.
Zoo volgde Salomon die gangen;
Dies zal hij ít rijk, van Gode ontvangen,
Bezitten, rijk van majesteit,
In vrede en volle heerlijkheid.
Laat ons ter Hutte God gaan smeeken:
God kan der boozen aanslag breken.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001