Joost van den Vondel (1587-1679)

Adonias of Rampzalige Kroonzucht.

Aļ. 1661

VIERDE BEDRIJF.

ADONIAS, ABIZAG.

ADONIAS,

Wat raad, Abizag? O, getrouwe halsvriendin!
Hoe jammerlijk bekomt mij mijne oprechte min
En liefde tí uwaart, als een schelmstuk, waard te vloeken!
Bespieders brullen, om Adonias te zoeken.
Ik bidde u, berg mijn lijf, God geve ook hoe hetzij!

ABIZAG.
Rampzalige! gij schuilt hij niemand minder vrij.
Ik zitte om u verdacht en uw verraders streken.
Abizag draagt de schuld; zij heeft dit stuk besteken,
Den prins door hare min misleid en aangevoerd.
Abizag is de pest, die ít gansche rijk beroert.
Wondt gij den koning om zijn kroon en leven brengen,
Wat hoeft ge Abizag in dit lasterstuk te mengen?
Nu wascht haar zee noch stroom van zulk een lastersmet.
De roep is onder ít volk. Dit heeft zijn plooi gezet
En vlucht ge herwaart aan, om nog de wraak te tergen?
Ik zie mij zelve noch mijn leven nauw te bergen.
Verzie u; pak u voort; vertrek uit mijn gezicht.
ADONIAS.
O schoone! mij terstond nog liever dan het licht,
Ontzegt ge mij uw cel?
ABIZAG.
                                    Leef raad met uwe raden.
ADONIAS.
Ontzegt ge mij uw huis? Waarhene? Langs wat paden
Ontvluchte ik doods gevaar, in ít nijpen van den nood?
De poorten staan bezet. Wat raad? Geef ik me bloot,
Men vangt en spant me, en fel beschuldigd van een sterker,
Moet een gevangen zich verweten uit den kerker;
De rechter is partij en gruwelijk verwoed.
ABIZAG.
Zoo barnt gemeenlijk felst een bloedpleit tegens bloed.
ADONIAS.
Och, vader David! oud, te vroeg voor mij gestorven,
Wat raad voor uwen zoon?
ABIZAG.
                                         En mij, door hem bedorven?
ADONIAS.

Men zal me slachten tot een zoon voor al het rijk;
Abizag! stort ten minste uw tranen op mijn lijk.

ABIZAG.
Vertrek uit mijn gezicht; hier baat geen ijdel klagen.
ADONIAS.

De princejager blaast den horen onder ít jagen.
Hij snuffelt om en om, en nadert. Och! wat raad,
Bezwijkt Abizag mij, in dien benauwden staat?
Aartspriester Abjathar! och, Joab! bergt mijn leven.

ABIZAG.
Al hadt ge vleugels, om door dí ope lucht te streven,
Hofvalken zouden u beknellen in de vlucht.
ADONIAS.
Nu valt een konings zoon zee, hemel, aarde, en lucht
Te nauw. Het zweet breekt uit, en alle haren rijzen.
ABIZAG.
ík Weet u geen schnilhoek als een hollen boom te wijzen,
In ít oud cypressenhosch. Onthou u daar. Men zal
U ís nachts bezorgen door een dienaar langs de wal.
Ellendige, nu spoÍ! God helps u uit den hoogen!
ADONIAS.
Leeflang, Abizag, och!
ABIZAG.
                                  Nu zal ik met mijne oogen
Den held niet weder zien, tenzij hem God bewaart.
Hoe wordt dat hoofd gedreigd van ít broederlijke zwaard,
Dat princelijke hoofd, te schoon om af te houwen!
Ik hef mijne oogen en mijn handen, dus gevouwen,
Naar God alleen om troost: zie neÍr uit ís Hemels troon!
Beschut dat konings bloed, ter eere van de kroon.

CHUSAŌ, ACHIMAńS, SALOMON

CHUSAŌ.

Gestrengheid kan men hier met geene genade mengen.

SALOMON
Wat komt Achima‚s, wat Chusai ons brengen?
ACHIMAńS

God vrij den koning voor den tweeden Absolon!

CHUSAŌ.

God handhaaf Davids kroon in koning Salomon!

SALOMON
Wat broeit er in de stad? Is ít beter ofte slimmer?
ACHIMAńS

Genadigste! waak op. Betrouw, wij hadden nimmer
Geloofd, dat deze pest zou snel zich spreiden zou
Door ít lichaam van de stad? Wat vindt men luttel trouw
Ten hove en onder ít volk, aan eer noch eed gebonden!

SALOMON
Gij spreekt uit gissing?
ACHIMAńS

                                   Neen, het is te klaar bevonden.

CHUSAŌ.

Hier baat geen veinzen meer; het geldt uw majesteit.

SALOMON
Verhaal den oorsprong en den voortgang met bescheid,
Zoo kunnen wij gerust hierop ons oordeel vellen:
Wie zijn de hoofden? wie de rot en rotgezellen?
CHUSAŌ.

Aartsprieater Abjathar met zijn gezag in lij,
En Joab, niet gekend in ís rijks veldheerschappij,
Betooverden den prins, de kroonzucht te bewimplen
Met minuezucht; en, om al stil geloof hij simplen
Te winnen, polsten ít hart dee volks, al stil verga‚rd
Bij avondschemering door Bela, boos van aard,
Die op drie sprongen zich alom ter sluik liet vinden,
En rook bedekt de lucht van alle prinsgezinden:
Hij luisterde, wie koel van Davids nazaat sprak,
Den prins Adonias beklaagde, en zulk een krak
In zijn gezag geleÍn; doch strafte ze, die rieden
Te sluiten, dat de jongste, in dí eere van ít gebieden,
Den oudsten wijken most. Dan werd er aangehecht
De wettigheid en glans van ít eerstgeboorterecht.
Bij wijlen streed men om den zin van Mozesí bl‚ren;
Of Abjathar niet meer het wetboek zou bewaren
In dí oude zuiverheid dan Sadok, die ten Hoof
Meer gunst won. Somwijl hiel bij zich als stom en doof.
De veldheer Joab werd geloofd, die, oud van dagen,
Voor ít wetboek en het rijk de wapens had gedragen,
En avrechts zat beloond, daar Banajas het woord
Mocht voeren, en de wacht van Davids stad en poort
Alleen werd toebetrouwd. Dit liep allengs wat verder.
Men gaf er raadsels uit: wat een getrouwen herder,
Wat schapen paste; en of een wakker wachthond niet
Moet bassen om de kooi, als haar de wolf bespiedt.
De weiflaars dongen vast naar ít reedste in zulk een dwerling.
Men deelde dí ampten uit, op ít rollen van den terling.
Men legt zich zelven toe, wil hier geluk toe slaan,
Naar eens landvoogdij of rechters ampt te staan
Of rekenmeesterschap of in den raad te blinken.
Dí een vat des anders zin, uit wijzen en uit winken,
Ea wat elk droomt hij nacht, wordt ís avonds opgehaald.
De hoop des gierigaarts weidt ruim en onbepaald.

SALOMON
Wat scheen het oogmerk van dit onderlinge momplen?
CHUSAŌ.

Eens bij gelegenheid al teffens tí overromplen,
Wat prins Adonias in ít licht staat en zijne eer.
Men repte nooit van u. De kroon is veel te teÍr
Om aan te raken. Zij besloten eerst te hindren,
Te keeren, die den prins in zijnen staat vermindren,
Waarin hij is gesteld, naar ís konings majesteit:
En, zou hem ít huwelijk gelukt, door loos beleid,
Het feest te sterken, en, op klinkende bazuinen:
ĄLang leve Adonias! lang leefde bruid van Suinen!Ē
Te roepen. Dit ís bestemd, bezworen veur het Koor.

SALOMON
ík Geloof mijne oogeh en mijne ooren, als ik hoor
En zie hetgeen men strooit. Het kroonrecht let op blijken;
Op zulke tuigen kan de rechter vonnis strijken.
CHUSAŌ.

Achimašs! ontvouw het middagklaar bewijs.

ACHIMAńS

God geef de Majesteit des konings eer en prijs!
De koning lees dit blad; zoo wordt de stomme sprekend.

SALOMON
Wat namen zien we hier in eenen ring geteekend?
Dit ís al van ít zelve slag, dat in het jongst rumoer
Met prins Adonias meineedig zamenzwoer;
En houdt het nog niet op van wroeten en van wrijten?
Hier zien we burgerij en vreemden en Levijten,
Aanhangelingen van aartspriester Abjathar
En veldheer Joab. Dit verraders werk ziet ver.
Roep Natan uit het hof, en Sadok uit Gods Hutte!

NATAN, SADOK, SALOMON

NATAN.
Heer koning! wat ís uw wil?
SADOK.
                                          God zegene en beschutte
Den grooten erfgenaam van Davids krone en deugd,
In ít opgaan van het rijk en ít bloeyendst van zijn jeugd!
SALOMON
Nu wordt het tijd, dat wij of onze erfhaters buigen;
Beziet dit blad, en hoort wat stommen u getuigen:
Hoogwijze ChusaÔ en getrouwe Achimašs,
Beproefd in vaders dienst, verschijnen recht van pas
Met dí onderteekening der blinde aanhaugelingen,
Gereed om onverhoeds mijn tronen te bespringen.
Gij ziet de namen hier in ít rond geteekend staan,
Al onder een verward, en niemand hoven aan.
Men kan de hand van al de schrijvers onderscheiden.
NATAN.
Wij spelden dit een wijl. Men mag niet langer beiden.
De schelmen groeyen aan in stoutheid en getal.
SADOK.

Zij rotten vast te hoop heel stil van overal.
Hier roeyen Davids zoons, uw broeders, listig onder.
Dat geeft het oproer kracht. Geen vonk vat zoo in tonder
Als deze drift in ít hart des staats, nog muitgezind
En weifelachtig, en bereid om dol en blind
Den andren Absolon, Adonias, te stijven;
En nu Levijten met hun hand dit onderschrijven
(Ik ken de namen en de letters al te wis)
Wordt u betuigd, wie ít hoofd der vloekverwantschappe is
Hoe komt zich Abjathar nu weder te vergeten!
Wat durf schijnheiligheid zich reukeloos vermeten!
Wat krijgt de myterkroon een lasterlijke smet!
Hoe voegt dees gruwel een orakel van de wet,
Welke lippen God betrouwt zijn wil en wet tí ontvouwen
Dat ís verre van verraad en koningsmoord te brouwen!

NATAN.
De koning twijfle nu niet langer aan ít verraad,
Te loos bestoken door twee hoofden van den Staat,
Vermomden Abjathar en Joab, beide schuldig.
SADOK.
O, vader David! die zoo lang en menigvuldig
Door rampen werd beproefd, ook in uw naaste bloed,
Wat komt ons over? Och, wat ongeval ontmoet
Uw zone, in ít opgaan en de lente van zijn leven!
Hoe hebt gij Absolon tot tweewerf toe vergeven
Zijn wederspannigheid; en smette ik nu uit nood
Het eerste halsrecht met mijn lieven broeders dood?
Hoe stoot me dit voor ít hart! Het hart begint te kloppen
Wie kan den lastermond der eeuwige opspraak stoppen?
SADOK.
Het is natuurlijk, dat uw broeders smert u raakt.
NATAN.
En koninklijk, zoo gij gewekt voorzichtig waakt.
SALOMON.
Men lette op middelen, om ít scherpste recht te keeren.
SADOK.
Gij kunt door geen gen‚ dien boozen aard verleeren.
SALOMON
Men geef hem keur van beide: een kerker of het zwaard.
NATAN.
Geen kerker is zoo sterk, die eenen prins bewaart.
SALOMON
Men late in ballingschap hem buiten ít rijk omdwalen.
SADOK.
Hij zou, met ís nabuurs macht gesterkt, zijn sch‚ herhalen.
SALOMON

Al wie hem handhaaft, staat mijn ongen‚ tí ontzien.

NATAN.
Werd Absolon niet stil gehandhaafd ouder ít vliÍn?
SALOMON
Hij wou geen legers, om den vader aan te randen.
SADOK.
Hij wou de harten, die te Hebron tí zamenspanden.
SALOMON
Na zijn verzoening met Heer vader in het hof.
NATAN.
Verzoent hij zich met u, dat geeft nieuw oproer stof.
SALOMON

Men zal in Abjathar en Joab ít oproer smoren.

SADOK.

Men smore alle oproer eerst in dezen eerstgeboren.

SALOMON
Ik heb meer broeders; elk voor ander vlamt op ít erf.
NATAN.

Zij spieglen zich aan prins Adoniasí bederf.

SALOMON
Adonias vergat het Absolonsche voorbeeld.
SADOK.
Zoo ruk het zwaard uit; straf dit stuk, hij God veroordeeld!
SALOMON
Heer vader verfde nooit de sabel in zijn bloed.
NATAN.
Dat steef den jongeling, verstokt in wrevelmoed.
SALOMON
Hier dingen om het rijk de broeder tegens broeder.
SADOK.
En zit ge niet gezalfd, gekroond, als rijksbehoeder?
SALOMON.
Zoo zat Heer vader ook gezalfd op zijnen stoel.
NATAN.
Dat oproer werd gedempt, gesmoord in eenen poel.
SALOMON.
Tot vaders hartewee, gesmolten in zijn tranen.
SADOK.
Wat opspraak gaf dit niet aan Joabs oorlogsvanen?
SALOMON
Nog heeft de Hemel hem op zijnen troon hersteld.
NATAN.
Niet zonder uitstaan van het uiterste geweld.
SALOMON.
Hij heeft Adonias voorhene begenadigd;
SADOK.
Den rechten booswicht, die gij voorspreekt en verdadigt.
SALOMON
Het eerstgeboorterecht misleidt hem in dien droom.
NATAN.
Gij geeft een hollend paard de sporen zonder toom.
SALOMON
Het zwicht, en voelt bezweet zich zelf nu afgeronnen.
SADOK.
Het geeft in ít renperk u den strijd nog niet gewonnen.
SALOMON
Men kan het temmen met een ijzren mondgebit.
NATAN.
Betrouw geen hollend rijk, bedenk, hoe los gij zit.
SALOMON.
Zal nu een konings zoon voor ís broeders slagzwaard buigen?
SADOK.

Al ít rijk, God zelf eischt recht. Heer koning wij betuigen
Voor uwen troon en Gode en Engelen, bereid
Te waken voor den stoel van uwe majesteit,
Lat wij onschuldig zijn aan zoo veel ramps, te vreezen
Uit dien weerspanneling, voor weduwen en weezen,
En ít gansche stamhuis, dat op uwe toezicht rust,
Van Liban tot den Nijl, van zee en waterkust
Tot aan het Roode Meer. Wij bidden, wij bezweren
U bij dit wyrookvat, laat heden triomfeeren
Het heilig kroonrecht, dat noch bloed noch afkomst kent.
Zoo houde dí Opperste u in eere en ongeschend;
Zou erve uw koninkrijk op uw nakomelingen,
En geve Levi stof, uw lof te koor te zingen!

NATAN.
Wij stemmen met dien wensch en ís hoogen priesters mond.
De God der vaderen bezegele ít verbond,
Met David opgerecht en heiliglijk bezworen,
Toen u de tempelbouw van boven wierd beschoren,
En zulk een rijk beloofd, dat eeuwig duren zou.
SALOMON
De God der vaderen ontzeÓ den tempelbouw
Aan vader, om al ít bloed, met zijne hand vergeten;
En zal ik nu den dolk in broeders boezem stooten,
Meteen in vaders hart, dat, op zoo streng een straf,
In zijnen ijzren slaap, nog opzucht uit het graf?
Hoe redde ik mij hier door? Ontschuldig mij, Heer vader,
Nu ís hemels Majesteit en zijne tronen nader
Dan wij, zoo laag op aarde, in dit gevaar gesteld
SADOK.
Schep moed, Heer koning! zijt gerust, de Hemel seheldt
U deze misdaad kwijt, indien ít dien naam mag dragen.
Gij zult den Oppersten en ít hoog gerecht behagen
Door dit zoenoffer, van uw strenge hand verwacht.
Vaar voort, voorstander van ít aartsvaderlijk geslacht!
SALOMON
Verdagvaardt Banajas.
SADOK.
                                   Hij komt hier aangetreden.

BANAJAS, SALOMON, ABIZAG.

BANAJAS.

Rechtvaardige erfgenaam van Davids rijk en steden!
Wij komen u ten dienst gehoorzaam en bereid.

SALOMON.
Ga daatlijk hene; straf, door last der majesteit,
Den prins Adonias en Joab; acht geen bede!
Het heilig slagzwaard rust in zijne purpre schede;
Trouwanten! haalt het. Laat het recht zijn gangen gaan.
Wij kunnen ít kroourecht nu niet langer wederstaan.
Men moet Adonias en zijne rotgezellen,
Verraders van de kroon, ten nutten spiegel stellen.
BANAJAS.

Hier is het zwaard.

SALOMON.
                             Ruk uit, en lever het ons bloot.
BANAJAS.
Daar is ít, Heer koning! u ten dienst in dezen nood.
SALOMON
Ontvang het van ons hand, en handhaaf ít recht rechtvaardig.
BANAJAS.

Ik ga. Zij vluchten beide, en kennen zich strafwaardig.

SALOMON
Hier komt Abizag, rood bekreten en ontsteld.
Mevrouw! gij komt te sp‚; het vonnis legt geveld.
ABIZAG.
Waar berg ik mij van rouwe, o stad, O hof, o heuvel!
Hoe deerlijk is het, dat een zoon van David sneuvel!
Wat dolheid dreef hem tot dit huwelijks verzoek?
Och! is hier geen gehoor? Adonias! wat hoek,
Wat schaduw bergt uw lijf, in ít uiterste verlegen?
Nu zoekt u Banajas met zijnen blooten degen.
Bloeddorstig zwaard! zoudt gij doorijgen Davids borst,
U dompelen in ít bloed van zulk een braven vorst?
Hoe is de broeder op den broeder dus verbolgen?
Wat gaat Abizag aan? Ik wil het voetspoor volgen
Van Banajas; misschien wat mijn gekerm vermag!
Ten minste dat hij ons ontschuldig vůůr den slag,
Een al te strengen slag, die wij niet keeren kunnen.
Men kan een weduwe van David niet misgunnen
Een eerelijke blijk van onschuld, klaar en kort,
Eer dien verwezen prins de mond gesloten wordt.
Het Hof zal billijk nog den stervenden gelooven.
De waarheid wordt gedrukt, maar staat in ít ende boven.

ABJATHAR, SALOMON

ABJATHAR.

Hoe durf ik, het valt hard, voor ít Hof terechte staan?
Dit stuk verdadigen? Daar komt de koning aan.
Genade, o Salomon! Ik smeeke u om genade,
En ken mijn lasterstuk.

SALOMON
                                    Dit naberouw komt spade,
En alste langzaam hij. Wat stof gaf Davids Zoon,
U tweemaal tegens God en dí eer van deze kroon
Dus in te spannen, op verbeurte van uw staten
En leven, met de rot der boozen, die mij haten?
Wanneer een staatloos man zich schandelijk vertast,
Dat baart eene ergernis, die geenen burger past;
Maar zoo een amptenaar met eenig schelmstuk bloot leÓt,
Dat baart eene ergernis naar mate van de grootheid
En achtbaarheid des mans; hoe groot eens ergernis
Geeft dan dí aartspriester, wien zoo dier bevolen is
Godvruchtigheid en wat rechtmatig is te voeden!
Hoe komt nu dí Efod weÍr dit ondier uit te broeden?
Had uw stoelbroeder, die hier staat, u niet verbeÍn,
Men groeve u billijk, in een hagelbuÓ van steen,
Zoo diep, dat gij het hoofd nooit zoudt ten hemel heffen.
ABJATHAR.

Belieft de koning eens genadig te beseffen
Mijn vaders lijden en bloedstortinge, onderdaan
Te Nobe, om David, als een halsvriend, uitgestaan,
En met der dood bezuurd, daar vijf en tachtig bleven
Gewenteld in hun bloed, en ik, God wond ís! mijn leven
Nog bergende, de maar aan uwen vader bracht:
Ik zie uw gramschap, die rechtvaardig is, verzacht.
ík Heb vijftig jaren, in den ring der Hutgenooten,
Gelijk aartspriester, nooit vermoeid, maar onverdroten
De wet bewaard; en, toen uw vader zat versaagd
Voor ít heer des Filistijns, de Godheid raad gevraagd.
Ik droeg de Godskist, toen hij vluchtte in ballingschappen
Voor Absolon; en als de list hem woŻ betrappen,
Kwam Jonathan, mijn zoon, den balling, op zijn hals
Opwekken. Zoo veel, en zoo veel ongevals,
In ís vaders dienst bezuurd, behoorde ít hart te roeren,
Om niet ten allerstrengste een vonnis uit te voeren,
Gelijk mijn schuld verdient aan uw gewijde kroon.
God handhave op dien voet u op uw vaders troon!

SALOMON
Gij hebt de Godskist trouw voor vader heengedragen,
Achitofel ontdekt in zijn doortrapte lagen,
En vaders rampen lang in zijnen dienst geproefd;
Een zaak, hij elk bekend, en die geen blijken hoeft.
Ik wil uw doodschuld met uw diensten nog vergoeden.
Vertrek naar Anathot; uw akker kan u voeden.
De vloek aan Ely en den struik van Athamar,
Gespeld te Sibo, treft de kruin van Abjathar,
En Eleazer blinkt, in Sadok nu herboren;
Hen is ít aartspriesterdom in ís Hemels raad beschoren.

JOAB, SADOK.

JOAB.
Aartspriester Sadok! och, wie bergt me in doodsgevaar?
Ik vluchte, en grijpe uit nood de horens van ít altaar,
Voorheen den vrijburg van Adonias, den droeven.
Hier wil ik sterven en het uiterste beproeven,
En duiken in Gods Hutte, en sterven op uw wacht.
ík Was lang, als Abjathar, voorhene ontwijd, verdacht,
Ook eer Adonias, van angst des doods benepen,
De horens van ít altaar voorvluchtig had gegrepen.
Beschut me, eerwaardste! die nu ís konings hart bezit.
SADOK.

O grijze veldheer! vlucht gij herwaarts? Wat ís uw wit?
Ik kan uw leven noch uw misdaad niet verschoonen.
Dit ís nu de tweede moord begaan aan ís konings zonen,
Of eer de derde; want gij trapte op Absolon,
Misleidde Adonias, en dreigde Salomon.
Uw boosheid houdt geen maat in ít ende van uw jaren.

JOAB.
Eerwaardigste! gij kunt alleen mijn leven sparen.
SADOK.
Dat ie onmogelijk; uw vonnis legt te vlak.
JOAB.
Verzoek gen‚.
SADOK.
                      Zoo kreeg ít gewijd gezag een krak
Ten Hove. Niemand durf voor vloekgenooten pleiten.
Gij kwetste meer dan eens des konings majesteiten.
JOAB.
Mijn tijd is kort; ik ga met ťťen voet in ít graf.
SADOK.

Geen ouderdom ontgaat de wel verdiende straf.

JOAB.

Mag Davids volle neef dan geen gen‚ verwerven?

SADOK.

Nog min dan Davids zoon, die van uw hand most sterven;
En ís koniugs broeder zelf wordt nu genade ontzegd.

JOAB.
De koning zit te streng in ít eerste halsgerecht.
SADOK.
Zoo raakt men eens aan ít end van alle vloekverwanten,
Die reis op reis te stout zich tegens ít kroonrecht kanten,
En zellef tegens God en zijn gewijde wet;
Want God heeft Salomon op ís vaders troon gezet.
Gij weet, hoe David sprak: ĄGod gaf me vele zonen,
Maar wijdde Salomon ten nazaat op mijn trouen ,
En nam hem tot een zoon, gelijk een vader, aan,
Om trouw, naar Mozesí stijl, de stammen voor te staan.
Zoo wordt gij door den mond des vaders zelf geoordeeld,
Die gaf den erfgenaam des rijks een heerlijk voorbeeld
Van eens rijke kerk, die hem te bouwen stond.
Hoe durft ge dan, vervoerd door mijn stoelbroeders mond,
U innebeelden, dat gij, met uwe eedgenooten,
Den recht gewettigden moogt schuiven en verstooteu,
Adonias ten dienst? Of acht ge David slecht,
Dat hij het oudste van het jongst geboorterecht
Niet onderscheiden kon, of immers al te spade?
Neen zeker, nacht en dag ging hij met God te rade,
En ít Hutorakel, sterk gedreven door Gods geest.
Gij draagt u recht, als een, die God noch menschen vreest.
Zal Salomon, gelijk Gods mond belooft, regeeren,
Zoo moet gerechtigheid en ít kroonrecht triomfeeren.
JOAB.
Mij wordt dan alle hoop van leven kort ontzegd?
SADOK.
Uw lasterstuk was niet verweerbaar in ít gerecht.
JOAB.
ít Gewijde kleed plag wel misdadigen te bergen.
SADOK.

Men wachte ziek den leeuw van Juda dus te tergen,
In ít sluimren; want komt hij tí ontwaken al gesteurd,
Dan wordt alle ongediert, dat hem beschimpt, verscheurd.
Daar hoort men al den berg met een geschrei vervullen:
ĄAdonias is dood! De leeuw vaart voort met brullen,
Held Banajas genaakt. BereÓ u; het is tijd.
Hij sterft onheilig, die het hoog altaar ontwijdt.

BANAJAS, JOAB.

BANAJAS.

De prins Adonias moest zijns doodschuld boeten,
En knielde voor dit zwaard gewillig aan mijn voeten.
Gij ziet het nog van bloed gepurperd en bespat.
Heer Joab! al vergeefs gevloden, en gevat
De horens van ít altaar, geen vrijburg voor uw leven;
Het vonnis legt geveld, hier helpt geen wederstreven.
Gij zijt ook oud genoeg, om dí algemeene schuld
Te boeten. Schep dan moed, en neem voor ít jongst geduld.
Ontschuldig ons, dat wij, van hooger hand gedwongen,
Een recht, dat duren zal op aller eeuwen tongen,
Uitvoeren, in den dienst des konings, uwen heer.

JOAB.
Gedoog ten minste, dat ik mijne zaak verweer.
BANAJAS.

Vergeefs. Gij kunt hierdoor geen troost hij ít Hof verwerven.

JOAB.

Welaan, ík getroost me dan, hier aan ít altaar te sterven.
ík Verzoek ten minste, dat gij naar den koning zendt.
Misschien bedocht hij zich. Een rechter kan in ít end
Van zin veranderen; dat ís meer dan eens gebleken.

BANAJAS.

Het recht is heilig. Durft gij ít vonnis nog bespreken?
Zie toe, dat gij de straf door weÍrspraak niet bezwaart.

JOAB.

Nooit was mijn hart in ít veld voor ís doods grimmas vervaard;
Dat tuigt dit lichaam, dicht geteisterd van kwetsuren,
In ít vechten op een heide, in ít stormen op de muren,
In ít wagen door den stroom, en ít steigren op een rots.

BANAJAS.
Hoe toont de veldheer dan door ít vliÍn zich luttel trotsch,
In ít aanzien van de dood? Wie rustig sterft, sterft heerlijk.
JOAB.

Wie voor Gods outer in het harnas sterft, sterft eerlijk.
Maar ít rouwt me, schandelijk te sterven op dien voet.

BANAJAS.

Getroost u evenwel, naardien gij sterven moet.

JOAB.
Om God! ontzeg me niet, een bode heen te zenden,
En hoort naar ís konings last, dat zal het recht niet schenden,
Noch niet verzwakken. Sta mijn bede een luttel toe.
BANAJAS.
Ik ben dit sammelen, dit ijdel uitstel moe.
Trouwanten! gaat terstond den koning nog eens vragen;
Volhardt hij bij zijn last, zoo volge ik ít hoog behagen;
        Men breng me fluks bescheid
        Van ís konings majesteit.
JOAB.
Hoe los en wankel staan de Staten
Der wereld! Ai, ziet Joab aan,
In dezen schijn, van elk verlaten.
Men ziet de wisselbare maan
Dan heel, dan half, dan nieuw, dan onder,
In ít end beroofd van al haar licht.
Wat is een prins en veldheer, zonder
De zon van ís konings aangezicht?
Nog komt de maneschijn weÍr boven;
Maar zoo ik ít hoofd nu onderhaal,
…ťn nacht zal al mijn luister dooven
Voor eeuwig. Stapelt altemaal
Mijn oorlogsdaden aan de wolken;
Zij worden nu niet eens gedacht.
Wat baat het dempen van de volken
Der IdumeÍn, of van ít geslacht
Uit koning Ammon of Syrieren?
Wat baat me, dat ik, zonder zorg,
Aanvoerde Juda ís leeuwsbanieren,
En dí eerste klom op Sione borg?
Wat baat het, dat ik twintig jaren
Bekleedde ís rijks veldheerschappij,
En Davids hofraad holp bewaren?
Men treedt al ís konings bloed voorbij.
Ik sta hier veeg, ter dood gedagvaard;
Wie keert den slag van ít blinde slagzwaard?
BANAJAS.
Daar komt mijn lijftrouwant. Heer Joab! sta nu vast.
Wat hoore ik, dat mij drukt!
JOAB.

                                           Hoe luidt de jongste last?

BANAJAS.

Dat ik u datelijk van ít outer af moet rukken,
En leveren uw lijf den koning in twee stukken.

JOAB.
Welaan, ík getroost me dan, te sterven aan ít altaar;
Maar gun me een luttel tijds: dat ís buiten uw gevaar.
Mejoffers! laat geen rouw uw harten overstulpen.
ík Heb overspelers, op mijn hals, in staat gehnupen,
Mij aan Uriasí moord door hunnen last besmet,
En wiesch de schandvlak af van dat geschandvlekt bed.
Waar Absolon verschoond, geen Berseba zou leven,
Veel min zat Salomon zoo diep in ít goud geheven.
Nu sterkt dees baetert, dus moorddadig en verwoed,
Zijn vaders testament met Joabs edel bloed.
Nu, Banajas! vaar voort, aan ít plukken en aan ít rukken;
Daar is mijn borst, mijn hals! Hou Joab in twee stukken;
Maar God, die. uit een wolk aanschouwt dit ongelijk,
Verscheure Salomons of na zijn nazaats rijk,
Uit onverzoenbre wrake, aan twee oneffe deelen:
Hier ít hoofd en daar de romp, door bloedige erf krakeelen!
BANAJAS.
Gij koningslasteraar! geen koninge ongen‚
Geeft u dien slag, o neen, maar Abner, Amaza,
Die twee rechtvaardigen, van u al tí ongenadig
Mishandeld, zonder schuld, zoo godloos en moorddadig,
Verdagen God om wraak. Hun bloed drupt op uw hoofd.
Wat staan we langer, als van ons verstand beroofd?
Trouwanten! vaart vrij voort. De bloedhond bast nog stouter
Vaart voort, trouwanten! voort, en reikt den schelm van ít outer,
Naar achter in de Hutte. Ik volge u op de hiel;
Hij storte ít godloos bloed daar uit met Zijne ziel!
REI.
ZANG.

Wat maar verbaast onze ooren!
De prins, zoo hoog geboren,
Adonias is heen.
Och, waarí hij nog verbeÍn!
Een prins, zoo schoon geschapen,
Is al te vroeg ontslapen.
O edel moedige aard!
Hoe legt ge door het zwaard
Geveld op ít grazig outer.
Zoo wordt een bloem door ít kouter
Van haren steel gesneÍn.
De jonge frissche leÍn
Zal hij voortaan niet reppen,
Noch lucht en adem scheppen.
Daar legt nu al de roem
Van zulk een koningsbloem.
Och, Hagits zoonl wat vleyer,
Wat booswicht, wat misleyer
Beweegde u, al te rijp
Van oordeel en begrijp,
Dus tegens uw heer broeder,
Der stammen hoofd en hoeder,
Te wrijten op den hals?
Wat is de wereld valsch!

TEGENZANG.

Een prins, getoomd van zede,
Leeft met zijn staat tevrede,
En houdt zich aan het lot,
Hem toegelegd van God;
Maar ongetoomde zinnen,
Die zonder God beginnen,
En, vlammende op het heil
Der staten, boven ít peil
Van hun vermogen stijgen,
En worstelen en hijgen
Naar hoogheid, storten neÍr
Ten halve van hunne eer.
Had dees zich zelf geoordeeld
Naar ít broederlijke voorbeeld,
Nooit waar hij, snel en kort,
Zoo laag ter neÍr gestort.
Dat komt van reukloos minnen
En staan naar koninginnen!
Abizag staat hem dier.
Wie alverterend vier
Genaakt, verbrandt tot asschen.
O telg, te steil gewassen,
Gelijk een cederplant,
Hoe treft u ís Hemels hand!

TOEZANG.

Laat ons de rosbaar eeren,
Den lijksleep achteraan
Al klagende vermeÍren,
En tijdig sterven leeren,
Bedauwd van traan op traan,
Die, langs de kaken rollen
Uit oogen, dik gezwollen,
En rood en uitgeschreid.
Laat Hof en alle steden
Zich weÍr in ít rouwkleed kleeden,
Nog onlangs afgeleid;
Toen David uitgeblonken,
Met al zijn majesteit,
In ít graf lag neÍr gezonken.
Vlecht lijkkrans en feestoen
Van boof en eeuwig groen!
Dit licht heeft uitgeschenen;
Adonias is henen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001