Joost van den Vondel (1587-1679)

Adonias of Rampzalige Kroonzucht.

Aļ. 1661

VIJFDE BEDRIJF.

SALOMON, BANAJAS.

SALOMON
Hoe ging het, Banajas?
BANAJAS.

                                  Indien men ít zeggen mag,
Behouden ís konings gunst, het recht heeft zijn beslag.
Genade, o koning! laat mijn nooddienst u behagen.
Men hoort de lijken der weerspannigen beklagen,
Die ís konings ongen‚ zich haalden op den hals;
De joffers kermen luid, de stad is vol geschals.

SALOMON
Heer Banajas! sta op. Zou wordt mijn wil voltrokken.
Dat komt van kroonzucht, en het wederspannig wrokken
En wrijten tegens God en Gods gezalfde macht.
Verhaal Heer broeders end. Het koninklijk geslacht,
Mijn broeders, neven, en princessen mogen leeren,
Dat stam noch afkomst geen gerecbte straf kan keeren.
BANAJAS.
Ik spoorde, op ís kouings last, Heer broeders stappen na,
En sloeg zijn voetspoor door mijn hazewinden ga;
Gelijk de jager plag te volgen, in het dagen,
De veldstreek, daar de dauw van ít gras lag neÍrgeslagen,
Tot dat hij ít leger vond, daar zich de bange ziel
Van ít afgejaagde harte, uit hoogen nood, onthiel.
Bespieders rooken hier en daar een merrekteeken,
In ít oud Cypressebosch. Hier had hij zich versteken
In eenen hollen boom, die hem geen vijand wees.
Wij luisteren een poos en hooren, hoe de vrees
Verzucht in naarheid, daar geen zou noch dagstraal doorschijní.
Men riep: Ąai prins! schep moed, schep moed; koom vrij te voorschijn,
En toon u zelven en uwe onschuld aan den dag.Ē
Hij daalde op deze stem, en gaf zich bloot, en zag
Het schemerrn van ít licht door loof en bruine bladen,
En klaagde in ít end bedrukt: Ąhelaas, ik ben verraden!
Dat had Abizag, die mij hier wees, niet beloofd;
Doch ie zij, dus belust, beholpen met mijn hoofd,
Zoo houw het van den romp, laat dí aarde ít bloed opslorpen,
En ít hoofd in haren schoot, gelijk een bruidschat, werpen,
Zij mag het kussen, als de bleeke mond nog gaapt,
Tot dat het in dien schoot, als in zijn grafsteÍ, slaapt.
De kroonzucht kent noch bloed, noch afkomst, recht noch orden.
Wat was Adonias? Wat is hij nu geworden?
Geen koning op den troon, naar aller volken recht,
Natuurlijk, buiten strijd, van God hem toegelegd,
Maar een misdadige, een verrader, een verwonnen;
Het is gerokkend, maar het werk niet afgesponnen.
Alle eeuwen zullen mij verweren, West en Oost.
En hierop sterve ik, Gode en zulk een dood getroost.
ík Vergeef ít Heer broeder, mij te krachtig en te machtig:
Hij pronke met dien klank en naam van broederslachtig;
Dat is mij liever dan regeeren, zoo ít hem lust.
Nu, Banajas! vaar voort. Sla toe. Ik sterf gerust.
Laat dí overspeelster, die haar bastertkind holp wijden,
Laat vaders asch zich vrij in ít marmergraf verblijden,
Zoo ít wereldsche beloop den overleÍn verlicht,
Dat Salomon zijn troon op ít lijk des broeders sticht.
Hij knielt op dit beklag, die flus zoo moedig steigert
In top van uwe kroon. Mijn hand en slagzwaard weigert
Tot driewerf toe den slag te geven aan uw bloed.
Het hart klopt in mijn lijf. Ten beste scheppe ik moed
En roepe: Ą ís konings wil, niet mijnen wil geschiede,
Met-eenen ís Hemels wil! Geen valsche waan verbiede,
Den slag te geven aan de kroonzucht, die ít verdient,
En God, noch Gods gerecht, noch David heeft ten vriend.
ík Vertrek hier op den last, van hooger hand ontvangen.
Hij stort ter aarde en sterft en gaat der vadren gangen.
Al ít Hoftrouwantschap roept uit eeuen mond gelijk:
ĄLang leve Salomon, ten dienst van Gode en ít rijk!Ē
De boschgalm juicht het na wel driemaal, telkens flauwer.
SALOMON
ln ít scheiden sluit de band der bloedverwantschap nauwer
En nauwer om het hart, dat voelt dien harden slag.
De Hemel sterk me, dat ik dit uitharden mag!
Het kronegoud blinkt schoon; maar goud met bloed te sprengen
Misverft den glans van ít goud. De nood leert dit gehengen.
Hoe ging het entlijk, en wat nadruk gaf dit voort?
BANAJAS.

Bedrukte Abizag, die den boschgalm juicbeu hoort,
En in een schuilhoek vat, het bosch zat weggescholen,
Kwam, als een brullende leeuwin, uit duistre holen,
Die van haar jongen door den jager werd beroofd.
De vlechten vliegen wild om schouders, hals, en hoofd.
Zij komt, op dat gerucht, door bosch, door braam gevlogen;
Een helsche Razernij ontsteekt haar brandende oogen.
Zoo valt ze plotsling door den drang op ít stervend lijk,
Bezwijmt om Davids zoon, bemorst zich zelf met slijk,
Verscheurt haar kleeders, borstcieraden, en gewaden,
En legt er stijf en stom. Geen rouw kan ít hart verzaden.
Ten leste komt ze tot zich zelve, en berst dus uit:
ĄMijn zoon Adonias! och, koninklijke spruit,
Hoe zijt gij ingeleid door reukelooze raden!
Giet tranen over ít lijk! Strooit lijkcypresse bladen!
Cypressehosch! leg al uw bladers teffens af.
Al ít rijk geleide hem naar ít vaderlijke graf.
Och! waar hij, als een held, in ít harrenas ontslapen!
Ter wereld is voortaan geen vreugd voor mij geschapen:
Ik wees hem, loos misleid, dien boom tot eene wijk,
En koom te spade, om uit zijn mond eene wisse blijk
Van mijne onnoozelheid te trekken, u te toonen,
Dat mij geen schepterzucht, geen glans van koningskronen
Bekoorde, om Salomon te stooten uit den staat,
Van David en van God hem toegekeurd. O smaad!
Alle eeuwen zullen nu Abizag schuldig achten.
Helaas! ik vreesde hem tí ontdekken met mijn klachten,
En toefde veel te lang! Het is te lang gebeid.
ík Heb dien misleiden prins te wreed mijn hof ontzeÓd,
Uit angst en vreeze voor rijn broeders nngenade.
De slag is nu gegaan; dit kermen komt te spade.
Zoo kermt ze, en jammert flauw op ít lichaam in het stof.
Men heft haar op, en brengt het princenlijk in ít hof,
Met eene rosbaar, om te zalven naar de wijze.
ít Gedije God alleen en uwen stoel ten prijze!

SALOMON
Hou stand. Roep SemeÔ met Sadok hier voor mij.
BANAJAS.

Hij komt gedagvaard, en het hoofd hangt op een zij.

SEMEŌ, SALOMON, SADOK.

SEMEŌ.

Genade, o koning! och, hij durft het nauwlijks hopen,
Die aan den vader zich te schendig dorst verloopen,
Den vader, balling en verstoken van de kroon,
Door geen uitheemsch geweld, maar van den eigen zoon,
Nog vloeken, lastren, en een snooden bloedhond schelden,
En, dat nog hooger loopt, hem en zijn trouwste helden
Ten berge afsteenigen, ten schimp van zijn geduld.
ík Bekenne, ik steek te diep in onverzoenbre schuld,
En bidde u om gen‚. Toen David triomfeerde,
En over ís rijks Jordaan naar Sion wederkeerde,
VerneÍrde ik mij voor hem, uit rouwe en harteleed.
Hij zalfde mijne schuld, bezworen met een eed.
Wil nu de nazaat streng mijn oude doorschuld wreken,
Zoo ben ik lijveloos; zoo valt er niet te smeeken.
Maar gij, die vader in genade geensins wijkt,
Kunt zedig slechten al wat u verongelijkt.
Zoo komt ge David en zijn heilig voorbeeld nader;
Zoo trooste mij de zoon, als eertijds zijn Heer vader!

SALOMON
Ik weet, wat David mij belastte wijs en stil:
Gij deelt met Joab diep in vaders jongsten wil;
Nog zal men ís konings eed niet licht in u onteeren.
Uw straf genaakt. Laat zien, wat ons de tijd wil leeren.
Let op uw konings woord, en luister naar zijn stem:
Ga heus, bouw een huis hier in Jeruzalem.
Men zal een wakende oog op uwen wandel houden,
Ons ít rijk te veiligen van alle misvertrouwden.
Ten welken dage gij, verlatende uwe streek,
De voeten verder zet dan onze Cederbeek,
Zult gij de nieuwe schuld en dí oude voort betalen:
Dies wacht u ís konings vloek op uwen hals te halen!
SEMEŌ.

Geloofd zij Salomon! Voorwaar, hij oordeelt recht.
ík Bezweer die wijze wet, en blijve ís konings knecht.

SADOK.
Het lust me in Salomon den Vredevorst tí ontmoeten,
Die alle erfvijanden, aan ít outer van zijn voeten,
In stof zien leggen en zich buigen voor Gods troon.
ík Verwacht in Salomon een andren Davidszoon!

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001