Joost van den Vondel (1587-1679)

Adonias of Rampzalige Kroonzucht.

TREURSPEL.

Aº. 1661

DEN WELEDELEN HEERE

JACOB DE GRAEFF,

JONKHEERE VAN ZUIDPOLSBROEK.

Hier wordt het heilig treurtooneel weder opgeschoven, daar Davids zoon, Salomon,. die gezegende vredevorst, en dat heerlijk voorbeeld van den toekomenden Messias in Zijne heerlijkheid, ter vierschare gaat, in zijn eerste recht, het gestrenge halsgerecht over zijnen ouden broeder Adonias, die, onder schijn van d’ overschoone Abizag, zijn vaders ongerepte weduwe, met ’s konings believen te trouwen, niet zonder heimelijk verstand van aartspriester Abjathar en veldheere Joab, ten tweeden male naam de kroon van Juda staat. Hier draven, onder zooveel barningen van verscheide hartstochten, de twee hoofdcieraden van een volkomen treurspel, Herkennis en Staatsveranderinge, op het hoogste; want de beoogde bruiloft verandert in een bloedbanket, de bruiloftszaal in een schavot, end. bruidsledekant in een graf des rampzaligen bruidegoms en het erfkroongeschil valt tusschen bloed en bloed. Men vindt er, die hier een schalk oog op houden, gedenkende aan deze lang geslete spreuk:

Indien men voor geen rechtbreuk schroom’,
Bedrijf geweld
Als ’t kronen geldt;
In andre zaken hoû u vroom!

Eveneens gelijk of Salomons oordeel onrechtvaardig waar, aangezien het tegens de natuurwet en het recht der volken streed, waarbij de jongste billijk den oudsten broeder, en byzonder onder de Hebreën, daar d’ eerstgeboren eens zoo diep in de erfenisse tastte, behoorde te wijken; maar zij letten niet, van hoe groot eenen nadruk dit zij, het onfaalbare blad, daar het zoo klaar spreekt, met achterdocht van valschheid te bevlekken, en anders dan waarheid, wijd afgescheiden van logentaal en onrechtvaardigheid, te leeren spreken. Een omzichtige wacht zich wel, den Heiligen Geest te wederstreven, die uit den mond van koning David, eenen man naar Gods hart, aldus spreekt: „Onder de zonen, mij van den Heere (want Hij gaf mij veel zonen) gegeven, verkoos Hij Salomon, mijnen zoon, om op den troon van het rijk des Heeren te zitten over Israël, en sprak tegens mij: „Salomon, uw zoon, zal Mij een huis en mijne kerkpoortalen bouwen; want Ik verkoos hem Mij ten zone, en wil zijn Vader zijn, en zijn rijk eeuwig bevestigen, indien hij volhardt, mijne geboden en rechten, gelijk heden, t’ onderhouden.” Deze eenige getuigenis, uit meer anderen gekozen, is alleen genoeg, om in het broederlijk halsrecht Salomon te verdadigen, eenen koning tot zoo groot eene majesteit en wijsheid geschikt, dat hij niet alleen de wijsste boven alle menschen genoemd werd, maar ook in gelijkenisse komt bij het Hemelsche Orakel der wijsheid, daar het zegt: „ziet, hier is meer dan Salomon.” Wie zou dan dorven ontkennen, dat de natuurwet en het recht der volken wijken moet, daar God zelf spreekt en de Wet stelt? Ik nam de vrijmoedigheid, mij zelven d’ eer te geven, dit treurspel uwe weledele jeugd op te dragen, die, ter burgerlijke regeeringe geboten, de burgerije hoop geeft. u eens te zien bekleeden den stoel en de staatampten, ten beste van zijne stad en vaderland, zooveel jaren loflijk bekleed bij wijlen uwen grootdadigen heer grootvader, wiens naam gij niet onwaardig draagt en nog waardiger zult dragen, als zijne dapperheid en grootdadigheid eens in u, zijn levendig afzetsel, op het raadhuis herleven zullen. Uwe edelmoedigheid blijkt almeede, gelijk in een voorspel, in het ridderlijke oefenen van brave paarden, om onder onze- jonge ridderschap. de kornet te voeren, en princen en princessen t’ onthalen. In het bespiegelen van die blijde inkomsten u ziende, vielen mijne gedachten op den kleenen Priaam, die, onder de Trojaansche kornet, van edelmoedige jongelingen gevolgd werd, en van wien de Poöet zegt:

Nomen avi referens,

en ik zette dit vaers op uwen rustigen draf:

Hoe levend ziet die brave spruit
Zijn grootvaârs aard ten oogen uit

Indien het u. gelieve, dit treurspel, voorgevallen met den intrede van Salomons rijk, gunstig t’ ontvangen; ik zal het mij tot eene onverdiende eere rekenen, gelijk toen wijlen uw heer grootvader mijn treurspel van Gijsbrecht van Aemstel met zijne tegenwoordigheid verheerlijkte. Ondertusschen wensche ik altijd te blijven, weledele heer,

Uwer Weledele ootmoedige dienaar

J. V. VONDEL.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001