Joost van den Vondel (1587-1679)

BATAVISCHE GEBROEDERS

OF ONDERDRUKTE VRIJHEID

HET VIERDE BEDRIJF

WALBURGH. FONTEIUS. HELDEWIJN.

WALBURGH.

Heer stedehouder, hoe? hoe loopen nu de posten?
Wat hooren wy? hoe dus? zal t nu ons zoonen kosten?

FONTEIUS.

Vrou Walburgh, neem gedult: uw voorbe komt te spa.
Het vonnis leght gevelt. verzoeck nu geen gena.

WALBURGH.

Niet minder dan gena verzoecken voor die braven,
Twee vrye helden, geen gebore keizers slaven,
Lantsheeren, vorsten, beide uit koningklijck geslacht,
Van lasterstucken, noch verradery verdacht.
Gena verzoeckt men voor misdaedigen, ontaerden
Van deught en vroomheit, die noch gon noch menschen spaerden,
En kerck en vaderlant ontwijdden. neen voorwaer,
Geen gunst verzoecken wy, noch schroomen halsgevaer.
Gebruick uw strengheit aen uw slaven, naer uw stijlen:
Wy Batavieren zijn uw bondelrecht en bijlen
Niet onderworpen, en ons vorsten allerminst,
Wien t rijck moet dancken voor zijn zege en overwinst,
In oorlogh door beleit der broederen genoten.

FONTEIUS.
Mevrou, wy weeten uit wat stamme uw telgen sproten:
Maer stam noch adel wort in halsrecht aengezien.
Ontschuldigh ons. August gebiet en kan verbin
Wat hem behaeght: wy staen ten dienst van zijn, behaegen.
Bezwaer uw zoonen niet met ongestuimigh klaegen.
Men schonck uw Julius noch korts een dootschult quijt.
WALBURGH.

Een schuit, hem opgedicht uit bittren wrock en nijdt,
Gelijck men u, niet lang gelen, betichte in t Oosten. (*)

FONTEIUS.

Nu moeder, steur u niet: de hemel wil u troosten.
Wy hebben een van bey verschoont, op s krijghraets be,
En t recht gemaetight, schoon het recht geen uitstel le.
Zoo een van beide voor Augustus zich verdaedigh,
En Neroos uitspraeck hem verschoone en begenadigh;
Ghy zult uw zoon, schep moedt, herstelt zien in zijne eer.

WALBURGH.
Die is hy magtigh met de proef van zijn geweer
Te vryen tegens elck, die hem zijne eer durf vergen.
Zie toe: verhaest u niet. ghy zult den adel tergen,
Dies span geen netten, daer uw voet eerst in verwart.
De duinheer Bruin bemint mijn zoons, gelijck zijn hart.
Die trotse vryheer steunt op zijn Konijnevatters,
Noit slaven onder t juck. dat zijn oprechte schatters
Van t pant der vryheit, by Romainen snoot ontwijdt.
Zy kroppen vast hun leedt, doch schelden t hun niet quijt.
Een duinman waer getroost, al stondt ghy dicht gesloten
Van ljftrouwantefl, dy een priem in t hart te stooten,
En zijn bebloede ziel te mengen met uw bloet.
FONTEIUS.
De reden leert ons dit het moederlijck gemoedt,
Beweeght in dezen schijn met haer beminde zoonen
Niet toe te rekenen, den ouderdom verschoonen
Is billijck. moeder wy vertrecken in het hof.
HELDEWIJN.

Zoo gunme eerst dat mijn zoon alleen met uw verlof
Zijn moeder, eene weu, magh bystaen en verquicken

FONTEIUS.

Het is besloten hem den keizer toe te schicken,
Tot eenen schiltknaep of dischschencker in t pallais,
Hy moet zijn oom t geley verleenen op de reis,
Nu onderstut mevrou, uw moeder: wy tren binnen.

WALBURGH.
Hier valt met jammeren by schelmen niet te winnen,
En zich verkleenen geeft uw hoogen stam geen lof.
HELDEWIJN.
Wou moeder, gaenwe. geef den rechter geene stof
Om strenger in t gerecht zijn wreetheit t openbaeren.
Ghy kunt mijn zoon en mijn heer broeder slechts bezwaeren.
WALBURGH.
Tyrannen, vangt, en spant, en raest, en moort, en prest.
O broedermoorders aert, te Rome in t wolvenest,
Gevoedt van een wolvin, gebroet van vondelingen
En nonnebasterden
, die aen de wolfsspeen hingen,
Hoe groeit ghy in t bederf van al wat adem haelt!
Onze afkomst zette u rijck dit lasterstuck betaelt,
Indien de goden uw verwatenheit niet plaegen.
Dit taeie stoxke kan de krancke len naeu draegen.
Hoe zwaer valt s lichaems pack den hoogen ouderdom,
Alree met eenen voet in t graf, gebuckt en krom.
k Hoop Vechters wraeck zal eens dit ongelijck beslechten.
Nu dochter leyme voort: hier valt niet uit te rechten.

KRIJGHSRAET. JULIUS. BURGERHART

KRIJGHSRAET.

Doorluchtste vorsten, wien een rijck van Nero past,
Verschoont den krjghsraet toch, gewettight om den last
Des stedehouders (hy gebiet het) uit te voeren.
Al t Roomsch gebiet gewaeght van ooreloghsrumoeren.
Uw namen mengen zich in t schricklijck krijghsgeschal
Men gunt u keur wie van u beide sterven zal.
Wie nabljft moet zijn zaeck voor Cezars stoel, verweeren.

JULIUS.

t Gaet wel: t gaet wel. verdelght Batavische lantsheeren
Zy stonden t Kapitool te Rome lang in t licht.
Daer heerscht Nymfidius en Tigellijn. elck sticht
Een vorstelijcken troon op onzer beide lijcken.
Fonteius ziet hier oock een kerckroof uit te strijcken.
Vaert voort, vaert voort met my. heer broeder, neem verlof,
En wensche u voorspoet, in uw optoght naer het hof.

BURGERHART.

Hoe nu, heer broeder? laet my d eerste d eer bewaren.
Het is geraden u het leven langst te sparen,
Ten dienst van t vaderlant, en onderdruckte volck.
k Was lang den doot getroost, en vreesde zwaert noch dolck.
Het sterven is ons erf. het scheelt slechts in de wij ze.
Ons eerlijck sterven streckt Baethouders ten prijze,
Romainen eeuwigh tot versmaetheit en verwijt.
Volvoert uw last: ick schel mijn doot den krijghsraet quijt.

JULIUS.

k Gedoogh niet datghe sterft. ghy moght de majesteiten
Omzetten, en t gewelt intoomen onder t pleiten.
Ons onderdruckt geslacht, de moeder, gemalin,
De zusters, kinders, al de neven, hofgezin
En aanhang, duizenden op uwen voorstant hoopen.
Vermurwtghe Cezars hart, zoo staet de toegang open
Ten hove voor elck een, die nu verstooten zit.
Geheel Batavie, met recht bekommert, bidt
Dat de u goden, om t gemeene beste, spaeren.

BURGERHART.
Ick wensche uw leven met mijn sterven te bewaeren,
Tot heil van t algemeen, gedompelt in verdriet.
Dit leven, zonder uw genootschap, lustme niet.
JULIUS.

En my noch weiniger. de liefde ontzeght te scheiden.

KRIJGHSRAET.

Ghy heeren, sluit. de tijt verbiet hier lang te beiden.

BURGERHART.
Gebie mijn broeder dat hy op mijn bede wijck.
JULIUS.

Of zal hy voortren, deck zijn lichaem met mij lijck.

KRIJGHSRAET.

Het vonnis luidt: laet een van beide zich bereiden.

JULIUS.

Zoo laet den krijghsraet my naer t bloedigh outer leiden.

KRIJGHSRAET.

De rechter heeft dit aen der broedren keur gezet.

JULIUS.

Men gunme dan den keur. waerom mijn wensch belet?

BURGERHART.
Hier gelt vrywilligheit, geen dwang van wederzijde.
JULIUS.

Zoo dwingme niet, dat ick door dwang uw voorgang lijde.

BURGERHART.

Bezwaerme met geen juck, dat ghy niet draegen wilt.

JULIUS.

Mijn oude en uwe een jaer, en ruim zoo veel verschilt.

BURGERHART.
Wat heeft een jaer geschils in oude hier te zeggen?
JULIUS.

Dat broeder my den keur van sterven toe moet leggen.

BURGERHART.
En waerom niet den keur des doots aen my gestelt?
JULIUS.

Dewijl ick d outste ben, wiens woort het meeste gelt.

BURGERHART.
De jongste scheide dan veel nutter uit het leven.
JULIUS.

Dus blijft de keur des doots van wederzy noch even.

BURGERHART.
Zoo lang d een broeder niet den andren wijcken wil.
JULIUS.

Dit is geen erfkrackeel, maer wightigh dootgeschil.

BURGERHART.
Dat duren blijft, zoo lang wy om het keurrecht vechten.
JULIUS.

Laet door het loten dan dit keurkrackeel beslechten.

BURGERHART.
En of by ongeluck het lot u viel te beurt?
JULIUS.

En of by ongeluck u t lot hadde uitgekeurt?

BURGERHART.

Waer loting valt, daer gelt geen vrye wil na et loten.

JULIUS.

Most ick mijn broeder, zoo hem t lot trof, dan verstooten?

BURGERHART.

Wy mosten alle bey genoegen, t viel hoe t viel.

JULIUS.

Mijn broeder missen? och ick mis mijn halve ziel

BURGERHART.

En ick mijn heele ziel, quaemt ghy door t lot te sneven.

KRIJGRSRAET

De snelle tijt verloopt, met al dit wederstreven.

BURGERHART.

Verdriet het u; men steile aen my het hooge woort

JULIUS.

Hoe kan ick stemmen tot een vuilen broedermoort?

BURGERHART.

k Vergeef het u: ghy zult hierom geen opspraeck hooren.

JULIUS.

Veel nutter noit geleeft? veel nutter ongeboren.

BURGERHART.
De bloetverwantschap is een nimmer scheidbre bant.
JULIUS.

Een bloetknoop, stercker dan een knoop van diamant.

BURGERHART.
Help Herkules, wat raet? hoe raeckt de strijt ten einde?
JULIUS.

Dees worstlinge overweeght alle overstren elende.

KRIJGHSRAET.

Ghy heeren, waerom dientghe u zelven tot een last
In dezen schijn? t geschil aen t barnen groeit en wast.
Natuur is krachtigh, en het onderling medoogen,
Gelijck in eene schael van reden opgewogen,
Staet even pal, en wijckt niet uit den evenaer.
Dus stonden eertijts twee halsvrienden voor t altaer;
Orest en Pylades, getrou in doot en leven,
Waer van daeloude faem getuigenis kan geven:
Maer ghy gebroeders, uit een moeders schoot gebaer,
En onder t zelve hart gedraegen en bewaert,
Door bloetverwantschap blijft verknocht, dies is t geen wonder
Dat een gelijcke treck van werzijde in t byzonder
U krachtiger verbint: en zijt hierom gewis
Dat aen dit worstelen geen endt te vinden is,
Ten zy een rechter in uw halsstrijt koom van buiten,
En helpe u in dien noot het halsgeding besluiten.
Belieft het u dat een kornel naer binnen tre:
De stedehouder wacht, en zal in uwe ste
Een kiezen uit u beide, en dezen bloetstrijt scheiden.
De tijt schiet voort, en spoet, men kan niet langer beiden.

BURGERHART.
Ick stem het toe, indien mijn broeder dit bestemt.
JULIUS.

Mijn hart, hoe kloptghe dus weemoedigh en beklemt!
Ick volgh mijn broeders stem, door nootdwang, en te noode.
De krijghskornel hael t woort. hoe suffe ick nu dus bloode,
Die slagh op slagh, wanneer de krijghsklaeroen my riep,
In t barnen van den strijt, op speer en heirspits liep,
En wrong de zegekans uit s vyants ysre klaeuwen?

BURGERHART.
Schep moedt, heer broeder. laet uw heldenhart niet flaeuwen.
Wy zullen daetelijck een veilige uitkomst zien.
KRIJGHSRAET.

De stedehouder wil gebieden noch verbin,
Maer stelt de keur aen t lot, in dezen helm gesloten.
Laet een onnozel kint het onpartijdigh loten
Bevolen. jongske, treck voor elck een cedel uit.
Het lot eischt Julius, door t merck des doots beduit.
Omhelst elckandre nu: de noot gebiet te scheiden.
Wy willen Julius ten boschaltaer geleiden.

BURGERHART.
Och broeder, t lot heeft my die schoone doot benijt,
En niet ten woutaltaer van Herkules gewijt.
Ghy sterft voor t vaderlant en recht der Batavieren.
Verplicht uwe eer te von, met groene populieren,
In t heiligh offerwoudt, beschaduwt om het hooft,
Daer Duitsche Herkules geviert wort en gelooft.
Wat zal men Nero van uw uiterste gewaegen?
JULIUS.

Dat ick getrou het zwaert aengorde op zijn behaegen,
De paelen van het rijck uitzette door beleit,
En wensche dat hy toch, naer zijne billijckheit,
De Bataviers herstelle, en kenne, als bontgenooten,
Naer inhoudt des verbonts, met Julius gesloten.
Indien uwe onschult voor t gerecht ten hove gelt,
En hy u weder in den ouden staet herstelt,
Bezorgh vrou moeder, nu ten ende van haer leven,
En luick haere oogen, als zy komt den geest te geven.
Omhelsme noch voor t leste, en maetigh uwen rou.
Wat schudtghe t hooft? vaer wel, blijf t vaderlant getrou.

BURGERHART.
Heer broeder, k wensch mijn bloet in uwe plaets te storten.
KRIJGHSRAET.

Doorluchtsten, het is tijt dit marren af te korten.
Heer Julius, t is tijt om boschwaert in te slaen.
Heer Burgerhart, vertreck. de hofwacht port u aen.

BURGERHART.
Help Herkules, is nu dit moortstuck niet te keeren?
Men most dien bloetroof hun ontweldigen. wy zweeren
En eens, en anderwef, en drywerf, dat geen schaer,
Geen scheermes, geene vlijm dit lang gewassen
Zal korten, eer de wraeck het schelmstuck hebb gewroken,
Maer wat zijn woorden, los en in den wint gesproken?
Verkeert de kans, de wraeck, die my in t harte zit
Gewortelt, moght wel eens s Romainschen borst ten wit
Gebruicken van mijn zoons in gal gedoopte pijlen.
Verdruckte vryheit, nu bezwijcken beide uw stijlen!

REY VAN BATAVISCHE VROUWEN. WALBURGH. HELDEWIJN.

REY.
ZANG.

     O Boschnon Welda, mont van Godt,
     Ghy spelde ons, zonder gront en slot,
Hoe eens een wildeman, uit bossen
Te voorschijn trende, zou verlossen,
     Omtrent den uitgang van den Rijn,
     De melckkoe, in bedroefden schijn
Gespannen, onder ysre jucken;
Hoe hy de slaghpen uit zou rucken
     Den trotschen vogel, die verstaelt
     Zijn roof op alle vogels haelt.
En, nimmer zadt van vraetigh slicken,
Den Rijnleeu naer t gezicht durf picken.
     En hem een moortklaeu slaen in t hart.
     O, wee, bitterheit, smart!
Hoe gaet dit anders dan ghy spelde,
En, ons ten troost de snaeren stelde
     Op eenen zegenrijcken toon!
     Verdiende uw wichlen eer een kroon
Van onverwelckbre lauwerbladen;
Nu mist het uwen mont, in t raeden
     Van duitkomste, ons ten troost belooft.
     Ghy zaeght dit onwer over t hooft.
Baethouwers, Waterlanders, Kermers,
Nu zoeckt geen hulp aen lantbeschermers.

TEGENZANG.

     Een bloetraet, die geweldigh heerscht,
     En naer stadthouders hoort, past eerst
De vrydoms hoofden neer te vellen,
Om dan een volcke een wet te stellen
     Geprent in t hart, gekneet als was.
     De dwinglandy wort in tiras.
Van t elste bloet geleght. nu baeten
Geen klaghten. het gezagh der Staeten
     Moet zwichten voor een wreet Romain,
     Een onrechtmaetigh staetwaerdein.
Hy houdt de vryheit in zijn kluiven,
En weet op s heerschaps hals te schuiven
     t Ontheiligen van t vreverbont,
     Gesterckt, op Nederrijnschen gront,
Van Cezar, nu in top geheven,
Gelijck een Godt, in t ander leven.
     Hy past op hantvest noch op wet.
     Hoe treft de dootgangk en de tret
Van Julius het hart der lieden,
Te zwack om wederstant te bieden!
     De tijt leert zwijgen. elck verbijt
     Zich zelve, en kropt dien moort en spijt.
O burgerheeren, trouwe vaders,
Hoe verft men u, als lantverraders!

WALBURGH.

Bedroef de reien, staeckt uw klaght:
Verkeertze in lofgezangen.
Zy sterven op hun heldenwacht.
De dappersten verlangen
Te sterven, niet in t muffe bedt,
Maer op t altaer van eere,
Waer op de Nerduitsch wijzen zet.
Indien de kans eens keere,
Beleve ick t niet, ghy zult den dans
Der maeghden me bekleeden,
En lieffenze in den starretrans,
Die voor s lants vryheit streden.
Wy baerden zoons uit onzen schoot,
Tot heil der onderzaeten.
Wy kussen zulck een schoone doot.
Zy hanthaef t heiligh recht der Staeten.

HELDEWIJN.

Vrou moeder, gaenwe in t hof.
Ay geef geen nieuwe stof
Aen dezen valschen rechter.
Verschoon uw zoon, en mijnen Vechter,
Die met een zuren stap
Naer Rome gaen in ballingschap.
Vrou moeder, leun op mijne schouder.
Stockoude vrou,
Stantvastiger dan ick in rou,
Och waren wy zes maenen ouder, (*)
En erfde een Galba t hoogh gezagh;
Wy moghten, een gewenschten dagh
Belevende, adem scheppen:
Nu durf de tuinleeu zich niet reppen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001