Joost van den Vondel (1587-1679)

KONING DAVID IN BALLINGSCHAP.

INHOUDT.

Toen David, zoon van Jesse, en koning van Juda en Isral, zich door overspel met Berseba, en door moort met Urias bloet besmet hadde, dreigde hem profeet Nathan, uit Godts mont, met eenen langdurigen nasleep van straffen en plaegen hier op te volgen, schoon de misdaet, door schult-bekentenisse en boetvaerdigheit, gezoent was. Hierop volghden eerst het overlijden der vrucht, Ammons zusterschennis, Absolons broederslaght, en endelijck, na zijne geleden ballingschap en verzoeninge, des zoons wederspannigh opzet, om naer vaders leven en kroon te staen. De zoon verzagh zich van eenen stoet lijfschutten, wagens, en paerden: ging, als rechter, in het poortgerecht zitten, en, overschoon en bevalligh, onderhiel de gemeinte minzaem, en gespraeckzaem, en onderkroop allengs het hart van alle stammen. Toen Absolon nu den tijt rijp zagh, om het schelmstuck in t werck te stellen, nam hy glimpeligh, en schijnheiligh, oorlof van den vader, om naer Hebron, der Hebreen gebedeplaets, te reizen, en zich t ontslaen van den bant der offerbelofte, waer dooor hy, gedurende de ballingschap, zijn geweten aen Godt verbonden hadde. Ondertusschen was het (ongetwijfelt met Achitofels raet) besteecken, dat alle stammen, van Dan tot Berseba, zich daer zouden gereet houden, op den naem van s princen bedevaert en offer te helpen bekleeden. Hy komt dan te Hebron, daer Achitofel, s konings geheimraet, en de stam heeren, op het kerckhof der aertsvaderen, met den prince in vloeckverwantschap treden, Abosolon, met geklanck van bazuinen en volle statie, voor koning afkundigen, hem zalven, en kroonen, en voor gewapender hant naer Jeruzalem, den rijxstoel, optrecken. David besluit, op deze onverwachte maere, de stadt te verlaeten, en tien beddegenooten den burgh te beveelen. Hy treckt schreiende, het hooft met eenen rousluier beschaeduwt, en baervoets, met aerspriesteren Levyten, de bondtkiste, en alle zijnen aenhang, ter stede uit, over de Cederbosch, naer den Olijfbergh, en, daer geene openbaeringe noch goddelijcke antwoort uit den genadetroon verneemende, gebiet d aertspriesters met hunne zoonen, en de Levyten, en het heilighdom, weder stedewaert te keeren, ofze hem in dien droeven schijn, noch moghten dienen, en voor gevaer  waerschuwen. Ondertusschen ruckt de zoon, door zuster Thamars tusschenspraek niet vermorwt, zonder slagh of stoot, Jerusalem in, beraet zich met Achitofel, die (om der weifelenden aenhang ter verzekeren van des zoons onverzoenbaerheit met den vader,) den nieuwen koning, nu zijnen heer, raet Davids beddegenooten in het openbaer te beslaepen, en den balling terstont in zijn zogh te volgen. Chusa, Davids geheimraet, en vrient, ten hove wederkeerende, stoot Achitofels raetslagh van terstont den koning te vervolgen glimpelijck om, en wint uitstel. Sime, Sauls bloetvrient, komt oock in de stadt, en verhaelt, om gunst by den wederspanneling te winnen, hoe hy den balling, arm en nootdruftigh, van Siba ter noot met luttel voorraet voorzien, te Bahurim vloeckte, en met steenen smeet. Absolon vaart voort, om s konings beddegenooten te misbruicken. Achitofel, ziende zijne raetslagh door Chusa omgestooten, en wanhoopende aen Absolons behoudenis, besluit uit mistroostigheit zich in Gilo, zijne stadt, om het leven te helen, waerop d aertspriesters, wien het toekomende geopenbaert wort, Absolons aenstaende nederlaegh voorspellen, en hoe hy, na het verlies des veltslaghs, onder het vlughten, in t bosch van Efram, by zijn haer en locken aen eenen boom hangende, den dootsteeck in zijn harte zou gevoelen.

Het inhoudt van dit treurspel is geschept uit het tweede boeck der koningen (2 Samul), en Josephus zevende boeck van van de geschiedenissen der Joden.

Het tooneel is te Jerusalem, voor Davids burgh. Het treurspel begint te midnacht en endight met den avont. De Levyten bekleeden den rey.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001