Joost van den Vondel (1587-1679)

KONING DAVID IN BALLINGSCHAP.

DEN
EDELEN EN GESTRENGEN HEERE,

ANDRIES DE GRAEF, (*)

OUDEN RAET EN REKENMEESTER DER GRAEFLIJCKHEIT VAN HOLLANT EN WESTVRIESLANT &c, BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM.

Onder Sint Lukas kunstgebroederschap, de schilders, is een gemein spreeckwoort (eene waerheit, al over twee duizent jaeren, by den grooten treurspeldichter Euripides gestreckt,) gangbaere munt: Kleene beelden kleene, groote beelden groote misslagen: het welck niet ongerijmt op het beloop van het tooneel der werelt slaet, daer eenerhande gebreken van kleenen of grooten nadruck zijn, naer de kleenheit of grootheit der personadjen, die daer heure rol speelen: en de ridder en drost Hooft zeide niet buiten reden, dat d allerschoonste dingen by inbeeldingen bestaen. De beide grontstellingen kan men lichtelijck met voorbeelden verlichten. De grootmaghtighster aertsengel Lucifer, Godts stedehouder, bespiegelde hoe heerlijck het zoude zijn, indien hy het leen van zijne kroone niet langer by Godt zijnen schepper, hoefde te verheffen, berockende hierom eenen burgerkrijgh in den hemel, en van eenen schoonen aertsengel in eenen gruwzaemen draeck misschapen, sleepte eenen staert van het derde deel der starren met zich ter eeuwige duisternisse. Een goude kroon op het hooft te willen draegen, als Absolon, of de korte wellust van een schoon vrouwenbeelt te genieten, als David, wat staenze zoone en vader dier! Heilige en weereltsche bladen zijn dicht bezaeit met diergelijcke voorbeelden, daer dickwijl een heele werelt, en duizenden onnozelen meer om te lijden hebben dan de menschelijcke natuur maghtigh is uit te harden: en de heilige Geest toont ons, als in eenen klaeren spiegel, wat het gezicht van eene badende Bersabe vermagh op den grootdaedigen koning David, eenen profeet, yveraer voor de wet, en man naer Godts hart; en hoe het reuckeloos verydelen der zinnen eeuwen van jammeren en oorlogen na zich sleept, die, uit Davids huis ontsproten, alle zijne afkomste, en nazaten, uitgezondert Salomons geluckigen tijt, verduren, en profeet Nathans dreigement, uit Godts mont, bevestigen: gelijck dat schrickelijcke vonnis met deze woorden gevelt lagh: Het zwaert zal in der eeuwigheit van uwen huize niet aflaten, ick zaleen ongeluck uit uwen huize tegens u verwecken, uwe vrouwen voor uwe oogen wegrucken, uwen naesten geven, en hy zalze by klaeren zonnechijn beslaepen. (*) Hier koos ick koning Davids ballingschap, en haer jammerlijck gevolgh, als een leerzaem voorbeelt, dat rijcke stof en levendige verwen tot eene spreeckende toneelschildery bestelt: want men ziet in dien schichtigen ommezwaay van staet allerhande hartstoghten zich openbaeren, en t zamen worstelen in lijdende en verblijdende personaedjen, naer datze hier nadeel of voordeel uit trecken. Een oude getuigenis zeght van Euripides Fenisse, by den heer gezant Huigh de Groot, onsterfelijcker gedachtenisse, geluckigh en heerlijck hartstoghten, rijck van personaedjen, en vol uitnemende spreucken. Hoe na of verre, in in de schaduwen van zulck eenen aelouden voorganger, volge, daer van zou de heer Burgemeester konnen oordeelen, indien hy zich gewaerdighde by gelegenheit eens zijne oogen op de tekeninge en schickinge van dit treurtafereel te slaen, terwijl ick wensche te blijven,

Weledele en Grootachtbaere heer,

Uwe weled. en grootachtb. ootmoedige dienaer

J. V. VONDEL.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001