Joost van den Vondel (1587-1679)

KONING DAVID IN BALLINGSCHAP.

HET EERSTE BEDRIJF.

ABSOLON. THAMAR. DAVID.

ABSOLON.

Mijn schilknaep, na terstont in ít hof: roep zuster Thamer.
Zy zit en wachtme, alree gekleet in hare kamer.
Zegh datze hier verschijní, gelijck ick had belast.
De broeder Absolon verwacht heer vader vast
Voor ít hofportael. hy rijst, om met de koorlevyten,
Ten zang gewijt, zich in zijn nachtgebeÍn te quyten,
Voor Arons heilighdom. de tijt eischt datze spoÍ.

THAMAR.

Zijt ghy ít., heer broeder; dus vroegh op naer vader toe?
De starren staen in keer. de nacht snijt recht in ít midden
Zijn loopbaen
. spoet ghy mÍ ter Godtshutte om te bidden?
Dat is godtvruchtigheit. zoo volght men vader na,
Die zevenmael, eer ít licht verrijze en onder ga,
Gewoon is in ít gebedt den Oppersten te smeecken.

ABSOLON.

Vrouw zuster, ík hadde met heer vader iet te spreecken:
Gelijck ghy hooren zult. hier dringt de tijt op aen,
En mijn gelegentheit. het schijnen van de maen
Begunstigt my. ík verzoeck dit onder uw geleide.
Ghy weet maer al te wel den onlust, tusschen beide
Gerezen: en hoewel die hofstorm raeckte in rust,
De koning, weÍr verzoent, my minzaem heeft gekust,
Nocht schroom ick hem by nacht te treden onder de oogen.
Verwerf my eerst verlof, dat hy me uit mededoogen.
Genadigh spreecken hoore, en toesta mijn verzoek.
ík Zal midlerwijl te rugh hier ergens in eení hoeck
Wegh schuilen, en hem niet genaecken al te vaerdigh,
Al kende hy ons zijn genade en aenschijn waerdigh.

THAMAR.

Heer broeder, ík hebbe uwí zin en meening wel verstaen.
Vertreck een kleine wijl: daer komt heer vader aen.
Levyten treÍn vooruit. de hofstoet volght in orden,
Met ís konings lijfstaffiers, al is hy grijs geworden,
En zestigh jaeren out: het aenschijn ziet verblijt:
Het voorhooft zet geen kreuck. Godt recke zijnen tijt.
Hy heft zijn oogen en het hart met vreught naer boven,
Gereet den Hooghsten met gezang en harp te loven.
Godt stercke vader in zijní yver voor de wet.

DAVID.

Godt zegene mijn kint. wat jaeght u uit uw bedt?
Mijn hofwacht heeft noch eerst den berghaen hooren kraeien.
Zoeckt ghy de Godtheit oock met nachtgezang te paien?
Zoo volghme in Moses hut godtvruchtigh na, en paer
Uw liefelijcke keel met ís konings harp en snaer.

THAMAR.

Ick koom, heer vader, uit den naem van mijnen broeder.

DAVID.

Uw komste is aengenaem. Godts engel zy de hoeder
Van Absolon, mijní zoon. wat is uw bootschap toch?

THAMAR.

Hy wenscht den koning (moght hem dí eer gebeuren) noch
Te spreecken: wat hem zijn gelegentheden jaegen.
Hy schroomt heer vaderís nachts te moeien, iet te vraegen,
Eer ick hem gunst verwerve, uit zusterlijcken plicht.

DAVID.

De zon verheught ons min dan Absolons gezicht.
Wat schroomt hy? laet hem vry terstont te voorschijn komen.
Hy hoeft ons aenschijn, oock by midnacht niet te schroomen,
Maer spreecke ons aen, gelijck voorheene, vranck en vry.

THAMAR.

Ick ga hem haelen uit des konings galery.
Waer zijtghe, broeder? koom te voorschijn.

ABSOLON.

                                                                    Thamar zuster,
Wat antwoort kreeghtghe?

THAMAR.

                                         Zet uw hart ny vry geruster.
Uw vader wacht u, ga, spreeck hem vrymoedigh aen:
De wegh is nu gebaent.

ABSOLON.

                                     Zoo durf ick heenegaen?

THAMAR.

Vrymoedigh als by daegh. ghy hoeft geensins te zwichten.

ABSOLON.

Ter goeder ure. ick voel mijn hart alree verlichten.
De koning moedight my, en treedt zelf herrewaert.

DAVID.

Wel Absolon, mijn zoon, heeft iemand u bezwaert,
Dat ghy ons aenschijn zoeckt by nacht? zegh op: laet hooren.
Wy zijn de zelve, en noch uw vader, als te vooren,
En ghy mijn waerste zoon. tre nader: schroom niet meer,
Tre nader, zoon, ontfang mijní zegen. groey in eer.
En in gezontheit. deel in ít koningklijck vermogen.
Gelijck een erfgenaem, ter hoogheit opgetogen,
Tot staet en heerschappy. Ű hoofttack van mijn kroon!
Rijs op. spreeck vader aen, gelijck ghy zijt gewoon.

ABSOLON.

Genadighste, ík verschijn om een geringe bede,
Een kinderlijck verzoeck, magh ít zijn: doch eer ick trede
Ter zaecke, sta het vry uw koninglijck gedult
Te recken, door ít verhael van mijn voorlede schult,
En droeve ballingschap, met recht hier uit gesproten,
En ít zoenen van die smet, waerop ick heb genoten
Den grooten zegen van uw aenschijn weÍr te zien,
Daer mijn verzoeck uit vloeit. ík heb met geboge knien
Den hemel dier belooft, toen rou my overlade,
Zoo my gebeurde, ontlast van vaders ongenade,
Jerusalem en u te zien met volle vreught,
ík Zou Gode danckbaer zijn, voor die genote deught,
En weldaet, en, voor ít volck en alle Godts gemeente.
Te Hebron offren, by ít aertsvaderlijck gebeente
Dat zoude u SyriŽ een gansch Gessur, GrootvaÍrs stadt,
Daer ick, ís rijx balling, lang in droeffenisse zat,
Getuigen: en hoe kan zich ít vrolijck hart onthouden
Van schreien, aengezien mijn schult is quijtgeschouden,
De nederslagh verzoent? dees bevaert, Godt belooft
Met eenen hoogen eedt, blijft maelen in mijn hooft,
Verdaghvaert my mijn schult, naer Moses eisch te boeten.
Uw dienaer worpt zich met dees hoop voor ís konings voeten,
En bidt om oorelof, dat hy zijn ziel ontlastí
Van zulck een godtsschult. hier staet mijn geweten vast.
Och vader, heb ick my besmet met Ammons wonden,
En ít broederlijcke bloet: hoe kon ick mijn geschonden,
Mijn schoone zuster zien, een bloem getreÍn in ít stof?
Dat ging uw kroon te na, en díeer van ís koningshof,
De treck tot zuster, die uit eene zelve moeder
Met my sproot, eischte wraeck, die zagh noch bloet noch broeder,
Noch iemant aen. zoo wort een edel hart vervoert
Van gramschap, als het bloet ontstelt is, en geroert,
Wat viel ít me lang, na dat langdurigh ommezwerven,
Uw hof en aenschijn noch twee jaeren hier te derven!
Ghy hebt u evenwel noch over my ontfermt,
De straf getoomt, en uwí weerspanningen beschermt.
U is alreÍ bekent hoe by my was besloten
Ten noŰn op ít offerfeest zoo veele altaergenoten,
Als mijne godevaert uit omgelege steÍn
Begunstighden. het volck quam op dien roep by een,
Noch vroeger dan men docht. dit perst my dus te spoeden,
En hunnen yver, die zoo groot is, aen te voeden,
Eer zy verstroien. door dien toeval, niet verwacht,
Dient mijne reis gespoet, ontijdigh, en by nacht.
Magh ick dees godschult nu in Hebron Godt betaelen,
Uw kroon zal op mijn hooft met volle zegen straelen.

DAVID.

Wat haelt ghy Thamar op, en Ammon? zwijgh hier af.
Gena bestulp uw schult, gelijck de zerck zijn graf.
Brengt uw belofte dit door zooveel toestels mede;
Treck op, mijn zoon: treck op naer Hebron: keer met vrede.
ík Had dees godtvruchtigheit en tijding deze nacht
Van mijnen Absolon, dien schoonen, niet verwacht.
Hy licht alle andren voor, in Godt zijn woort te houden.
Wy hebben hem te spa zijn misdrijf quijt geschouden.
Wat draeght de zoon ontzagh aen vaders majesteit!
Met welck een nedrigh harte en onderdanigheit
Bejegende hy ons, in ít bloeien van zijn jaeren!
Wat heeft mijn troon een steun aen zulck ryxpylaeren
Van zoonen! een geluck, dat weinigen gebeurt.
De hemel heeft voor hem zijn gaven uitgekeurt,
Naerdien de schoonheit en godvruchtigheit te gader
Met grooter gunst zich in hem paeren. volgh uw vader,
Mijn dochter Thamar. volgh my na, terwyl de rey
Van Aron
ons met zang naer Moses hut geleyí.
Levyten, heft aen met uitgeleze klancken
En vrolijckheit den naem des Oppersten te dancken,
Om ít onderling verdragh van vader en van kint,
Ons waerder dan de kroon, en ít waerste dat men vint.
Wanneer de zang bestemt het geen men heeft verkoren,
Dan klinckt die galm en wijs veel schooner in onze ooren.

REY VAN LEVYTEN. DAVID.

REY VAN LEVYTEN.
I.   ZANG.
Zingt ter eere van de kroon,
Nu de zoon
Treckt op vaders welbehaegen,
Nu gehoorzaeme Absolon
Met de zon
Godt zijn offers op zal draegen.
Wie Godt zijn belofte hout,
En betrout
Op den troost der oude vadren,
Toont dat hy zijní oirsprong nam
Uit den stam,
Daer de stammen om vergaedren.
I.   TEGENZANG.
Hebron is het kerreckhof,
Dat de stof
En ít gebeente der oudren heiligh
In zijní stillen schoot bewaert,
Daer elck vaert
Om te bidden stil en veiligh.
Om der vadren overschot
Hoort íer Godt
Naer dí aendachtige gebeden.
ís Volx brantoffer, hem gewijt
Op zijn tijt,
Eert zijní naem uit alle steden.
II.   ZANG.
Hebron, vryburgh der Hebreen,
Zagh voorheen
David hier de kroon opzetten,
Daer hy zeven jaeren trots
Van die rots
Zijn benijders zagh verpletten.
Absolon, die schoone zagh
Hier den dagh
Opgaen uit des hemels poorte.
Billijck dat zijn hart geweckt,
Nu toch treckt
Naer de stadt van zijn geboorte.
II.   TEGENZANG.
Billijck dat hy op die stÍ
Om den vrÍ
En zijn vaders zoen verworven,
Godt wil eeren, nu hy lang,
Droef en bang,
Als rijxballing heeft gezworven.
Wie zijn woort verwaereloost,
En zich troost
Dat Godts naem by Jakobs troepen
Los en ydel blijft onteert,
Wort verleert
Hem lichtvaerdigh aen te roepen.
III.   ZANG.
Tusschen bloet en bloetverwant
Is een bant
Van natuur, niet licht te breecken.
Van eení boom scheurt nimmer tack
Zonder krack,
Zonder zucht, en jammerteken.
Tusschen vader, en zijn kint,
Dat hy mint,
Is de taeiste bant van maegen;
Daer natuur, geraeckt in strijt,
Maghtigh lijt
Watze kan en niet kan draegen.
III.   TEGENZANG.
Als zegen dan ít gedeeldí
Heilzaem heelt,
En vereenight het gescheiden,
Spaert een danckbaer hart geen stof
Om Godts lof
Door danckoffers uit te breiden.
Absolon treckt, heet van gloet,
Op dien voet,
Daer de stammen sterck vergaeren.
O godtvruchte en vreedzaeme aert,
Gode waert
Meer dan wieroock, en altaeren!
DAVID.

     Beleef ick dees gezegende uur!
     Gewis een versche dootquetsuur
Bequam noit balssem aengenaemer
Dan my dees wijs, mijn docher Thamer,
     Hoe luidt dit anders dan het plagh!
     ík Verlang na íet opgaen van den dagh
Te hooren hoe ontelbre zielen,
Als byen in eení bykorf, krielen
     Te Hebron, daer geheele steÍn
     Mijn zoons danckoffer bly bekleÍn.
TrÍ met ons in, om tijt te winnen.
Nu straelen goude cherubinnen,
     En Godt, uit zijní genadetroon,
     Ons klaerder toe, op dezen toon.
De Godtheit schijnt mijn hart te wecken.
Ick wil hier op mijn snaeren trecken
     Zoo hoogh als oit, tot ís hemels prijs.
     Dees blijschap eischt een nieuwe wijs.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001