Joost van den Vondel (1587-1679)

INLEIDING TOT KONING DAVID IN BALLINGSCHAP.

In zijn Kritisch overzicht zegt van Lennep o.a.: „Ofschoon Vondel de stof voor zijne treurspelen meermalen aan den Bijvel ontleend en zich daarby altijd met de uiterste naauwgezetheid aan het geschiedverhaal heeft gehouden, is er echter onder al de stukken van dien aart niet een, dat ik zoo bepaald met den naam van „historiestuk” zoû betytelen als de „David in Ballingschap.” In de overige werd des dichters keuze bepaald door het tragische van ’t onderwerp; zoo verlokte hem tot het schrijven van den „Jozef in Dothan” het treffende van de gruweldaad, waartoe broedernijd kon vervoeren: zoo tot de „Gebroeders” dat van het rampzalig lot van Sauls zonen: tot den „Jeptha” dat van het deerniswaardig uiteinde van Ifis, enz. Hier daar-en-tegen geldt het een eenvoudige troonsoverweldiging, zonder schokken of bloedstorting gepleegd, en waarby niets plaats heeft, dat eenige sterke gemoedsbeweging by den lezer of toeschouwer veroorzaken kan. Zelfs de omstandigheid, dat het hier de zoon is, die zijn eigen vader naar de kroon steekt, mist haar uitwerking, om dat de vader het geval zoo kalm opneemt,  en er eigentlijk in de orde van zaken geene verandering voorvalt, buiten het optreden van een jongen vorst voor den ouden. Ja men zoû kunnen beweeren, dat, dewijl er niemand in ’t stuk sterft – immers Achitofel zegt wel aan ’t slot, dat hy zich zal van kant maken; doch hy heeft het nog niet gedaan – het op den naam van treurspel geen aanspraak zoû kunnen maken. Dit laatste zoû ik echter niet zoo in ’t algemeen willen toegeven: de naam van treurspel hangt niet af van het sterven van eene of meer personaadjen, maar van het tragische der voorgestelde gebeurtenissen of gemoedsbewegingen; een aan zijn „Adam in Ballingschap,” hoezeer er niemand in sterft, heeft Vondel met het grootste recht den naam van aller treurspelen treurspel geschonken, om dat de schildering van den val van ’t eerste menschenpaar uit den staat der onschuld, en van den vloek, hierdoor uit den staat der onschuld, en van den vloek, hierdoor op al hun nakroost gevallen, vrij wat meer geschikt is om harten te roeren en te schokken, dan die van eenig sterfgeval, hoe aandoenlijk ook. Het is met den „David in Ballingschap” gesteld als met den „Jozef in Egypte” in beide stukken triomfeert de misdaad en moet men zich troosten met de voorspelling, dat het zoo niet blijven zal; maar beide stukken zijn dan ook vervaardigd met het oog op een ander, dat er ten vervolge aan strekt, en waarin de goede zaak weder zal boven drijven. Evenals Vondel in zijn trilogie over Jozef de geschiedenis van dezen, zoo heeft hy in beide stukken, die Davids naam dragen, den opstand en den val van Absolon willen behandelen, en de „David in Ballingschap” is alzoo te beschouwen minder gelijk een op zich zelf staand drama, dan als een inleiding op den „David herstelt”. ’t Is een dichterlijke, aanschouwelijk voorgestelde en dramatisch behandelde parafrazis van het Bybelverhaal, en als zoodanig moet zy dan ook beoordeeld worden.”


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001