Joost van den Vondel (1587-1679)

KONING DAVID HERSTELT.

INHOUDT.

Toen koning David buiten Jerusalem, voor zijnen weŕrspaningen zoon Absolon, in ballingschap vlughte, wert hy op wegh door Jonathan en Achimańs, dier Aertspriestern zoonen, gewaerschuwt van Achitofels raetslagh, om hem terstont te volgen, en overrompelen, dat door Chusa´, Davids ouden hofraet en begunsteling, omgestooten was. Hij ruckte, op deze waerschuwinge, al den nacht voort, trock ĺs morgens over de Jordaen, en geraeckte endelijck veiligh te Mana´m, eene stadt in Galańd, aen den vliet Jabock, daer Isbozeth, Sauls zoon, eertijds zeven jaeren over Juda en Efra´m regeerde. Hier wert hy met voorraet en allerhande nootdruft voorzien van zijne begunstelingen, Machir en Barsilla´, en in het byzonder van Sobi, prince der Ammonieten. Ten leste quam Absolon met eene groote macht over het water rucken, en den vader op den bodem van Galańd ten veltslagh uitdagen. David stelde kornels en hopmans over zijn leger, onder Joab, den veltheer. De koning, gereet met hun op te trecken, wert van hun en het volck tegengehouden. Hy geboodt Joab en alle overste Absolon te verschoonen, en genadigh te handelen. De veltslagh ging aen omtrent het bosch van Efra´m, daer Joab dĺ overhant behielt, en zijn vyant twintigh duizent mannen verloor. Absolon vlughte op zijn muilpaert boschwaert in, en de haerlocken slingerden om eenen eick, daer de muil onder hem doorging, hy levendigh hangen bleef. Joab, hier van verkuntschap, wenschte dat de bode hem doorstooten hadde, die het uit ontzagh voor den koning weigerde, dies reedt al de veltheer zelf derwaert, en stiet den hangenden drie schichten in het harte, en Joabs schiltknaepen sloegen hem voort doot. Toen liet de veltheer den aftoght blazen, Absolon in eenen grooten kuil begraven, en met eenen hoop steenen overstulpen. De vader, van des zoon nederlage verwittight, borst uit in onmatigen rouwe, maer wert verzet door Joab,die hem ried ergernis en gevaer te schuwen, zich vrolijck voor zijn volck te toonen, en trooste den bedroefde met zijne zeeghaftige herstelling in Jerusalem, by het overschot van Absolons leger belooft, en door het wijs beleit der aerstpriesteren by alle stammen te bekrachtigen.

Het spel begint voor den dagenraet, en enidigt in den avont. Het tooneel is te Mana´m voor de poorte, in het leger. De hovelingen bekleeden den rey.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001