Joost van den Vondel (1587-1679)

KONING DAVID HERSTELT.

HET VIJFDE BEDRIJF.

REY. DAVID. ACHIMAS.

REY.

Een goede of quaede maer staet nu in haer geboorte.
De zon helt naer de kim. de wacht ziet van de poorte
Twee posten, elck om t snelst, vast rennen herwaert aen.

DAVID.

Dit voorspoock tuight wat goedts: en dat wy boven staen:
Want was de veltheer met de gantsche maght geslaegen,
t Verstroide heir zou sterck by troepen stewaert jaegen.
Om t lijf te bergen, elck voor ander spoet zich ras,
Dan d een dan d ander voor; de leste Achimas,
Den zoon van Sadock, heel gelijck aen zijn gebaeren.
Hoe of mijn Absolon in t vechten is gevaeren?
Kornels, en oversten, en hopmans hoorden al,
Een ieder hooft voor hooft, hoe streng ick hen beval
Het leven van mijn zoon, verschoonbaer om zijn jaeren,
En jammerlijck misleit, waer t mogelijck, te spaeren:
Maer t loopt gevaer dat een onkundige onbedocht,
Of een welwetende hem heeft om hals gebroght,
Van onverzoenbre wraeck bereden, en bezeten.
Daer wort, als uit den am, van verre ons toegekreten. (*)

REY.

Hier komt Achimas, noch blijde, en wel gemoedt.

ACHIMAS.

Geluck, heer koning.

DAVID.

                                 Is uw tijding quaet of goet?

ACHIMAS.

Gewaerdighme dat ick u op mijn knien magh eeren.
Gelooft zy d Opperste: t gaet wel: wy triomfeeren.
Gelooft zy d Opperste: de vyant is beknelt,
Die Godts gezalfde durf bespringen met gewelt.
De vyant is verstroit, verslagen. zijn nu zangen.

DAVID.

Hoe ging het Absolon, mijn zoon? is hy gevangen,
Gegrepen by den hals, noch levende, en gezont?
Hoe ging t hem? is hy doot, of levende, of gewont?
Helpme uit den droom. nu spreeck.

ACHIMAS.

                                                       Vergunme tijt te spreecken:
Heer koning, ick ben af, het hart bykans bezweken.
Ick liep het al voorby, begruist van zweet en stof,
Om d eerste tijding u te brengen hier in t hof.
De veltheer Joab heeft my daetlijck afgevaerdight.
Ick zal t verhaelen, zoo de koning zich gewaerdight
Te hooren uit mijn mont al wat men hoorde, en zagh:
En met een woort gezeght: heer Joab won den slagh:
Maer t koste zweet en bloet, zoo heeft zich t heir gequeten.

DAVID.

Hoe ging t Absolon? melt dat: dat most ick weeten.
De zege dient ons slechts tot droefheit en verdriet,
Zoo t Absolon besterft, leeft Absolon, of niet?

ACHIMAS.

Genadighste, ghy zult vernemen uit ons woorden
De waerheit van al t geen wy zaegen, t geen wy hoorden.
Vergeef het toch wat aen ons kennis noch ontbreeckt,
Tot dat uw majesteit den naesten bode spreeckt.
Eer ick mijn last voltreck genaeckt hy deze stede,
En brengt u al t verslagh van vyants nerlaegh mede.

DAVID.

Ontvou ons dat recht uit wat ghy hoorde en zaeght.
De hemel geve dat de tijding ons behaeght.
Leeft Absolon of niet? laet hooren een van beide.
Staffiers, gaet heene: haelt de koningin. zij schreide,
Toen ick naer buiten tradt. zy twijfelt, en verlangt,
Dewijl dit oorloghspleit in punt van t wijzen hangt,
Of t vonnis reede al met den degen is gestreecken.
Daer komt de koningin: nu spreeck: ick hoor u spreecken.

ACHIMAS.

Uw veltheer volghde t heir der stammen in zijn schim,
Tot datz westwaert by het bosch van Efram
By een geraeckten. elck stont blanck in zijn slaghorden,
Men ruste daetlijck toe, om hantgemeen te worden;
Een ongelijcke maght, maer een gelijcke moedt
Van wederzyde in t heir, te paerde, en oock te voet.
Zy stonden van werzy gespitst in dry vierkanten,
De ruitervleugels op de zy, als eicken planten,
En boomen in een bosch, aen ryen net geschaert,
Geschoren als een lijn, voorzien van schilt en zwaert.
Zy blickren in de zon, een ieder in zijn wapen,
Als waer het harrenas hun aen het lijf geschapen,
Het zwaert hun in de vuist gekloncken van de smits.
De heiren staen er blanck in hunnen vollen krits.
Abisa bewaert den voortoght. Joab onder
Den middentoght, munt uit, gelijck een oorloghswonder.
Helt Itha draeght zorgh den middeltoght op t spoor
Te volgen. Absolon stelt Amasa recht voor
In t spits. hy zelf bewaert in t midden zijne schaeren;
Laet Joas, trots genoegh, de achtertoght bewaeren.
De leeu van Juda brult in t midden van werzy,
En wet de klaeuwen, tot bederf van zijn party.
Zoo heerlijck staet een velt gekroont met korenaeren
En korenbloemen, eer de wint daer in komt vaeren.
Elck munt om t prachtighste met zijn lievreien uit.
Elck vlamt op overhant, en eer, en oorloghsbuit.
Prins Absolon, zoo schoon, gelijck hy is geschapen,
Rijt door den heirtogh heen. de schiltknaep draeght zijn wapen.
Kornels en hopmans slaen in t ende een ring op hem.
Hy spreecktze een hart in t lijf, elck luistert naer zijn stem.
Ghy bondtgenooten, van den hemel begenaedight,
Die, trots in t harrenas, de wettigheit verdaedight
Van Davids erfgenaem, geboren tot de kroon,
Wat eer gebeurt u niet, tot een verdienden loon,
Dat ghy met uwen hals mijn recht quaemt onderstutten
En tegens al t gewelt der nijdigen beschutten.
Nu wilt het tijt zijn dat ghy Joabs hoogmoedt slaet.
Die op een hantvol volx zich reuckeloos verlaet,
U trotst, u den mont, en in zijn doot komt loopen.
Hier valt geen tegenstant. men hoeft hem slechts te stroopen,
In twalef stucken door te houwen met een drift,
En elcken stam een stuck te schencken tot een gift.
Dat eenigh hooft alleen getroffen en geslaegen,
Zal schrick al t overschot voor wint door t stof verjaegen,
Om zijnen heer de maer te brengen van den strijt.
Zoo schelt de suffer ons de schult der kroone quijt.

DAVID.

Hoe ging t aen Joabs zijde? ick weet wel hy bekleede
Mijn recht, en moedighde het volck met eene rede.

ACHIMAS.

O Davids helden, die getrou, voor t wettigh recht
Der kroone, tegens zoo vervloeckt een vyand vecht
Van Godt en menschen, en die met zijn vloeckgenooten
Den vader, die hem mint, ten troon heeft uitgestooten,
Betoont uw trou nu aen den standert, die ghy zwoert.
Verschoont de rijxpest niet. het oorlogh, dat ghy voert,
Is goddelijck. Godts wet verstoot hem in haer toren,
Die Godt noch ouder eert, uit wien hy is geboren.
Grijpt moedt: Godt zal uw recht hanthaven, en zijn wet.

DAVID.

Hoe klopt mijn hart uit schrick. de wraeck van Joab let
Alree niet op den last
, in t scheiden hem gegeven.
Die strengheit loopt te hoogh. zoo spaert men niemants leven.

ACHIMAS.

Op deze rede klonck het heesch bazuingeschal
Uit bey de heiren op. een ongelijck getal
Vloogh op elckandre aen. dat brullen, brieschen, schreeuwen
Van bitter tegens een gekante standertleeuwen
Verdoofde elx ooren in het velt, zoo dra men trof:
Alle oogen werden blint van t omgewroete stof.
Toen openbaerden zich alle ingekropte wrocken
Men zagh uw heir in last, en drymael schrickelijck schocken,
Gereet te spatten, als helt Joab, vol ontzagh,
Zich met den blooten arm, in t barnen van den slagh,
Quam waegen op het spits. hy zwaeide zijnen degen
Den hemel toe, verdaeghde uw kroonrecht, en Godts zegen,
Een wederspannigh en verbastert heir ontzeght:
O Godt, bescherm uw zaeck, en hanthaef s konings recht.
Het werlichte op dien roep, als wou het Godt verdrieten.
De dooden groeiden aen op houwen, steecken, schieten.
De zeissenwagen van den vyant, die noch paert,
Noch mensch, noch geen slaghorde in zijnen toren spaert,
Geraeckt aen t hollen, went zich naer zijn eigen helden.
De vrienden moeten t eer dan vyanden ongelden.
Dat moedight d onzen. men bejegende Absolon,
Die schrap stont, als een leeu in t vechtperck. qualijck kon
Het oogh om t stuiven vrient van vyant onderscheiden.
Ten leste t heir der stammen op de heiden
Naer t Eframsche bosch. zoo quaem ick herwaert aen,
Door last van Joab, reede om in den staert te slaen.
Maer hier komt Chusi, die den uitslagh zal verhalen.

CHUSI. DAVID. BERSEBA.

CHUSI.

Zoo moet de kroon van zege op t hooft van David straelen.
De hemel hanthaeft u. die zich des onrechts belght
Heeft twintigh duizenden, al vyanden, verdelght.

DAVID.

Hoe gaet het Absolon?

CHUSI.

                                    Zoo gaet het allen staeten,
En vyanden der kroone, en al die David haeten.

DAVID.

Och Absolon, mijn zoon, hoe vreesde ick voor dien toght!
Och Absolon, och of ick voor u sterven moght!
Och Absolon, mijn zoon, de waertste van mijne erven,
Gaf Godt, och Absolon, dat ick voor u moght sterven!
Natuur, hoe pijntghe ons hart, gewelt, gewelt, gewelt.
k Beklaegh u voor Godts troon. och Absolon, dit gelt
Uw vader t leven. och, ter goeder tijt geboren,
Ter quader tijt in t velt verslagen, al verloren!
O koningsbloem, te vroegh van uwen steel gemaeit,
Getroffen van een buy, die door mijn bloemhof waeit!
Och had ick schrap gestaen, toen t heir u spits quam bieden,
Mijn bloote borst gebon de wraeckzucht, heet aen t zieden.
Ick duwde, o zon, den dolck u in die schoone borst.
Uw vader draeght de schult. mijn handen zien bemorst
Van t kinderlijcke bloet, dat koningsbloet, mijn leven.
De geest van Absolon komt dootsch my tegenstreven.
Waer berge ick mijnen rou?

BERSEBA.

                                           Geley hem naer de zael
Ter poorte in, dat hy ruste, en zijnen adem hael,
Dees rou geeft ergernis, en zal het volck bezwaeren.
Nu Chusi, spreeck recht uit. hoe is het voort gevaeren?

CHUSI.

Teon Absolon, bykans verlaeten van zijn volck,
Niet langer staen kon voor helt Joabs blooten dolck,
En vreesde t uiterste van doots gevaer te tergen,
Begaf hy zich blootshoofts ter vlught om t lijf te bergen.
De snelheit van den uil quam hem te baet, die los
Ter zijde heenesloegh in schaduw van het bosch,
Maer tot zijn ongeluck: want s prinssen locken reicken
En slingren krullende om een tackebosch van eicken,
Daer blijft hy hangen, en het muilpaert schiet alleen,
Gelijck een blixem, door zijn meesters beenen heen,
Die tusschen aerde en lucht noch zweeft. de muil blijft rennen.
Een lansknecht zagh t, en gaf het Joab flux te kennen,
Die sprack: hadt ghy hem toch gevelt met schicht of priem,
k Had u een schat betaelt, of koningklijcken riem.
De lansknecht sprack: al schonckt ghy my noch hondertwerven
Zoo veel, dat koningsbloet zou van mijn hant niet sterven:
Want ieder hoorde hoe de vader, u voor al,
Abisa met een, en Itha beval
Dien lieven jongeling te spaeren by het leven.
Had ick op mijn gevaer dat schendigh stuck bedreven,
De koning wien geen zaeck, hoe kleen, verholen blijft,
Waer tegens my door u in t straffen zelf gestijft.
Ick zal, sprack Joab toen, naer u noch niemant wachten.
Hy vlieght ten bossche in, drijft den hangenden dry schachten,
Dry scherpe spitsen in den boezem, stoot op stoot.
Zijn tien schiltknaepen slaen den jongeling voort doot.
De veltheer Joab, om te stuiten het verbazen
Der vlughtelingen, laet terstont den aftoght blazen,
Op dat men t volck verschoon, en d onrust brenge in rust:
Naerdien het vreeslijck vier des oproers leght geblust
In t bloet van Absolon, geworpen in den muile
En opgespalcken balgh van een diepen kuile,
Met steenen opgehoopt, op dat hy hierme bromm,
In stede van zijn beelt en marmre kolom.
Het volck alom verstroit, versteecken van die stutte,
Vlught haestigh, elck zijns weeghs, in schaduw van zijn hutte.
Daer komt heer Joab op den spaden avont aen,
Bestuwt met oversten, en s prinssen standertvaen,
Een hoop gevangenen. ghy hoort tot zegeteken
De paerden brieschen, en de veltbazuinen steecken.

JOAB. BERSEBA.

JOAB.

Geluck, koningin. de doot van Absolon
Is t leven van de kroone, en uwen Salomon.
Godt spaere David lang. Godt spaere s konings leven.

BERSEBA.

Hoe rekent men t getal, in dezen slagh gebleven?

JOAB.

Wel twintighduizenden.

BERSEBA.
                                      Och, had men t volck gespaert!
JOAB.

Het wordt verslont meer volck dan t uitgetrocken zwaert.
Men keerde, in t vlughten, zich aen poelen, noch moerassen,
Om t lijf te bergen, daer de paerden, harrenassen,
En menschen smoorden. wy, begaen met hun verlies,
Geboden ernstigh dat men flux den aftoght blies.

BERSEBA.

Hoe heeft men s konings last in Absolon vergeeten!

JOAB.

Die waer geberght, had hy den helm niet afgesmeten,
Om t lijf te bergen, en te vlughten, vry van last.
Zoo slingerde zijn haer om eicke tacken vast.
Een afgront most het bloet van dien verwaten slorpen,
Al t heir heeft, hooft voor hooft, een steen op t lijck geworpen,
Een grafspits opgerecht van steenen, zonder tal;
Waer by men eeuwigh hem hier na gedencken zal.
De wet vervloeckteze, die aen t hout ter straffe hangen:
Zoo most hy aen een boom verdiende straf ontfangen,
Bezeeglen dezen vloeck. een ongehoorzaem aert,
De vader trappende, was geen genade waert.
De bloetschoffeerder van tien vaders bedgenooten,
Van tien schiltknaepen wert doorsteecken, en doorstooten.
De kroonzucht, wreetheit, en de geilheit troffen het hart
Elck met een schichtpunt daer hy hing in t bosch verwart.

BERSEBA.

Wat raet? de vader is te troosten, noch te spreecken,
Bedroeft het volck, en kan zijn droefheit niet versteecken,
Een ergernis van t hof, en deze gansche stadt.
Na s rijx behoudenis, dus avrechts opgevat.

JOAB.

Mevrou, t is noodigh dien verkeerden rou te toomen.
Ick bidde u hael hem. laet hem flux te voorschijn koomen.
k Zal s konings rou den toom eerst vieren, en verdraegh
Dat dees bedroefde man een poos zijn hart uitklaegh,
Door schreien zich ontlaste, en eenen vloet van traenen,
Dan kan men hem met vrucht aen zijnen plicht vermaenen.

DAVID. JOAB. BERSEBA. REY.

DAVID.

Heer Joab, och gemoete ick u in dezen schijn,
Berooft van mijnen zoon? hartewee! pijn!
Is dat uw konings last en hoogh bevel uitvoeren?
Zijn dit deze oversten, die mijnen standert zwoeren?
En gelt een konings woort, het koningklijck gezagh
Zoo luttel by het heir? helaes, de zon, de dagh
Gaet met mijn Absolon en zijnen vader onder.
Waer bergh, waer bergh ick my van rouwe? vader, zonder,
O vader, zonder zoon, die glori van mijn rijck!
Waer leghtghe Absolon? waer leght dat schoone lijck?
Waer anders dan in t hart des vaders, na zijn sterven?
Daer leght mijn Absolon, ghy zult geene uitvaert derven,
Mijn zoon, mijn liefste vrucht. uw vaders hart in t graf,
Daer ghy begraven leght. helaes, ick had dees straf,
Dien doot by Godt verdient, een doot van duizent dooden.
Breng wegh dees leeusbanier, hem tegens mijn geboden
Ontweldight. dit s geen zege, neen, eene oorloghsplaegh,
Dit is geen rijxtriomf, maer eene nederlaegh.
Daer leght mijn rijck, mijn staf, en kroon, en troon in d assche.
Wegh purperengewaet, en pracht, en prael, ick wassche
Mijn aenzicht nacht en dagh in traenen, in geklagh.
Wat brengtghe my een hoop gevangens uit den slagh!
Broght ghy mijn Absolon noch levendigh gevangen,
Ick hadde u met triomfe en snaerenspel ontfangen,
Met blijschap ingehaelt, bloedige overhant!
Breng wegh mijn harp. men hang haer eeuwigh aen den want.
Och, Absolon, mijn zoon, moet ick u eeuwigh derven?
Och, Absolon, gaef Godt dat ick voor u moght sterven!

JOAB.

Is dit uw Joab met triomfen ingehaelt,
Nu zulck een zon van zege uw aengezicht bestraelt?
Is dit uwe oversten en helden blijde ontmoeten?
Zy smilten man voor man, vergeeten u te groeten,
Verstroien elck hun s weeghs. zy hebben u geredt.
Zy hebben heden u de kroon op t hooft gezet,
Hun leven opgezet om u in staet te houden:
En wort deze oorloghsdeught dus avrechts hun vergouden?
Die vaderslaghter en verwaten, zoo veraert,
En snoot, had heden zulf uw leven niet gespaert,
Noch uwen Salomon, noch geene koninginnen.
Of meentghe met dien rou het hart des volx te winnen?
En hebtghe aen eene stam, die u slechts overschoot
Van twalef stammen, noch te veel in uwen noot?
Zoo vaert vry voort: vaer voort met jammeren en treuren,
De haeren uit het hooft, het kleet van t lijf te scheuren:
Zoo blijck het klaer dat ghy een booswicht hooger acht
Dan s volx behoudenis, en Abrahams geslacht;
Dat ghy uw vrienden haet, het hanthaeft, die u haeten:
Maer k zweere u, vaertghe voort, k zie morgen u verlaeten
Van al uw aenhang, niet een halsvrient meer ten hoof,
Uw kroon, ens scepter, en uw koningrijck te roof
Voor alle uw vyanden; en hoor een storm verheffen
Veel schrickelijcker dan uw hooft oit quam treffen,
Van uw jongkheit aen, tot heden dezen dagh.
Waeck op dan: strijck, en bergh uw kroon, en rijxgezagh.

DAVID.

Och Joab, wanneer kon het vaders hart oit liegen?
Natuur ontlast zich, die kan veinze, noch bedriegen.
Dit s aengeboren, dit s een ingeschapenheit.
Natuur, Godts dochter, heeft dien bloetbant vast geleit.

BERSEBA.

Aertsvader Abraham had wel natuur verwonnen

DAVID.

Wat vaders vint men, die dat voetspoor houden konnen?

JOAB.

Schep moedt, heer koning, toon u vrolijck, als t behoort,
Aen t gansche heir, en zet u morgen in de poort.
Verwelkoom en onthael de hoofden en de helden,
Die lijf en leden voor uw kroon te pande stelden.
Ick won alree het hart van al wat zich verbondt,
En tegens u van daegh noch blanck in t harnas stont.
Zy traden in uw eedt, gereet hun schult te boeten,
En leiden hun geweer gewilligh voor mijn voeten.
k Heb dit d aertspriesters voort verkuntschapt door een post.
Men roept al: Davids arm heeft ons met Godt verlost
Van Heiden, Idumeen, en t juck der Filisteen,
Vloot zelf voor Absolon, door bosch en heiden heenen,
Te blint by ons gezalft en op den troon gezet:
t Is billijck dat men dien hanthaver van Godts wet
Herstelle in t out gezagh, hem en zijn zaet beschooren.
Schep moedt: ghy ziet den dagh van uw triomf herboren,
Van alle stammen en geheel Jerusalem
U voeren op den troon met een gemeine stem.

BERSEBA.

Nu ga te ruste: want de tijt u noot te slaepen.
De nacht verquick den geest, en is tot rust geschaepen.

JOAB.

Ick ga terwijl het volck vernoegen hier omtrent,
Verzekren van den prijs, die ghy hun waerdigh kent.

DAVID.

Hy ga vry heene. ick zweere en zal het niet vergeeten
Met zijn verdiende maet hem weder in te meeten.
Hy heeft mijn Absolon met opzet niet gespaert,
En toonde aen Abner zelf in vre zijn snooden aert.
k Wil Amase in zijn plaets eer lang ten veltheer zetten.
Mijn nazaet magh na my op zijn verdiensten letten

REY.

Men offre Gode, nu de vader, van den zoon
Verdreven, wederom, herstelt op zijnen troon,
Zal heerschen, aengeben van volck en onderdaenen.
De vreught wort best gesmaeckt na ballingschap en traenen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001