Joost van den Vondel (1587-1679)

KONING EDIPUS, UIT SOFOKLES.

T R E U R S P E L.

Aļ. 1660

INHOUD.

Lajus, Labdakusí zoon, koning van Thebe, gehuwd met Jokaste, Kreons zuster, een wijl kinderloos, hield te Delfi, bij het orakel van Apollo, om eene vrucht aan, en kreeg tot antwoord:

O Lajus, Labdaks zoon! gij bidt me om eene vrucht?
ík Beloof u eenen zoon, daar gij naar wenscht en zucht;
Doch ít legt bij noodlot vast gestemd, in ít hof daar boven,
Dat hij u met zijn hand het leven zal berooven.
Jupijn heeft Pelopsí bede en vloek dit toegestaan,
Wiens zoon gij hadt geschaakt en trouweloos verra‚n.

De vader en moeder, voor dit dreigement beducht, gaven het kind, drie dagen oud, hunnen hofdienaar of herder, om het op den berg Citheron van kant te helpen. De herder sloeg het eene koorde door de voeten (waarna het namaals den naam van Edipus, dat is dikvoet, behield), en liet het op den berg in het bosch hangen, doch gaf het daarna, uit meÍdoogen met dit onnoozele wicht, aan Forbas, den herder van Polybus, koning te Korinthe, die hier bij geval zijn vee kwam weiden. Dees schonk het aan Polybus en Merope, zijnen koning en koningin, die den vondeling, hij gebrek van een oir en rijkserfgenaam, voor hunnen eigen zone opvoedden. Maar toen een der rijksheeren namaals, op eene maaltijd, in zijne dronkenschap, Edipus eenen vondeling schuld, trok hij heimelijk naar Delfi om Apollo naar zijn geslacht te vragen, die hem niet dan schrikkelijke dingen spelde, en dat hij zijnen vader zonde om het leven helpen, en zich bloedschandig met zijn moeders huwelijk besmetten. Hij, aldus gewaarschuwd, mijdde Korinthe, en ging in Focis omzwerven; daar bejegenen hem, op eenen driesprong tusschen Delfi en Daulis, een heraut en een oud man, dat Lajus was, op eenen wagen van runderen voortgetrokken, die drijven hem met geweld uit den weg. Hij, hierom van gramschap vervoerd, slaat den koetsier, die hem voorstiet. Dí oude man, ziende Edipus den wagen genaken, sloeg hem met zijnen staf tweemaal op het hoofd; waarop hij, van Edipus met eenen slag getroffen, over hals en hoofd uit den wagen rolde, en voort al den stoet versloeg, uitgezonderd eenen, die het ontvluchtte, en te Thebe de tijding brocht, doch alzoo de stad en het rijk in last, tegens de wreedheid van Sfinx moeten worstelen, verwaarloosden ze den doodslag des konings naar te sporen. De Thebanen, vreeselijk aangevochten van dit menschverslindende gedrocht, dat voor de stad, op eene rots, dubbelzinnige raadsels uitgaf, en die ze niet raden konden om hals brocht, Melden bij Kreon om eene uitkomste in hunne verlegenheid aan. Kreon liet afkondigen: wie het land van Sfinx verloste, zoude de, schoone Jokaste, Lajusí weduwe, trouwen, en met haar het rijk regeeren. Edipus, hierop aankomende, ontwarde het raadsel, dat aldus luidt:

Wat is het voor een dier? Het slaat maar ťťn geluid.
Het gaat op vier en twee en op drie voeten uit,
Verandert zijnen aard veel meer dan andre dieren,
Die land betreÍn, in zee en in den hemel zwieren;
Maar als het endlijk op drie beenen komt te staan,
Dan is de snelheid van zijn leden meest vergaan.

Edipus verstand, dat dit dier den mensch beteekent, die eerst, een kind, op handen en voeten kruipt, daarna op twee beenen treedt, en endelijk, op eenen stok leunende, van ouderdom verzwakt, pijnelijk voortgaat. Sfinx dit hoorende, sprong uit spijt van de klippen zich te berste. Edipus, verwinner des gedrochts en verlosser des volks, werd hierop met triomfe te Thebe ingehaald, en hem hel rijk met Jokaste opgedragen, bij wie hij twee zonen en twee dochters won. Maar toen namaals de stad en het rijk, om dezen vaderslacht en de bloedschennis, met eene zware peste en onvruchtbaarheid geplaagd werden, zond Edipus Kreon, zijnen zwager, naar Delfi, die brocht tot antwoord uit de orakelkapelle, dat de landplaag niet te boeten was ten ware men stad en land van den koningslachtigen, de bron der plagen, zuiverde; weshalve Edipus ijverde, om door scherp onderzoek, dreigementen, en vervloekingen, den schuldigen tí ontdekken. Ook zond hij boden om den blinden waarzegger Tiresias, dien hij zwaarlijk, doch ten leste met dreigementen, perste, den doodslager te melden; waarop dees door dwang de waarheid aan den dag breekt, en Edipus van vaderslacht en bloedschande, begaan met zijne moeder, beklaagde. Edipus, Kreon hier over beschuldigende, alsof de zwager dit listig met den waarzegger be steken hadde, om den koning te verstooten en zich zelven glimpelijk op den rijkstroon te zetten, geraakte, doet berecht van Jokaste, zoo verre aan kennis van Lajusí ongeluk, dat hij aan zijnen vaderslacht begon te twijfelen. Ondertusschen kwam Forbas, Polybusí herder, van Korinthe, met tijdinge, dat die koning dood en Edipus daar koning beroepen was. Jokaste en Edipus, dit hoorende, verblijdden zich ten hoogste, en achtten nu alle voorspellingen en wichelerijen ongegrond en ijdel, aangezien Polybus, dus lang voor Edipusí vader gehouden, zijn eigen dood gestorven was, en zij hierom voortaan buiten vree mochten leven. Forbas, dit verstaande, berechtte Edipus, dat hij geen zoon van Polybus nochte Merope, maar een vondeling was, hem van Lajusí veehoeder op Citheros gegeven. Toen verstond Jokaste klaarlijk, dat Edipus te gelijk haar zoon en bedgenoot was, en poogde hem dit uit den hoofde te slaan; doch hij, enkel begeerig, zich van de waarheid en gelegenheid zijner geboorte te verzekeren, belastte Lajusí veehoeder te halen, die, te voorschijn gekomen, en gedwongen de waarheid tí openbaren, den ganschen handel ontdekte. Edipus, nu volkomen van alle berecht, loopt mistroostig in het hof zijn moeder en gemalin zoeken, die zich alreede in hare slaapkamer verhangen hadde; dies hij uit ongeduld, met haren gouden keurshaak, zijne oogen uitrukte, en, beklagelijk afscheid van zijne dochteren nemende, besloot in ballingschap Citheron zijn leven te gaan volenden.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001