Joost van den Vondel (1587-1679)

KONING EDIPUS, UIT SOFOKLES.

T R E U R S P E L.

Aļ. 1660
DEN WELEDELEN EN GROOTACHTBAREN HEERE

JOAN HUYDEKOPER,

RIDDER, HEERE VAN MAERSEVEEN, NE RDIJK ENZ., BURGEMEESTER EN RAAD VAN AMSTERDAM, BEWINDHEERE. DER OOSTINDIAANSCHE MAATSCHAPPIJE.

De groote Justus Scaliger, die, te Leiden, ter hooge schole, gelijk een orakel van wijsheid en kunstgeleerdheid, te pronk gezeten, zoo veel letterhelden voortbrocht, en hunne oogen opende, om de heerlijkheid van Virgilius sprekende schilderijen met oordeel te bespiegelen, zegt, in dí opdracht van zijn doorgeleerd werkstuk op de Dichtkunst, dat verstandelooze menschen, die met een stuur en norsch gelaat het lezen der historie en dichtkunste begrimmen en verdoemen, niet behooren onder menschen gerekend te worden. Aristoteles en Plato noemen de dichtkunst eene nabootseeringe, het welk eigentlijker op de tooneeldichtkunst dan op de kunst der heldendichteren past; want de heldendichter laat de personagiŽn niet regelrecht hooren; maar de tooneeldichter brengt ze zelfs regelrecht, gelijk levendig herboren, met hunne rolle tevoorschijn. Onder de tooneelspelen is het treurspel de nabootseeringe van eenen doorluchtigen handel, en de treurspeldichter, die zijns kunst niet wil verongelijken, behoeft, in het uitkiezen der stoffe, niet alleen omzichtige, maar Lynceusí doorzichtige oogen, naardien weinige voorbeelden onder velen een volkomen treurspel kunnen uitleveren. Onder dí uitmuntende treurspelen der ouden wordt dit van koning Edipus mede boven aan gezet. Aristoteles, in zijn tooneelonderwijs, voert het in, als een voorbeeld, waar in de twee hoofdcieraden, herkennis en staatveranderinge, krachtig uitschijnen; en gelijk de helden dichters, in Grieksch en Latijn, aan de historiŽn van Troje en Thebe, als dí allernaamhaftigste, hun zweet en nachtrust van ouds te kost hingen, zoo arbeidden de gedachten der oude treurspeldichteren voornamelijk op dí avonturen van Edipus, om in hem af te beelden eenen rampzaligen man, die buiten zijne schuld ongelukkig is; gelijk Jokaste, bij Seneca, op zijn StoÔksch, haren rampzaligen zoon en man aldus in zijne elende ontschuldigt:

Het noodlot draagt de schuld van ít geen hier is misdreven; De schuld van ít noodlot wordt geen mensche toegeschreven.

En Sofokles pleit voor hem, in zijnen Koloneeschen Edipus, daar de beschuldigde zich tegenas Kreon aldus ontschuldigt:

Wat wijt ge, schaamteloos en gruwlijk,
Doodslagen en bloedschendig huwlijk
En jammeren een man, die treurt,
En dit onwillig viel te beurt;
Want God, op ons geslacht gebeten,
Schijnt mij misschien dit toe te meten,
Ter straffe van een oude schuld;
Maar, in der daad en waarheid, zult
Gij niet een schelmstuk, waard te honen,
In mij met reden konnen toonen,
Daar ik de mijnen ofte mij
Ooit in misdede, vrank en vrij.

Edipus werd ten tooneele gevoerd van ∆schylus, bij die van Athene, met den titel van den vader des treurspels verheerlijkt; ook te voorschijn gebrocht van Euripides, Lykofron, Filokles, Xenokles, en anderen, en hier van den veldheere Sofokles, van wien gemelde Seneca, of wie het is, niet luttel in zijnen Latijnsehen Edipus ontleent. Askonius getuigt, dat Julius Cezar zelf een treurspel van Edipus opgezet heeft. Robortel ontvouwt rijkelijk door dit zelve treurspel, als door een volkomen voorbeeld, met hoe groot eene kunstenarije Sofokles dit doorwrochte werk binnen ťťnen zonneschijn uitvoert. Dit zelve spel wordt bij Plutarchus mede gerekend onder de vijf tooneelspelen, welker toestel dí Atheners, wien de tooneelkunst, die hun meer dan het uitbreiden van ís lands palen ter harte ging, hooger kwam te staan dan de befaamde oorlogen, voor het gebied en de vrijheid tegen Perzen gevoerd; want Grieken en Latijnen voerden hunne treurrol koninklijk uit, en stoffeerden de personagiŽn naar heuren staat, met pracht en praal van gewaden en cieraden, gemanierde hovelingen en staatjofferen, en heerlijke maatgezangen, en allen vorstelijken toestel, zoodanig, dat dí aanschouwers verrukt, zich lieten voorstaan, in der daad te zien herleven de personen en den handel der grooten, ten spiegel der leerzamen vertoond. Koningin Dido, in het bouwen van Karthago, (de stad, die Rome namaals zoo bijster in het licht stond) vergat, onder andere heerlijke gestichten, den schouwburg en het tooneel, daar Virgilius zingt:

Een ander legt den grond des schouwburgs met geweld, En houwt pylaren uit de steenrotse, om tooneelen Hierna tot eer en pracht te dienen onder ít spelen.

Treflijke Godgeleerden, in de heilige geschiedenissen bedreven, melden, dat koning Salomon, wiens wijsheid Egyptenaars en alle menschen overtrof; niet alleen in Hebreeuwsche dichtkunste en alle wetenschappen, maar ook op droeve en blijde tooneelspelen, afgerecht was. Het zal dan niemand onbillijk schijnen, dat dit treurspel, in Nederduitsch uitgegeven, zoekt te schuilen onder dí aangename schaduwe van de Ridder, heere van Maarseveen, handhaver van de edele tooneelpoŽzije, wiens luister, onder het beleid van onze staatkundige regeerders, dagelijks toeneemt, en niet zonder reden; want ís menschen leven, zoo veel moeilijkheden onderworpen, eischt bij wijlen eenige eerlijke uitspanninge, die de gemoeden verkwikt en herstelt; waartoe de spelen eene hartsterkende artsenije verstrekken; en het oude spreekwoord zegt, dat de boog niet altijd mag gespannen staan. Hierop draaft dit tooneelwerk. Ondertusschen wensche ik te blijven,

weledele en grootachtbare heer,

Uwe weled. en grootachtb. ootmoedige dienaar

J. V. VONDEL.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001