Joost van den Vondel (1587-1679)

ELEKTRA, VAN SOFOKLES.

LEERMEESTER.
O zoon van Atreus zoon, die t opperste gezag
In t Grieksche leger had, toen hij voor Troje lag,
Nu ziet ge zelf hetgeen daar staag uw hart na haakte.
Dit s Argos, d oude stad, daar uw gemoed om blaakte.
Dit s t woud van I zelf, dat dol geprikkeld dier.
Het wolfsveld van Apol, den wolvenschrik, is hier.
De wijd vermaarde kerk, die Argos Juno wijdde,
Rijst ginder hemelhoog, aan uwe rechte zijde.
Orest! wij zijn geraakt, daar gij nu Pelops stad,
Het rijk Mycene, ziet, en t hof met moord beklad;
Van waar ik eertijds, toen uw vader raakte om t leven,
U, die mij van Elektre, uw zuster, werd gegeven,
Heb weggedragen, stil gebergd, en opgevoed,
Totdat ge machtig waart te wreken vaders bloed.
Orest, en Pylades, mijn huisvriend! nu met zinnen
Eens haastig overled, hoe wij dit best beginnen,
Nadien de voglezang, zoo schel en zoet gebekt,
In t krieken van den dag, de zon ten bedde uitwekt,
En re de zwarte nacht de starren heeft verdreven.
Eer zich dan eenig mensch ga buitens huis begeven,
Zon overleg het stuk; want wij zijn t zamen, daar
Dien aanslag dient gespoeid, en t marren heeft gevaar.
ORESTES.
Mijn waardste dienaar! o, wat is, door menig teeken,
Uw onvervalschte zucht te mijwaart klaar gebleken!
Want, eveneens gelijk een edelmoedig paard,
Hoe oud het zij, nochtans in onspoed niet verart
Van zijnen tuk, maar briescht met opgestekene ooren,
Zoo vangt gij t stuk zelf aan, en noopt ons, als met sporen;
Derhalve zal ik u ontdekken mijnen zin.
Nu luister scherp, en is er iet ontijdigs in
Mijn ren, verbeter dat; want toen ik God ging spreken
Te Delfis, op wat wijze ik vaders dood mocht wreken,
Ried mij Apollo zelf, en antwoordde op mijn vraag,
Dat ik niet met een heer, maar heimelijke laag,
De moorders straffen zoo rechtvaardiglijk aan t leven.
Nadien die God mij dan dees antwoord heeft gegeven:
Ga bij gelegenheid bespieden, hoe het staat
Ten hove, en wat er toch al bij hen ommegaat,
Opdat gij ons ontdekt en meldt uw wedervaren.
Ten hoof zal niemand u, die omzworft zon veel jaren,
En grijs zijt en ontmunt, meer kennen kunnen, nocht
Uw uitheemsch kleed en dracht geeft iemand achterdocht.
Geef u voor vreemdling uit, en ga voor een Focenser,
Die afgevaardigd werd van hunnen Fanotenser,
Want dat s hun beste vriend en trouwste bondgenoot,
Ga, boodschap hun, en sterk met eede Orestes dood;
Hoe hem de renzucht brocht, dear Grieken renfeest hielen,
Aan t sneuvlen en ten val met barrenende wielen.
Laat dit uw boodschap zijn: nadat mijn vaders graf
Gekroond zij, naar den raad, die ons t Orakel gaf,
Met afgesneden haar, met offerwijn te plengen,
Zoo zie ons hier te moet; wanneer we medebrengen -
De kopre bus, in ruigt gestopt, gelijk ge weet;
Opdat men door gerucht, met waarheids schijn bekleed,
En blijde tijding hen bedriegelijk verrasse,
Hoe t lichaam van Orest verbarrend zij tot assche;
Want dood te heeten deert mij toch op geene wijs,
Indien ik leve en zoo met grooter eer verrijs.
Ik kan een nutten klank niet lastren, noch misprijzen.
k Heb menigmaal gezien, dat doodgeheete wijzen
Het hoofd met meerder lof verbleven in hun lucht;
En hoop ook desgelijks, na dit gestrooid gerucht,
Voor mijne vijanden verschenen, van zoo verre,
Te blinken op een nieuw, gelijk een klare sterre;
Maar o, mijn vaderland en vaderlandsche Gon!
Verwellekoom me zoo, en baant den weg zoo schoon,
Dat d aanslag mij gelukke; en gij, mijne erfpaleizen!
Laat mij met schande niet van dezen bodem deizen;
Nadien ik u ter liefde, en van de Gon gepord,
U wasschen koom van t bloed, op uwen troon gestort.
Maakt mij nu eigenaar der koninklijke goeden,
En heiland van dit huis! dat bid ik. Nu aan t spoeden,
Stokoude man! volvoer hetgeen u is belast.
Wij gaan ook; want t is tijd, en t ie de tijd, die vast
Het meeste zeggen heeft in menschelijke zaken.
ELEKTRA.
Wee mij, elendig mensch!
LEERMEESTER.
                                        Mijn zoon, ik hoor genaken,
Daar binnen, zoo me dunkt, een dienstmaagd, die dus steent.
ORESTES.
Zou t wel Elektra zijn, die om haar rampen weent?
Wat dunkt u, zullen wij vertoeven, om te weten,
Waarom zij klaagt?
LEERMEESTER.
                              Geensins, men moet zich niets vermeten
Te doen, voor dat men hebbe Apollos last voldaan;
Men vang van vaders lijk en moordgetijde eerst aan,
Want hieraan hangt de kracht en zege van dien aanslag.
ELEKTRA.

O koesterende bron der dagen!
O lucht, geperst om s aardrijks korst!
Hoe dikwijl hoorde gij mij klagen,
En slaan voor mijn gekrabde borst,
Wanneer de morgen was herboren;
Want al wat s nachts bedreven wordt,
Gezin en ledekanten hooren,
In dit paleis, met bloed bestort;
Daar ik betreur mijn vaders euvlen,
Die niet, op den uitheemschen bom,
Door wreeden oorlog kwam te sneuvlen,
Maar door mijn moeder, los van toom,
En door Egisth, onkuisch van zede.
Dees kloofden t konings hoofd zoo stout
Met d ijzre moordbijl, scherp van snede,
Als d akkermans een eik in t woud.
En, o mijn vader! o mijn smarte!
Zoo schelmsch, zoo schendig omgebrocht,
Niet een neemt uwe dood ter harte;
Maar ik zal mijn gejammer, nocht
Mijn kermen en geschrei niet staken,
Zoo lang de zon verrijze en deaal,
En starren aan den hemel bleken;
En, even als een nachtegaal
Besteent het plondren van zijn jongen,
Zal ik, voor vaders hof en poort,
Mij laten hooren onbedwongen,
Zoo luide, dat het ieder hoort.
O onderaardsche heerschappijen!
O aardsche Godstolk, gaauw en kloek!
Gods dochters, felle Razerijen!
En gij, ontzaggelijke vloek!
Slaat d oogen neder. Komt ons redden.
Aanshbouwt dien ongerechten moord,
En die ter sluik een anders bedden
Berooven, komt, en helpt hen voort!
Komt, straft mijn vaders nederlagen,
En stuurt mijn bror! ik ben te zwak,
Om langer dus alleen te dragen
Mijn druk, een al te lastig pak!

REI VAN INLANDSCHE MAAGDEN.
O kind der jammerlijkste vrouwe!
Elektra, droeve dochter, ach!
Ach, waarom kwijnt ge, nacht en dag,
Van onverzadelijken ronwe, -
Om Agamemnon, eer verdaan
Door list en schalkheid, nooit verwoeder,
Van uwe goddelooze moeder,
En met haar booze hand verran?
De donder sla hen, en wil t wreken!
Indien t hier vrij sta, zoo te spreken.
ELEKTRA.
O spruit, van vromen voortgebrocht,
Komt gij mij troosten in elende?
Ik weet het wel. t Zijn welbekende
En dingen lang bij mij beslecht;
Maar k wil niet laten te beweenen
Mijn vaders jammerlijke dood.
Laat mij begaan, gij, die in nood
Mij bijstaat, om al t goed voorhenen
Van mij genoten. Laat me toch.
Ik ben verloren. Och, och, och!
REI.
Gij zult nochtans, met al dit krijten
En kermen, vader op zijn stoel
Uit den gemeenen jammerpoel
Niet wekken, maar u zelve slijten
Door eindelooze droefenis,
En ongeneeselijke smarte.
Wat lichtenis verwacht uw harte
Uit leed, dat niet te boeten is?
Wat staat ge, door gedurig klagen,
Na tgeen gij niet vermoogt te dragen?
ELEKTRA.
Een dwaas vergeet zijne ouders haast,
Die omgekomen zijn zoo snoode;
Maar t vogelke, de zomerbode,
Dat altijd: Itys, Itys! naast
En kermt, gelijkt mij gansch in dezen.
Rampzaalge Niobe! o, ik acht
U een van t goddelijk geslacht;
Ik acht u een Godin te wezen,
Die eislijk, in een steenen graf,
Roept: wee en ach! , en laat niet af.
REI.
O dochter! onder die verschoven
Gaan treuren, zijt gij t van uw stam
Alleen niet, die dit overkwam;
En nochtans gaat ge in rouw te boven
Uw gansche maagschap, en uw bloed,
Daar binnen, als Ifianasse,
Chrysothemis, en d onvolwasse,
Die stil zijn ramp betreuren moet.
ELEKTRA.
Orest, van hoogen stam geboren!
Ter goeder uur zult gij ten toon
Eens, op Jupijns verheugden troon
Gekeerd, tot koning zijn gekoren
Van t wijd vermaard Myceensch gezag.
Ik, kinderlooze en ongehuwde,
En ongelukkige en geschuwde,
U wachtende, van dag tot dag,
Met droeve tranen op de kaken,
Verga terwijl van al t verdriet;
Maar gij gedrukt mijn weldan niet,
Noch d ongelijken die u raken.
Wat valsche maren hebben wij
Van u niet, reis op reis, vernomen!
Gij dreigt, en zult te voorschijn komen,
Maar zet uw komste aan eene zij.
REI.
Hou moed, mijn dochter! tot het ende.
Jupijn met zijn alwetende oog,
Die t al bestiert, zit daar om hoog.
Beveel hem uwe groots elende,
En weest op henlin, die gij baat,
Niet ongeduldiglijk gebeten;
Gij zult nochtans dit niet vergeten:
De tijd is langzaam van beraad,
En Agamemnons zoon, te Krisse
In t weiland, vluchtig door zijn lot,
Kan wel eens keeren, ook de God
Des afgronds en der duisternisse.
ELEKTRA.
Een groot gedeelt van s levens tijd
Is door, en nog zal hij verschijnen,
En ik, die ouderloos ga kwijnen,
Heb niet een vriend, die voor mij strijdt,
Noch kracht genoeg om t kwaad te keeren,
En moet, gelijk een kamenier, -
Verschoven, vaders kamer hier
Bedienen, en in slechte kleren,
Die mij niet voegen, henegaan,
En dus voor lege tafels staan.
REI.
O droeve spraak van vaders komen
En wederkomste uit Priams oord!
O nare kreet, die in dien moord
Uit vaders kamer werd vernomen,
Toen hij dien slag met d ijzre bijl
Op t hoofd ontving! Bedrog bedocht het,
De Minne trof hem en volbrocht het;
Zij strooiden schriklijk in der ijl
Een schelmsch gerucht, en waren reeds,
Als of een God of mensch dit dede.
ELEKTRA.
O dag, dien ik vervloek alleen,
Hetzij wat dag ook dat er rijze;
O nacht! o moordbanket en spijze!
Wat brouwt gij ons al zwarighen!
Wat snooder dood is hij gestorven,
Toen twee verrars hem randden aan!
Die klaauwen hebben t mij gedaan,
En met mijn vader mij bedorven.
De groots God des Hemels zett
Hun dit betaald, en straff rechtvaardig,
Noch maak hen eenige eere waardig,
Die met dit schelmstuk zijn besmet!
REI.
Ziet toe, verloop u niet met spreken;
Of merkt ge niet, uit welk een staat
Gij, tot uw eige sch en smaad,
Vervalt, en blijft van gunst versteken?
Gij baart door wraakzucht, die u drijft,
U zelve vijanden en hinder;
Het is geen wijsheid, dat een minder
Met machtigen krakeelt en kijft.
ELEKTRA.
Ik word geperst van t schendig lijen.
Ik weet het wel, en ken mijn kop;
Maar k zal, mijn leven lang, mijn krop
Uitschuddende, niet konnen mijen
Mijn sch, om t schendig moordgeschrei;
Want wanneer, om mijn rouw te zachten,
Heb ik een troostlijk woord te wachten
Van dees gelieven allebe?
Van wien die pit heeft achter d ooren?
Mijn troosteressen, laat me toch!
Verlaat me vrij; dees droefheid, echt
Is niet te dempen noch te smoren;
Mijn zwarigheid duurt voor altoos,
Zoo is t geklag ook endeloos.
REI.
Maar t is uit gunst, dat ik s mij moeye,
Gelijk een trouwe moeder doet,
Opdat uw wellende gemoed
Niet d eene elende uit d andre broeye.
ELEKTRA.
Nu zeg me, met wat maat, hoe kort
Zou ik mijn jammer zien gesleten?
Is t voeglijk dooden te vergeten?
Wien heeft Natuur dit ingestort?
Ik zon geen prijs van hun begeeren,
Noch, bij een wederg gevoegd,
Niet vreedzaam leven, noch vernoegd,
Indien ik most, met luchte veren,
Gaan vliegen over het verdriet
Des moordkreets, die al t Rijk vervaarde.
t Is waar, de doods is stof en aarde,
En, aarde zijnde en andere niet,
Zal eeuwiglijk elendig leggen;
Zou daarom die dien moordslag gaf
Niet dragen zijn verdiende straf?
Wat had de schaamte dan te zeggen?
Godvruchtigheid, voortaan veracht,
Had uit bij t menschelijk geslacht.
REI.
O dochter! ik koom hier in allerijl gevlogen,
Zoowel door mijnen plicht als uwen druk bewogen;
Indien ik kwalijk spreek, zoo win het vrij; k zal nu
Gevollegzaam terstond mij buigen onder u.
ELEKTRA.
O Vrouwen! k schaam mij des, dat ik, dus bang te moede,
U overlastig val. Neem mijn gekerm ten goede.
De nood perst dit van t hart; want zekerlijk, hoe zou
Een koninklijke spruit, een hooggebore vrouw
Dit staken, daar ze nacht en dag geen am, kan halen,
En vaders ongeluk verrijzen ziet en dalen.
Vooreerst al tgeen me van mijn moeder, uit wiens schoot
Ik in de wereld kwam, bejegend is zoo snood;
Daarna verkeer ik vast, in t eigen Hof mijns vaders,
Met zijns moordenaars en schendige verraders,
En word van hun bestierd, en moet van hunlin stag
Mijn nooddruft en mijn kost genieten alle daag.
Ook denkt eens, hoe dien dag met droefheid wordt gesleten,
Als ik Egisth moet zien, op vaders troon gezeten,
Met Agamemnons kleed bekleed, en veel cieraads,
En drinken offer-wijn ons Huisgon toe, ter plaats
Daar zij hem brocht om hals; maar k zie, wie zou t gelooven?
Een hoofdschand, die nog verre alle andre gaat te boven,
Dien snooden moorder zelf, in vaders plaats, het bed
Met mijn bedorven mor (indien ik zonder smet
Haar moeder noemen mag), die hij hem let, onteeren,
En haar te goddeloos met zulk een smet verkeeren;
Geen razenij ontzien, maar lachen welgemoed
In al dees gruwelen, die zij bedrijft en doet.
Zij ziet het moordgetij te moet met groot verlangen,
Dien dag, toen zij met list mijn vader kreeg gevangen,
En voort om t leven holp; wanneer die dag verjaart,
Dan stelt ze dansen in; dan slacht zij onbezwaard
De schapen, die, ter maand gekeeld, voor d outers bloeden,
Ter eere van dees Gon, die haar tot nog behoeden.
Ik, ongelukkige! dit ziende in ons paleis,
Versmilt, en zucht, en schrei, en vloeke reis op reis
Mijn vaders moordbanket en moordmaal, zoo zij t heeten;
En stond me t schreyen vrij, en had ik eens gekreten
Zoo lang, als t hart wel lust! want deze trotsche Vrouw
Beschimpt al mijn misbaar en jammerlijke rouw:
O hellevloek der Gon! mist gij dien overleden
Alleen, en treffen u alleen dees zwarigheden?
Dat u de hagel sla! dat d onderaardsche gloed
En Pluto geve, dat gij eeuwig balken moet!
Aldus beschimpt ze mij; maar als zij heeft vernomen,
En krijgt een lucht, en riekt dat broeder staat op t komen,
Dan staat ze zinneloos bij mij en stampt, en raast:
Is dit niet uw bedrijf, die steelwijs in der haast
Orestes mij ontdroegt? Maar denk vrij: k zal t eens straffen,
Gelijk ge wel verdient Zoo hoort al t hof haar blaffen.
Haar lieve brugom staat aan hare zij, en schent
En hitst haar aan; die bloed, en oorzaak van d elend,
Die met de vrouwen trekt te velde, en aan den reye!
Maar ik, die midlerwijl Orestes vast verbeye,
Dat hij dit onwer still, verga in mijn verdriet;
Want sammelend bederft hij tgeen ik hoop, en niet
Verhoop, en o vriendin! hoe kan ik, dus gedreven,
Mij matigen in rouw, of recht godvruchtig leven?
In kwade zaken moet de honge nood mij ran,
Die raadt een kwaden weg en onweg in te slaan.
REI.
Wel, zeg me, durft ge dus bij uwen stiefvar wrokken,
Of als hij dit niet hoore, en zij van huis getrokken?
ELEKTRA.
Met reden; denk dit vrij: was hij niet uitgegaan,
Dat ik voor deze deur gerust zou blijven staan.
Hij is naar buiten toe.
REI.
                                  Zoo durf ik met u kanten,
Is t waarheid, tgeen ge zegt.
ELEKTRA.
                                             Gij moogt u vrij verstouten;
Egisth is nu niet thuis, dies vraag al wat u lust.
REI.
Zoo vraag ik, wat ge zegt, en wat u is bewust
Van broeders wederkomste, of van zijn langzaam wachten;
Bericht me van dit stuk.
ELEKTRA.
                                     Wie zou zijn zeggen achten?
Hij zegt veel, en volvoert niet eens hetgeen hij zet.
REI.
Een, die wat groots besteekt, is traag in zijn beleid.
ELEKTRA.
Maar ik was slof noch traag, in t bergen van zijn leven.
REI.
Hou moed! Hij is te vroom, om vrienden te begeven.
ELEKTRA.
k Vertrouw dit, anders was t met mij geheel gedaan.
REI.
Nu zwijg, Chrysothemis komt uit den huize gaan,
Uw zuster, van n bedde en ouderen geboren
Met u. Zij draagt, hetgeen den afgrond is beschoren,
Lijkoffer na het graf.
CHRYSOTHEMIS.
                                Hoe roept ge voor de poort
En op de plaats zoo luide, o zuster! dat men t hoort?
Kan u t verloop des tijds niet leeren anders zingen,
En uwe oploopendheid, die ijdel is, bedwingen?
k Beken wel, dat ik mede, als ramp voorhanden is,
Bedrukt ben en bedroefd; en had ik macht, gewis
 k Zou dadelijk, wat hart ik hunlin draag, doen blijken.
Nu wil ik liever t zeil in tegenspoed wat strijken,
En schijnen stil te staan, en hun geene ongenoecht
Te brouwen, en wo wel, dat gij u ook zoo droegt.
Hetgeen gij drijft is recht, en niet hetgeen ik oordeel;
k Beken t, maar staat het vrij zich na het meeste voordeel
Te schikken, zoo is t ren, dat elk dien weg ingaat,
En hun gehoorzaam zij, daar t hoog gezag bij staat.
ELEKTRA.
Het staat niet wel, noch luidt niet eerlijk bij de vromen,
Dat gij vergeet het bloed, waarvan gij zijt gekomen,
En dus voor moeder zorgt; want al wat gij terstond
Tot mijn vermaning zet, dat hebt ge uit haren mond,
En uit u zelve niet. Ik geef u keur van beide:
Gij stemt dien doodslag toe, dien ik tot nog beschreide,
Of, kennende het leed van vader, u zoo lief,
Hebt geen gedachtenis van hem, om t ongerief.
Gij zegt wel: stond de macht aan u, de daad zou spreken,
Hoe gij hen haat; en ik, vast bezig met besteken
Van al wat tot dees wraak vereischt wordt, krijg van u
Geen hulp, en word hierdoor van dezen aanslag schuw.
Zoo komt de sufferij ons rampen nog vermeeren.
Maar k bid u, leert mij toch, of laat ik zelve u leeren.
Wat oordeel geeft het mij, indien ik t huilen staak?
Ik leef, maar naauwelijks. Dat s mij genoeg. Ik maak
Hun t leven zuur, en eens aldus dien overleden,
Indien men hierdoor gunst verwerreft daar beneden.
Maar gij, die mij belijdt, dat gij de moorders haat,
Die haat hen met den mond, maar houdt het in der daad
Met vadermoordenaars. Al schonk men mij geschenken,
Daar uw gemoed op vlamt; ik liet mijn trouw niet krenken,
Noch heulde met zulk slag. Ga hene, zet u vrij
Ter tafel, daar het vloeit van hoofsche lekkernij
En overdaad van spijs; wat nooddrufts, zonder wroegen,
Vernoegt mij meer. Kunt gij u dus ten boys voegen,
Om t lief genot van eer; zij hangt me geensins aan.
En waart ge zelve wijs, gij zoudt die ook versman.
Nu past het, dat ge niet, naar uwen trouwsten hoeder,
Uw vaders dochter heet, maar troetelkind van moeder;
Zoo zal uw ondeugd klaarst ten toon voor ieder staan,
Wanneer ge vaders asch en maagschap hebt verran.
REI.
Om Gods wil, vaar niet uit; want in het overwegen
Van t onderling gesprek veel voordeels is gelegen,
Zoo elk van wederzij zich dient met s anders toon.
CHRYSOTHEMIS.
O moeders! ik ben dit van zuster al gewoon,
En had dit niet gerept, t en waar uit groot erbarmen;
Nadien ik weet wat ramp haar naakt om al dit karmen.
ELEKTRA.
Zeg op, wat ramp? Want ik zal hier niet tegens zijn,
Al raakte ik ook daardoor in nog bedroefder schijn.
CHRYSOTHEMIS.
k Zal zeggen t geen ik weet. Zoo gij niet rust van huilen,
Zal t hof u buiten s lands al levendig verschuilen
In een gevangenis, daar nimmer s Hemels lamp
In schijne, en gij met recht moogt janken om uw ramp.
Nu spreek of zwijg hierna, wanneer ge raakt in lijden;
Nu kunt ge, wilt ge nog, dees zwarigheid vermijden.
ELEKTRA.
Zoo hebben ze over mij dees straf bestemd alre?
CHRYSOTHEMIS.
Zoodra Egisth van t land in t hof koomt, en in ste.
ELEKTRA.
Wel, laat hem in der ijl om deze reden keeren.
CHRYSOTHEMIS.
Elendige, wenscht gij om tgeen u zelf kan deeren?
ELEKTRA.
Hij koom, indien hij dit beginnen wil, in stad.
CHRYSOTHEMIS.
Opdat ge in lijden raakt? Waarom begeert ge dat?
ELEKTRA.
Opdat ik, wijd en zijd, van u werd weggedreven.
CHRYSOTHEMIS.
Zoo schept ge geen vermaak in t tegenoordig leven?
ELEKTRA.
Wist gij, hoe blij ik leef, gij zoudt verwonderd staan.
CHRYSOTHEMIS.
Het waar zoo, stelde gij het wijslijk daarna aan.
ELEKTRA.
Ay; eer me niet, dat ik mijn vrienden moet onteeren!
CHRYSOTHEMIS.
Niet dit, maar dat ge hoort na henlin, die regeeren.
ELEKTRA.
Leer mij niet, wat me voegt; bezorg uzelf vooral.
CHRYSOTHEMIS.
t Is loflijk, dat men niet door reukeloosheid vall.
ELEKTRA.
Men vall, zoo t wezen moet, door vaders wraak ten leste.
CHRYSOTHEMIS.
Neen, vader weet ik wel, houdt zelf ons dit ten beste.
ELEKTRA.
 Die woorden hebben lof bij menig onverlaat.
CHRYSOTHEMIS.
Beweeg ik u nog niet, te luistren naar mijn raad?
ELEKTRA.
Gansch niet, noch denk het niet. Zou ik zoo breinloos dolen?
CHRYSOTHEMIS.
Ik ga dan heen mijn weegs, gelijk mij is bevolen.
ELEKTRA.
Waar heen? Waar brengt ge nu deze offerkannen heen?
CHRYSOTHEMIS.
Ik giet ze op vaders graf, door moeders last alleen.
ELEKTRA.
O hatelijkste mensch! hoe spreek ge dus, gij snode?
CHRYSOTHEMIS.
Gij meent, ik giet ze op t graf, uit last van die hem doodde?
ELEKTRA.
Wat bloedvriend leert u dit? Wie is t, dien dit behaagt?
CHRYSOTHEMIS.
Een nachtspook, zou mij dunkt, maakt moeders hart versaagd,
ELEKTRA.
O vaderlijke Gon! nu helpt dees arme weeze.
CHRYSOTHEMIS.
Schept gij wat harts, wat moeds uit haar benaauwde vreeze?
ELEKTRA.
Vertel t gezicht, en k zal t u zeggen, zoo ik kan.
CHRYSOTHEMIS.
Ik weet er naauwelijks of maar een luttel van.
ELEKTRA.
Verhaal het; weinig ren, die hadden dik t vermogen
Dat zij den mensch weleer f redden f bedrogen.
CHRYSOTHEMIS.
De roep gaat, dat ze zelve ons vader wer vernam,
Die, nu de tweede maal, zich met haar paren kwam,
En grijpende den staf des rijks, weleer gedragen
Bij hem, maar nu gevat van die hem heeft verslagen,
Dien plantte, en uit dien staf verrees een groene plant,
Die met haar schaduw dekte al dit Myceensche land. -
Dit heb ik uit den mond van eenen, die t mij meldde
En tegenwoordig was, daar zij haar droom vertelde
Aan d opgereze zon. Ik weet er meer niet af,
Dan dat ze mij uit schrik gezonden heeft naar t graf.
Nu bid, nu smeek ik u, bij vaders eige Goden,
Dat gij gehoorzaam volgt mijn raden en geboden,
En niet zon reukeloos u zelve stort ter ner.
Verjaagt ge mij, vergeefs roept gij uw zuster wer.
ELEKTRA.
Mijn waarde zuster! wacht u toch. Het zou niet passen,
Te gieten t geen ge draagt op vaders graf en asschen;
Want dit kan nimmer recht, noch vroom, noch billijk zijn
Dat zno een vrouw als zij, een vijandin, met wijn
En offervaten doe des dooden graf besprengen.
Ga, pleng het onderwege, of ga het elders brengen.
Verberg het diep in t zand, opdat het vaders rust
Niet steure, en deze zaak hem nimmer zij bewust;
En laat ze dit juweel voor hare grafste sparen,
Om t offren, als haar geest beneden is gevaren;
Nadien dees goddelooze en godvergete vrouw
Zelf eenige ontspronk is van alle dezen rouw,
En met vervloekten wijn nooit d asch heeft overgoten
Desgenen, dien ze moordde en hulp ten afgrond stooten.
Bedenk, met wat een gunst en minnelijk gelaat
De doode ontvangen zal t geschenk van die hem haat;
Van die zoo eerloos hem vermoordde, en heeft geschonden
En wascht met offerwijn het bloed, dat uit de wonden
Van zijn gekloven hoofd kwam springen op haar lijf.
Of meent ge dat dit boet haar gruwelijk bedrijf?
Geensins; dies staak dit werk, en laat u onderrechten,
En snij veel liever af de tippen van uw vlechten,
En t zachstste haar van mij, die naauwlijks adem schep.
Dit is gering, nochtans ik wij hem t geen ik heb,
Dit offerhaar, en ook mijn riem, doch niet met steenen
En parlen geborduurd. Ga, kniel voor hem, met eenen
Vermaan hem, bid en smeek, dat van benen al stil
Hij zijnen vijanden toch eens opkomen wil,
En dat de kleene Orest verflaauwe noch verslappe,
Maar levend met den voet op s vijands hoofden trappe;
Opdat men t graf bekroon met een gaafrijker hand,
Dan tegenwoordiglijk, in dezen droeven stand:
En k hou het voor gemis, het is van hem gekomen,
Dat moeder zag bij nacht dees spokerij en droomen.
Maar zuster! niettemin doe dit, tot nut van mij
En u, ten dienst van hem, tot eer van hem, dien wij
Beminnen boven al de menschen, die hier woelen;
Ten dienst van vaders geest, gedaald in s afgronds poelen.
REI.
Dees dochter spreekt zeer vroom. Gij, dochter! zijt ge vroed,
Volbreng dit.
CHRYSOTHEMIS.
                     k Zal het doen. Een reedlijk schepsel moet,
Om t geen rechtvaardig is, niet twisten noch krakeelen,
Maar t werk benaarstigen. Terwijl ik uw bevelen,
Vriendinnen! dan volbreng, zij zwijgen ieders plicht;
Want was ons moeder iet van dit gesprek bericht,
Wij zouden (hou ik vast, dies wilt dees woorden staken)
Hierdoor in groot gevaar en zwarigheid geraken.
REI.
Spel ik geen versierde zaken,
Uit een hoofd vol ijdelheid,
k Zie, gelijk men heeft voorzed,
De gedreigde straf genaken,
Met rechtvaardigheid en macht
Toegerust, en in haar kracht.
Kind! zij zal eerlange komen;
Dats mijn hope, nu ik hoor
Tuiten in mijn luisterende oor
Deze liefelijke droomen;
Want der Grieken vorst vergeet
D ijzre bijl niet, die zoo sneed
Van werzijde scherp om t even,
En hem schendig brocht om t leven.
Uit haar schrikkelijke lagen,
Daar ze stil verborgen lag,
Springt Erynnis voor den dag;
Tal van ijzre voeten dragen
t Monster, nimmer woedens mei;
Met veel klaauwen tast het toe,
Want met haar is t omgekommen,
Die het schendig bruiloftsbed
Op de feest, van bloed besmet,
Schaamte- en eerloos heeft beklommen;
Dies ik vastelijk betrouw,
Dat dit onberisplijk droomen
Niet voor euvel heeft genomen
Al het roepen dezer vrouw
Over ons, die ingespannen
Wrokken tegens dees tyrannen.
Al het ramen, al t bescheid
Van t gedroom is ijdelheid,
Kan men uit den droom niet raden,
Daar we nu me zijn beladen.
Pelops renstrijd lang geleden!
Oorzaak van veel zwarigheden,
Och, hoe dier staat gij dit land!
Sedert Myrtilus, aan strand,
In de baren werd vergeten,
Nadat hij ter ner gesmeten
Werd van t gouden rad in t veld,
Met een jammerlijk geweld;
Sedert nam de groots elende
Van dit droevig hof geen ende.
KLYTEMNESTRA.
Nu rinkelrooit ge vast, en springt wer uit den band,
Dewijl Egiathus juist niet hier is bij der hand,
Die u gemeenelijk verplicht hiel aan t betamen,
Opdat ge buitenshuis geen vrienden zoudt beschamen.
Nu hij naar buiten is, heeft moeder geen ontzag;
Nu maakt ge bij elk een mij zwart met uw beklag,
Als of ik met een juk van onrecht u belaadde,
In u en al uw doen vermetelijk versmaadde;
Hoewel ik u vermij; want of mij nu en dan
Wat kwaads ter ooren komt, ik rep er naauwlijks van.
Gij durft mij dagelijks wel bits in t aanzicht bijten,
Mij vaders dood alleen, en niemand meer verwijten;
Hoewel ik t wel beken, k heb hem eer ner geleid,
Doch niet alleen, dien slag gaf hem rechtvaardigheid;
Gebrak t u niet aan brein, gij zoudt mij hulp bestellen,
Nadien uw vader zelf, om wien gij u gaat kwellen,
Uit zoo veel volks alleen uw eige zusters ziel
Durf offren aan de Gon. Hoe bang mij t baren viel,
Weet ik, niet hij, die haar geteeld heeft, niet gedragen.
Maar om wat ren most hij den Goden dus behagen?
Om der Argiven wil? We!, wat lag hun daaraan,
Dat juist mijn dochter most naar t bloedig outer gaan?
t Geschiedde om broeders wil, om Menelaus beden.
Heeft hij dan niet om t stuk verdiende straf geleden?
Had oom niet bij Heleen twee kinderen geteeld?
t Waar beter, dat men die geslacht hadde en gekeeld,
Als eige kinders van deze oudren, om wier zaken
Men heen na Troje voer. Of hijgden s afgronds kaken
Meer naar mijn kinders, dan zijn eigen broeders bloed?
Uw vader moordgezind, had die uit zijn gemoed
De kinderzucht gejaagd, en voer die in de kindren
Van Menelaus, om zijn eigen zaad te hindren?
Is niet dat vaders hart onreedlijk en veraard?
Zoo schijnt het mij, al gaat mijn oordeel niet gepaard
Met uw verstand. Ik weet, mij zou geen stem ontbreken
Indien de doode maagd zelf opzag, en kon spreken;
Waarom ik om dit stuk in t minst geen droefheid maak
En acht ge dat ik dool, die recht heb in dees zaak,
Bestraf me, daar ik t hoor.
ELEKTRA.
                                         Gij zoudt niet kunnen zeggen
Wat uwe bitsheid mij niet al te last durf leggen;
En geeft ge mij verlof, k zal van onze Ifigeen
En vader spreken met bescheidenheid en ren.
KLYTEMNESTRA.
k Vergun t u. Was ik zoo altijd ontmoet te voren,
Uw moeder had u nooit zoo dik gedreigd uit tooren.
ELEKTRA.
k Zal t zeggen. Gij bekent dien manslag nu recht uit.
Waar sprak ooit vrouw een woord, dat schandelijker luidt
Hij heeft met recht of niet dien nerslag dan geleden;
Ik zeg, gij brocht hem om heel godloos, tegens reden,
Maar t aanran van dien boel, en zijn vervloekte min,
Heeft u zoo verr gebrocht. Ga, vraag de Jachtgodin
Diane eens, om wiens wil, en om wat smaad te wreken,
Zij t schrikkelijlke wer in Aulis op deed steken.
Of zoudt gij t liever zelf uit mijnen mond verstaan,
Nadien men t nu niet kan vernemen uit Diaan?
Mijn vader, zoo ik hoorde, op zekren tijd uit jagen
In t woud van dees Godin, joeg op, uit ruigte en hagen,
Een schoon gespikkeld hert, hetwelk hij doodlijk trof,
En treffende verliep in t roemen zich te grof;
Dies dees Godin verstoord d Achayers vloot verlette,
Opdat de vader zelf, tot boete van die smette
En dit geschoten dier, zijn dochter offren zou.
Dit offer eischte zij, en zonder t offer wo
Zij t leger, noch haar huis, noch Troje laten varen.
De koning deed zijn beste, om deze maagd te sparen,
En marde lang, maar mest, geperst vast overal,
In t end daaraan, doch niet zijn broeder te geval.
Genomen dat ik koom, daar gij het liet voor dezen,
Mijn vader wo zijn bror hierin te wille wezen;
Most gij hem daarom don? Ai, zeg me, naar wat wet?
Zie toe, zie toe, dat gij het volk geen regel zet,
Die namaals allereerst u rouwe, en dapperst rake;
Want zullen wij, uit haat en onderlinge wrake,
Elkandren randen aan, zou denk, dat gij gewis
Eerst sterven zult, indien er recht bij rechtbank is;
Dies zoek geene uitvlucht, daar die nergens wordt gevonden:
En wilt ge, zeg, waarom gij nu dus ongebonden
Volhardt, aan uwen boel en moordenaar verknocht,
Die vader, ach! met u om lijf en leven brocht,
En kinders teelt hij u! terwijl gij onverdroten
Het kroost, van t eerste bed zoo eerelijk gesproten,
Verjaagt. Hoe zou ik u toch loven in die zaak?
Of zegt ge dochters moord vereischt die wederwraak?
Zoo spreekt uw mond hetgeen hij eer behoort te schuwen.
t Misstaat, om dochters wil, aan vijanden te huwen;
Doch t voegt niet wel, dat ik u leere of iet verwijt,
En hard ontmoet, nadien gij mijne moeder zijt.
Ja, k hou u te gelijk voogdes en moeder beide
Te wezen over mij, die zulk een leven leide,
En om uw bedgenoot en uwent wil vast zucht,
Gelijk die droeve Orest, uw handen naauw ontvlucht,
Zijn leven deerlijk slijt; om wien met harde woorden
Gij mij zoo dikwijl schelt, alsof, om u te moorden,
Ik hem hadde opgevoed; ja, stond dit in mijn macht,
Denk vrij het zou geschin; dies hou me vrij verdacht,
En scheld me tegens elk voor hoofdig en kwaadaardig,
En onbeschaamd van mond; want ben ik lastrens waardig
Om die gebreken, denk: Elektra aardt na dij.
REI.
Ay zie, zij zwelt om t hoofd, maar of t met reden zij,
Dat kan ik niet bevron.
KLYTEMNESTRA.
                                     Wat straf zal haar betoomen,
Die dus haar moeder scheidt, van wie zij is gekomen,
En nog zoo jong en wulpsch? Wat dunkt 1u, zou ze niet
Wel schaamteloos bestaat?
ELEKTRA.
                                          Hoewel gij t niet en ziet,
Zoo weet nochtans, dat wij ons dezer woorden schamen.
Wij weten wel, wij doen tgeen kindren niet betamen,
En gansch ontijdig is; maar t ingeworteld zaad,
De haat, die ik u draag, verrukt me tot dit kwaad;
Want d eene schande geeft aan d andre schande voedsel;
Men leert het kwaad van t kwaad.
KLYTEMNESTRA.
                                                    O schaamteloos gebroedsel!
Mijn woorden en mijn werk u schaffen lastrens stof.
ELEKTRA.
Dat zegt gij zelf, niet ik. Gij spint het werk zoo grof,
En t werrek baart krakeel.
KLYTEMNESTRA.
                                         Ik zweer bij ons Godinne,
Zoodra Egisthus keert, en treedt ter poorten inne,
Wordt u die stoute mond eens degelijk gesnoerd.
ELEKTRA.
Nu wordt ge wederom van gramschap weggevoerd;
Gij laat mij t spreken toe, en wilt er niet na hooren.
KLYTEMNESTRA.
Zult gij mij hinderen in mijn gerechten tooren,
Nadien ik u vergun te spreken zoo gerust?
ELEKTRA.
kVerhinder t niet. k Beveel t. Nu raas, zoo lang t u lust!
Geef mijnen mond geen schuld. k Zal stom uw gramschap vluchten.
KLYTEMNESTRA.
Gij, die rondom mij staat, aanvaardt deze offervruchten,
Opdat ik van dien schrik, die al mijn len ontzet,
Ontslagen werde. Apol, die op de huizen let,
Verhoor mijn stille be; want ik stort geene bede
Bij vrienden, noch men mag net alles hier ter stede
Ontdekken, nademaal Electra bij mij staat;
Opdat ze, met veel kouts uit nijd, mij over straat
En al de stad niet draag. Verhoor me goedertieren,
In tgeen ik nu verzoek, o Wildschut! schrik der dieren,
Zoo dit gespook van be mijn dromen, u verteld,
En s nachts gezien, geluk en geene rampen spelt,
Volvoer het; spelt het kwaad, zoo keer het op de kwaden
En al ons vijanden; en schoon er zijn die raden
En staan door loos bedrog naar mijn bederf, hun wit,
Zoo stoot me nochtans niet uit zulk een rijk bezit;
Maar gun me, dat ik, stag behouden, mag bewonen
In mijne onnoozelheid het hof van Atreus zonen;
Regeeren met hun staf, verkeeren naar mijn lust
Met vrienden, die ik ken, en leven zoo gerust
Bij mijne kinders, die ik niet uit haat noch tooren
Verdruk. O Schrik van t woud, Apollo! neig uwe ooren,
Naar uw zachtmoedigheid, tot mijn geben en mij;
Verleen ons al hetgeen wij bidden; en wat wij
Verzwijgen, weet ge toch, die, als een God daar boven,
Doorziet al wat er is; gelijk we recht gelooven,
Dat Jupiters geslacht het alles ziet en weet.
LEERMEESTER.
Uitheemsche vrouwen! zegt, wie geeft mij best bescheed,
Of dit gebouw het hof is van Egisth, uw koning?
REI.
Mijn vriend! gij raadt het juist; dit s zijn paleis en woning.
LEERMEESTER.
k Geloof, dit s zijn gemaal. Zij schijnt de koningin.
REI.
Zij is t gewisselijk.
LEERMEESTER.
                              Ik groet u, o vorstin!
Ik koom van uwen vriend, en breng me, en met eenen
Egisth, zoo blijde een mare, als iemand brocht voorhenen.
KLYTEMNESTRA.
k Aanvaard hetgeen gij zegt; maar wou wel eerst verstaan,
Wat man het is, die u gestierd heeft herwaart aan.
LEERMEESTER.
Uw vriend, Fanoteus zelf, om geen geringe zaken.
KLYTEMNESTRA.
Wat mag dit zijn? Ik weet, hij zoekt me te vermaken;
Een vriend, zou lief als bij, die brengt niet onliefs voort.
LEERMEESTER.
Orest is dood; daar hebt gij t nu in t kort gehoord.
ELEKTRA.
Wee mij, elendig dier! Nu ben ik gansch verloren.
KLYTEMNESTRA.
Wat zegt ge, vreemdeling? Zeg op, en stop uwe ooren Voor deze.
LEERMEESTER.
k Zeide: Orest is dood, en zeg het nog.
ELEKTRA.

Helaas! ik ben om hals. t Is uit met mij. Och, och!

KLYTEMNESTRA.
Vaar voort, gij b! vaar voort, en wil voor niemand schromen;
Vertel mij, op wat wijze Orest is omgekomen.
LEERMEESTER.

Mijn boodschap brengt dit me; ik zal t u al verslaan:
Orestes kwam, gelijk alle anderen, ter baan,
In die vermaarde plaats van Grieken, om te deelen
De glorie, die men haalt in Delfis ridderspelen.
Nadat de roeper luid ten loopstrijd daagt het tal,
Waarvan de dapperste de prijzen winnen zal,
Vliegt d eedle jongeling vooruit met zulk een felheid,
Dat alle omstanders zich verwondren om zijn snelheid.
De loopstrijd was zijn aard gelijk, die niet bezweek,
Voor dat hij trotsch het lot des overwinners streek;
En, om te krimpen tgeen wijdloopig stof zou geven,
k Zag diergelijke kracht in niemand, al mijn leven;
En gij weet zelf, hoe al t vijfjarig spel verhaald,
En ons, van tijd tot tijd, zoo breed is afgemaald.
Nadat de rechters nu door hunnen roeper riepen,
Dat hij den loopprijs won voor al die met hem liepen,
Noemde al de menigt straks Orestes bij zijn naam,
Den zoon van Atreus zoon, die, groet van naam en faam,
Dat heer in Grieken had verzaamd en opontboden.
Zoo droeg t zich toe; want als d onsterfelijke Goden
Gezind zijn leed te doen een sterfelijken man,
Onmooglijk is t, dat hij dien slag ontvluchten kan.
Dit bleek, toen s audren daags de zon, de zen en landen
Beschijnende, de beurt des renstrijds was voorhanden.
Orestes kwam er met veel wagenridders aan:
Achaye zend er n; men zag er n Spartaan,
Nog twee uit Lybin, op wagens met twee paarden.
Hij zelf, de vijfste, ging niet knel met hun aanvaarden,
Met brave Thessalers, het vlugge wagenspel.
De zeste, een Etolir, had paarden, ros van vel.
De zevenste kwam uit Magnezin, vol hitte.
Maar d Eniauer reed hier d achtste met twee witte.
Ds negenste verliet Athene, Pallas stad.
Beotin voer mede, en dreef het tiende rad.
Nadat ze vaardig staan met hun gezwinde wielen,
Een ieder op zijn plaats, naar dat de loten vielen,
Getrokken zonder nijd door hen, die zijn gezet
Tot wachters over t spel, zoo steekt men de trompet;
Daarmede voortgerukt, en elk t gareel gespannen.
Gebriesch van paarden mengt zich in geroep van mannen.
Men schudt de toomen vast. Men raast van ongeduld,
Zoodat de wagendrift de gansche renbaan vult,
Gehaspeld stof de lucht. Zij werden ingewikkeld,
En warren onder een. Elk drijft, elk roept, elk prikkelt
Zijn hijgend paard om prijs, waarna het al verlangt,
En t schuim verspreid om ros, en wiel, en wagen hangt.
Orestes, achter op gezeten, heet op t winnen,
Trok vast den disselboom na zich, ook t paard van binnen,
En gaf het buitenst bot. De wagens dus gemend,
Die streefden, in het eerst, nog heel en ongeschend;
Maar toen een Eniaan, met zijn gespan aan t hollen,
Zich keerde, en na zesmaal recht toe recht aan kwam rollen
Op ons Barceesche ran, geraakte men dat pas
Van d eene ramp in een, die nog veel erger was.
Hij stortte, en al die in t Krisseesche renperk reden
Vervulden t perk, daar zij in stukken rbreuk leden.
De schrandre Athener zag t. Hij staakte zijnen vaart,
Begaf zich buiten om, en wist met wiel en paard
Het midden, daar het barnt van wagenen, te mijden.
Maar uw Orestes kwam de leste en spader rijden,
Met groots hoop naar prijs: en ziende neffens hem
Geene andren, noopte vast de hengsten met zijn stem,
En vloog d Athener na. Elks rossen, snel als vleugels,
Geraakten zij aan zij met even snelle teugels,
Dan weder d een, en dan een anders hoofd wat voer.
Orestes had dus lang nog veilig t wagenspoor ,
Gemaakt, tot dat hij liet den slinken teugel glijen,
En, rakende onvoorziene den perkpilaar in t rijen,
Vermorselde zijne as, en viel van boven ner,
Gewikkeld in den toom. Door t vallen van dien Heer,
Verstrooide het gespan, in t heftigsts van t jagen.
D aanschouwers, die hem dus zien sneuvelen, beklagen
Dien Jongeling, zoo groot en onvertsaagd van ziel,
Gelijk d elende was, die hem te beurte viel.
Hij wordt gesleept, gesleurd langs d aarde, al t renpad henen,
En steekt bij wijlen nog ten hemel be zijn beenen,
Tot dat men, in hun loop, de dolle rossen stuit,
En dien gevallen redt; maar laas! hij ziet er uit,
En legt er zoo bebloed, dat zelfs der vrienden oogen
t Elendig aangezicht noch zwinksel kennen mogen.
Men brandde t lijk tot stof. Fanoteus stelde ras
Twee mans, die, in een kleine en kopre doodbus, d aan
Van t groote lichaam nou brengen tot een gave,
Opdat men t in dit land, zijn vaderland, begrave.
k Verhaal u dit zoo t voer. t Verhaal ontstelt mij, ach!
Die t zagen, tuigden dat nooit mensch iet droevers zag.

REI.

Och, Pelops stam! gij stort met al uw takken neder.

KLYTEMNESTRA.

O Jupiter! wat hoor, wat hoor ik hier al weder?
Hoe zal ik deze maar best noemen, kwaad of goed?
Zie mij ten minste nut. t Valt bitter voor t gemoed,
Met druk en hartewee te slijten al zijn jaren.

LEERMEESTER.
Mevrouw! bedroeft gij u om deze nieuwe maren?
KLYTEMNESTRA.

Het kinderbaren is een last en ongenucht,
Want geene moeder haat haar schadelijke vrucht.

LEERMEESTER.
Zoo breng ik u vergeefs nu tijding van dien doods.
KLYTEMNESTRA.
Geensins, want gij verstrekt mij een loofwaardig bode
Van hem, mijn halve ziel, wien t lustte te versman
Zijn vosters en mijn borst, en liefst wou balling gaan.
k Heb sedert dat hij t land verliet, en was vertrokken, -
Hem nooit gezien, die, niet ophoudende van wrokken
En vreselijk dreigen, mij den vadermoord verweet;
Zoodat ik nimmer dag noch nacht gerust versleet,
Noch slapen kon. Mij docht, zij stonden maar mijn leven,
En heden is nu eerst uit mijn gemoed gedreven
Die schrik voor hem en haar, dat mij aan t harte trof;
En deze Elektra zoog, gelijk een pest in t hof,
Mijn hartebloed; maar nu, van schrik en angst ontslagen,
Hoop ik voortaan gerust te leven al mijn dagen.
ELEKTRA.
Wee mij, elendig mensch! Orest, moet ik in nood
Beklagen uwe elends, omdat ge na uw dood
Nog lijden moet dien smaad, en t lasteren van moeder?
Betaamt me dit?
KLYTEMNESTRA.
                        k Versma met recht en rein uw broeder,
Niet u.
ELEKTRA.
          Hoor, Nemesis! wis t lijk met smaad belast.
KLYTEMNESTRA.
Zij heeft het al gehoord, en zoo gelijk het past,
En voerde t heerlijk uit.
ELEKTRA.
                                   Braveer nu vrij uw kindren,
Dewijl t geluk u dient.
KLYTEMNESTRA.
                                    Zult gij mij dit verhindren,
Of zal t Orestes doen?
ELEKTRA.
                                    Wij zwichten bang en schuw,
En hinderen me niet.
KLYTEMNESTRA.
                                 O vreemdeling! k zoo t u
Beloonen, wist ge haar dat lastren te verleeren.
LEERMEESTER.
Mijn boodschap is beschikt; het is nu tijd te keeren.
KLYTEMNESTRA.
Geensins; want hoe zou mij of dezen trouwen heer,
Die me heeft uitgestuurd, dit passen, dat ge wer
Vertrokt, zoo ononthaald; dies ga met mij hier binnen.
Laat deze voor de deur vergren hare zinnen,
En treuren over t leed van haar en haar geslacht.
ELEKTRA.
Dunkt u, dat wij bedrukt, met al te groot een klacht,
t Rampzalig ongeval van uwen zoon beweenen?
Helaas! daar gaat ze nu al blij en lachend henen.
Wee mij, elendig mensch! Orest, mijn lieve bror!
Gij brengt me voort om hals door tgeen me wedervoer.
Door uwe dood is mij de hope voort bezweken,
Dat gij werkeerend mij en vaders dood zoudt wreken.
Waar wende ik nu mijn tred? Ik, eenzaam, zonder hoofd,
Ben vaderlooze wees, en van mijn bror beroofd.
Nu moet ik zien mijn jeugd in slavernij verslensen,
En dienen de gehaatste en snoodste van de menschen,
Den vadermoordenaars; gedijt me dat tot lof?
Neen, k woon voortaan niet meer bij hen in tzelve hof,
Maar wil voor deze deur, beroofd van al mijn magen,
Gaan leggen, en aldus verslijten al mijn dagen.
Laat een van t hofgezin, en dien t niet lastig val,
Mij doodslaan, daar ik hem nog voor bedanken zal;
Want ik ben tleven mei, k verlang niet meer naar t leven.
REI.
Waar of de bliksems van Jupijn,
Waar of de klare zon mag zijn,
Dat zij dit ongelijk verdragen?
ELEKTRA.
Och, och!
REI.
               Mijn kind, waartoe dit klagen?

Och, och!

REI.
               Nu, krijt niet al te luid.
ELEKTRA.
Gij moordt me.
REI.
                        Hoe? Leg mij dit uit.
ELEKTRA.
Indien ge mij, die ben bedorven,
Nog hopen doet op dien gestorven,
Zoo zult ge mijnen rouw slechts von,
En mij nog grooten hartzeer doen.
REI.
Amfiaraus, die vol zorgen
Voor t oorloog heimlijk zat verbergen,
Werd van zijn vrouw, die t was vertrouwd,
Om eens keten, rood van goud,
Verraden; en, benen gevaren,
ELEKTRA.
Och, och!
REI.
                 Kwam hij nog openbaren
ELEKTRA.
Och, och!
REI.
                Dit schendig stuk daarna.
ELEKTRA.
Kreeg Erifiel haar straf?
REI.
                                    Oja.
ELEKTRA.
t Is waar, Alkmeon voortgekomen
Heeft wraak van s vaders leed genomen;
Maar niemand denkt, helaas! om mij,
En die t zou doen raakt aan een zij.
REI.
Wat treffen u al ongelukken!
ELEKTRA.
Ik voel de rampen, die mij drukken,
De lange ontelbre zwarighen,
Die t zamenloopen, en tot een.
REI.
k Weet wat gij zegt, gestadig banger.
ELEKTRA.
Vertroost Elektra dan niet langer,
Nadien er geen..................-
REI.
                       Wat zegt ge toch?
ELEKTRA.
Al d overige hulp, tot nog
Verwacht, bestond alleen in loten
Van adelijken stam gesproten,
De tijdgenooten van Orest.
REI.
De dood valt elk te beurt in t lest.
ELEKTRA.
Och, dat de dood ook trof hen allen,
Als hem, in t renperk nergevallen!
Och, dat ze ook warden in den toom!
REI.
t Vertrekt, eer deze straffe koom.
ELEKTRA.
Wis straft dit? Hij, in vreemde landen,
Die wordt niet van mijne eige handen.........
REI.
Och, och!
ELEKTRA.
                Hij let er al, hij let
Van ons begraven noch beschreid!
CHRYSOTHEMIS.
Mijn allerliefste ik koom hier haastig aangevlogen,
Vergeet al mijn cieraad. Gij ziet mijn vreugd in d oogen.
Ik breng een bljle mars. Uw jammenlijke elend,
Al uw gelen verdriet en droefheid neemt een end.
ELEKTRA.
Van waar hebt gij wat troost voor mijnen druk vernomen?
Ik zie geen mensch te moet, die mij te hulp zou komen.
CHRYSOTHEMIS.
Zoo waar als gij mij ziet, Oreetes bror is hier.
ELEKTRA.
Beschimpt ge uw lot, en mij? o, dwaas en arrem dier!
CHRYSOTHEMIS.
Ik zweer bij vaders hof, ik zeg het niet vermeten
Uit schimp, hij is hierbij. Wij zeggen t geen we weten.
ELEKTRA.
Rampzalige! wat mensch heeft u t verstand beroofd,
Dat gij zoo lichtelijk zijn dwazen kout gelooft?
CHRYSOTHEMIS.
Ik heb hett van mij zelve, en niet van hooren spreken;
k Geloofde, toen ik zag geen een onfeilbaar teeken.
ELEKTRA.
Waarme bewijst ge dan hetgeen ge zaagt? Wat voedt
Uw hoop met deze koortse en ongeneesbren gloed?
CHRYSOTHEMIS.
Ik bidde u, bij de Gon! wil eerst mijn rede hooren,
En noem mij dan vrij wijs, of zet me bij de doren.
ELEKTRA.
Zeg op, nadien ge hier zoozeer op zijt belust.
CHRYSOTHEMIS.
k Zal zeggen al hetgeen waarvan ik ben bewust:
Toen wij na t ouds graf van onzen vader spoeiden,
Vernam men eindelijk, hoe mellekbronnen vloeiden
Nog versch en eerst geplengd van zijnen graftop af,
En allerhande slag van bloemen, over t graf
En vaders kist bekranst. Ik sta gelijk een stomme,
Om zijn gezicht, en zie verbaasd een poos rondomme,
Maar zie hier niet een mensch ontrent, die mij verrass
En ziende, dat het hier heel stil en veilig was,
Genaakte ik t graf heel dicht, daar lijkhout, rijs, en stokken
Op een gestapeld zijn, en k zag gekrulde lokken,
Nog versch van t hoofd gesnen, hier hangen; maar zoo ras
Ik dit bevond, mijn hart nog veel ontstelder was;
Omdat mijn brein Orest, de liefst van al die leven,
Voorhanden, mij dit haar wo tot een teeken geven.
Ik vat het aan, en gaf wel geen bedroefd geluid,
Nochtans zoo borsten mij van vreugd de tranen uit;
En toen geloofde ik vast, en nu geloof ik snede,
Dat niemand dit cieraad gebrocht heeft hier ter stede
Als hij; want wie zou t doen, behalven ik en gij?
Gij deedt het niet, en k weet dit komt ook niet van mij;
Want hoe zendt gij t bestaan, die, zonder rouw en vloeken,
Niet uit dit hof kunt gaan, de Gon en t graf bezoeken?
Noch dit raakt moeder niet; en deed zij t, deze daad
Kon niet verborgen zijn. Het is Oreets cieraad,
Mijn zuster! nu schep moed. Fortuin, te wispelturig,
Blijft in een zelve huis niet stadig noch gedurig.
Zij, die voorhanden is, ons veel geluks beleeft.
ELEKTRA.
k Heb overlang beklaagd uw arremzinnig hoofd.
CHRYSOTHEMIS.
Wat zegt ge? Komt uw hart, dit hoorende, niet beven?
ELEKTRA.
Gij weet niet, wat ge zegt, noch wat ge zult gelooven.
CHRYSOTHEMIS.
Hoe, weet ik niet hetgeen ik met mijn oogen zie?
ELEKTRA.
Verdwaalde! hij is dood, en alle teekens, die
Gij van zijn welvaart zaagt, zijn ijdel. t Is verloren,
Dat gij nog hoopt.
CHRYSOTHEMIS.
                           Wee mij, hoe kwam u dit ter ooren?
ELEKTRA.
Ik heb het uit den mond van die hem sterven zag.
CHRYSOTHEMIS.
Waar is die vreemde man? Ik sta verwonderd, ach!
ELEKTRA.
In t hof, en wellekom bij moeder, nu genezen.
CHRYSOTHEMIS.
Wee mij, elendig mensch! Wiens offer zou t dan wezen?
Wie goot dit over t lijk, eer ik het graf bezocht?
ELEKTRA.
k Acht, dat dit teekens zijn, die iemand heeft gebrocht
Tot een gedachtenis van dezen droeven doods.
CHRYSOTHEMIS.
Wee mij, elendig mensche! Ik dacht een blijde bode
Te strekken in der ijl, niet denkende dit pas,
Dat zulk een ongeluk ons overkomen was;
Maar komende, verneem ik nu, dat, tot ons plagen
En ongevallen nog een ander is geslagen.
ELEKTRA.
Zoo is t er me gesteld, en volgt ge mijnen raad,
k Wed, ik me redden zal uit dien bedrukten staat.
CHRYSOTHEMIS.
Hoe dat? Kan ik het lijk doen leven, als te voren?
ELEKTRA.
Ik zeg dit niet; ik heb mijn zinnen niet verloren.
CHRYSOTHEMIS.
Wat wilt ge, dat ik doe in dit ons ongeval?
ELEKTRA.
Hetgeen ge kunt, en tgeen ik me vermanen zal.
CHRYSOTHEMIS.
Indien t ons redden kan, ik zal er niet voor schromen.
ELEKTRA.
Men kan tot dit geluk niet zonder arbeid komen.
CHRYSOTHEMIS.
Ik zie het wel, en zal verduren wat ik kan.
ELEKTRA.
Zoo hoor nu, wat ik ra, en volg mijn raadslag dan:
Gij weet, wij zijn beroofd van vrienden en van magen,
Met een van alle hulpe, ene van de dood ontdragen,
En zijn verdrukt alleen slechte over van t geslacht.
Zoo lang mijn broeder leefde, en bloeide, en werd geacht,
Verhoopte ik, dat hij eens zijn vaders moord zou wreken,
Nu hij verscheiden ie, moet ik me moed inspreken,
Opdat ge niet versloft met mij, uw eigen bloed,
Dien vadermoordenaar te dooden, want ik moet
Nu spreken, en kan me niet helen mijn gedachten.
Wat sloft gij? Of hoe lang wilt gij op uitkomst wachten?
Gij, die niet anders doet dan schreyen, altijd nat
Van tranen, om ons erf en dien beroofden schat;
Wat doet ge meer, dan dat gij ongehuwd uw jaren
Vast doorbrengt met verdriet, tot uwe grijze haren?
Gij hoeft uw leven niet te hopen op t genot
Van erf of huwelijk. Egisth is niet zoo rot,
Dat hij gedoogen zal, dat uwe of ook mijne ere en
Vermeerderen, om hem in t einde te bederven;
Dies zoo ge mijnen raad te volgen zijt bereid,
Zoo zal voor t allermeest d eer van godvruchtigheid,
Aan vaders lijk, met een aan broeders graf bewezen,
U niet ontstaan daarna, gelijk ge wordt geprezen,
Als een, die geen slavin, maar vrijgeboren zijt,
Zoo zult ge dezen naam ook dragen onbenijd,
En huwen naar uw staat; want elk bemint de braven.
Begrijpt ge niet, hoe hoog ons beider faam zal draven,
Zoo gij mijn voorslag volgt? Wat vreemde of burger, die
Ons krijgt in t oog, zal u en mij niet loven? Zie,
Ay zie, mijn vriend! dat zijn die zusters, die te gader
Herstelden in zijn staat het hof van haren vader;
Die op haar leven niet eens passende, en vol moeds,
Haar vijanden in weelde opkwamen onverhoede.
Een iegelijk behoort eerbiedig haar t ontvangen;
Een iegelijk behoort, op feesten, met gezangen
Te loven haren naam en onversaagden aard,
In steden, daar het volk van overal vergart .
Dien lof en roem zal elk ons be te zamen geven,
Nog lang na onze dood, en midlerwijl wij leven:
Zoniet in eeuwigheid onze eer niet kan vergaan;
Dies, zuster! laat me toch van uwe zuster ran:
Verweer uw vaders eer; verweer uw broeder mede;
Vernlos me zelve en mij van rampen! Dats mijn bede;
En overleg, en denk, hoe schandelijk het staat,
Dat vrij geboren bloed in slavernij vergaat.
REI.
In zulke zaken is voorzichtigheid van noode
Die t zet, en die dit hoort.
CHRYSOTHEMIS.
                                          O vrouwen! deed ze, zoo de
Voorzichtigheid vereischt, zij deed gelijk t betaamt,
En had, eer zij noch sprak, dier woorden zich geschaamd;
Want waarom staart ge op mij, zoo stout en zoo vermeten,
En port me tot dit stuk? Of hebt ge zelf vergeten,
Dat gij een dochter zeit, geen man tot zulk een werk?
Uw handen zijn te ter, de vijanden te sterk.
Fortuin begunstigt hen, en schuwt ons, en gaat henen.
Wie zulk een man bespringt, dien springt het voor de scheenen
Wat kans, wat hoop is hier? Zie voor u, wat gemaakt,
Dat gij misdoende niet in grootse jammer raakt,
Zoo iemand dit verneemt. Wat heil kunt gij verwerven,
Dat gij naar eens streeft, en eerloos komt te sterven?
Ja, zelfde dood is niet zoo hatelijk noch snood,
Dan dat men sterven meet een altijd vlinde dood.
Dies bid ik me, eer wij elendig ommekomen,
En ons geslacht verga, wil toch uw gramschap toomen;
En tgeen ge hebt gezed, zal ik in stilligheid
Verzwijgen, als een zaak van niemand ooit gezed.
t Is tijd en meer dan tijd, om weder te bedaren;
Nadien ge niets vermoogt, zou wacht me uit te varen,
En hou gevollegzaam den machtigen te vriend.
REI.
Gehoorzaam. Wijsheid en voorzichtigheid, die dient
Den mensch op t allerhoogst.
ELEKTRA.
                                              Gij spreekt, gelijk we dachten.
Ik wist het wel, dat gij mijn bede zoudt verachten,
En zal dan t stuk alleen volvoeren en bestaan;
Want deze daad mag hun niet ongestraft vergaan.
CHRYSOTHEMIS.
Och, hadt ge t hart gehad, toen vader kwam te sneven,
Gij hadt al wat ge woudt met ijver doorgedreven.
ELEKTRA.
Aan hart ontbrak t me niet, t ontbrak mij aan vernuft.
CHRYSOTHEMIS.
Volhard dan, zoo ge wilt, als een die nimmer suft.
ELEKTRA.
Gij leert me dit, en houdt geen hand aan deze zaken.
CHRYSOTHEMIS.
Wie t kwaad neemt bij der hand, kan daar niet goeds afmaken.
ELEKTRA.
k Bemin wel uw verstand, maar haat uw sufferij.
CHRYSOTHEMIS.
k Verdraag dit, ook wanneer gij loflijk spreekt van mij.
ELEKTRA.
Gij zult me nimmermeer uw lafheid hoeren prijzen.
CHRYSOTHEMIS.
De tijd die volgt is lang, en zal het vonnis wijzen.
ELEKTRA.
Ga henen, want gij hebt geen hellepende hand.
CHRYSOTHEMIS.
Zij is behullepzaam, maar gij hebt geen verstand.
ELEKTRA.
Als gij bij moeder komt, verklik dan al mijn treken.
CHRYSOTHEMIS.
Ik ben met zulk een haat nog niet op me ontsteken.
ELEKTRA.
Ai zie eens, wat ge mij niet doet tot smaad en spijt?
CHRYSOTHEMIS.
k Versma me niet, maar wensch, dat gij voorzichtig zijt.
ELEKTRA.
Is t recht, dat ik me volge, en doe naar uw begeeren?
CHRYSOTHEMIS.
Wanneer ge wijslijk raadt, dan zult ge mij regeeren.
ELEKTRA.
Hoe hard is t, dat de geen die wel spreekt zich vertast?
CHRYSOTHEMIS.
Gij geeft het kwaad zijn naam, en zijt er zelf aan vast.
ELEKTRA.
Hoe zoo? Schijn ik niet met onrecht te verklaren?
CHRYSOTHEMIS.
Wat wel gesproken wordt, kan scha noch hinder baren.
ELEKTRA.
Ik wil die wetten niet beleven met geduld.
CHRYSOTHEMIS.
Zoo gij dit doet, ik weet dat gij mij prijzen zult.
ELEKTRA.
Ik wil het doen; geen schrik zal nu mijn opzet weren.
CHRYSOTHEMIS.
Is t waar? Zult gij van raad verandren noch verkeeren?
ELEKTRA.
Ik weet niet snooders, dan een valsche en kwade raad.
CHRYSOTHEMIS.
Mij dunkt, dat gij hetgeen ik zegge niet verstaat.
ELEKTRA.
Dit is niet nieuw, ik heb dit lang al voorgenomen.
CHRYSOTHEMIS.
Ik ga dan heen mijnsweegs, nadien ge schijnt te schromen
Te leven mijnen raad, en ik uw kwade zen.
ELEKTRA.
Ga in. k Ben niet gezind te volgen uwe tren,
Hoezeer gij hier na haakt met hartelijk verlangen;
Een dwaze jaagt het wild, dat nergens is te vangen.
CHRYSOTHEMIS.
Gij zult mijn overleg (zoo u geen brein ontbreekt)
Nog loven, maar te spa, als gij in droefheid steekt.
REI.
     Hoe komt het toch, dat wij, aanschouwende
De schrandre vogels in de lucht,
Met zulk een grooten trek en zucht,
Haar kleen gebroedsel onderhouwende,
Niet met onze afkomst zijn belan?
Maar, hij Jupijn en zijne schichten!
Bij t Hemelsch recht! zij zullen zwichten,
En jammerlijk eerlang vergaan.
O, Faam der wereld! stil d Atniden
En hun gekerm, gehoord dat pas,
Het kermen, dat een voorb was
Van een veel schandelijker lijden.
     Dewijl de zaken nu daar binnen
Zoo kwalijk staan, het hof beroerd,
De kinders tegens een gevoerd,
Elkandren helpen noch beminnen;
De droeve Elektra, dus alleen
En gansch verlaten, hene en weder
Gedreven, jammert op en neder,
En treurt om s vaders zwarighen,
Gelijk een nachtegaal; om t even
t Zij dat ze leve, of t licht ontbeer,
Als zij twee meerdere velt ter ner.
Hoe kan een edel hart zoo leven!
     Geen eedle spruit laat zich verdrukken,
Noch wil, bij iedereen veracht,
Haar faam en koninklijk geslacht
Beschamen door oneerbre stukken.
O kind, o dochter, vol verdriet!
Hoe treft u d algemeene elende,
Opdat ge t schelmstuk wreekt in t ende,
En dubblen lof hierdoor geniet,
En werdt genoemd, ne d ongevallen,
Het wijste en beste kind van allen!
     Ik wensch, dat wij u mogen loven,
Wanneer ge, rijk door uwe daad,
Zoo laag gij onder hunlin staat,
Zoo veer uw vijand raakt te boven;
Nadien ik merk, hoe dwers het lot
U tegenvalt; hoewel uw zake
Gerechtig blijkt, en roept om wrake,
Nadat ge lange zijt bespot.
Men hoope elke deugden op elkanderen,
Gij overtreft in dit alle anderen.
ORESTES.
O vrouwen! wijst men ons en gaan we, zoo t behoort?
REI.
Wat zoekt ge? Werwaart strekt uw komste in dezen oord!
ORESTES.
Ik heb Egisthus hof een wijl gezocht met dezen.
REI.
Gij zijt ook niet verdeeld. Men heeft me recht gewezen.
ORESTES.
Wie boodschapt onze komst hier binnen, daar ze alre
Verlangen, uur op uur, en wachten naar ons twee?
REI.
Dees joffer, die het past dees tijding eerst te bringen.
ORESTES.
Ga, vrouw! in t hof, en zeg: Focenser vreemdelingen
Verzoeken met Egisth te spreken, mag t geschin.
ELEKTRA.
Wee mij, elendig dier! k Geloof, dat deze lin
Ons brengen wis bescheid van tgeen ons kwam ter ooren.
ORESTES.
Ik weet niet, wat ge hier voor tijdingen moogt bonnen.
Ik koom van Strofimes, den grijze, in dit gewest;
Hij vaardigde mij af met tijding van Orest.
ELEKTRA.
Wat s dat? vreemdeling! Ik schrik om deze reden.
ORESTES.
Wij brengen t overschot van dezen overleden,
In deze kleene bus, gelijk gij zelve ziet.
ELEKTRA.
Wee mij, elendig mensch! Nu zie ik met verdriet
Mijn tegenwoordig leed; nu zie ik t met mijne oogen.
ORESTES.
Indien Orestes val me raakt uit mededoogen,
Zee weet, dat deze bus zijn overschot bevat.
ELEKTRA.
Ik bid me, bij de Gon! o vreemdling, geef me dat,
Opdat ik handel tgeen, waarin hij let besloten;
Opdat dees asch van mij met tranen overgoten
Mag werden, en ik mij en al mijn bloed beween.
ORESTES.

Nu haal het voor den dag, en geef haar dit, als een
Die hem noch vijandschap, noch haat schijnt toe te dragen,
Maar zijn vriendin moet zijn af een der naaste magen.

ELEKTRA.
Gedachtenis van dien ik hel
Voor d allerliefste van de menschen!
Kleen overschot van broeders ziel!
Gij komt niet thuis gelijk we wenschen;
Gelijk ik hoopte, toen ik me
Als balling zond in vreemde landen.
Orestesbror! ik draag me nu,
Die stof, ja, niets zijt, op mijn handen.
Gij waart een aardig kind weleer,
Toen ik, tot berging van uw leven,
U elders zond, zou wijd en veer.
Och! had ik eerst den geest gegeven,
Eer ik u met dees handen stal,
En, midden uit die moord elenden,
Al bevend stierde, om t ongeval
T ontvlin, hij vreemde en onbekenden;
Zoo hadt ge, toenmaals omgebracht,
Met vader op een dag, genoten
Het graf van t vaderlijk geslacht;
Maar nu, s rijks balling en verstooten,
Moet gij, op dien uitheemschen grond,
Dien schrikkelijken smak gevoelen;
Daar gij uw zuster niet en vondt,
Noch zij t gesleurde lijk kon spoelen;
Noch met haar waarde handen t bloed
Afwasschende met offer eeren;
Noch door het lijkhout, en zijn gloed,
Zou t voegt, de grove stof verteren;
Maar vreemden hebben dit verricht.
Rampzalige! komt gij dus weder?
Helaas! Hoe weegt ge nu zoo licht!
Hoe heb ik me, nog kleen en teder,
Zoo vruchtloos opgevoed met smart?
Hoewel ik t dede met verlangen,
Dies over zuster meer uw hart,
Als over moeder heeft gehangen.
t Waar dwaas, dat een van t hofgezin
Van uwe opvoeding zich beroemde;
Gij waart alleen bij mij te min,
Die gij altijd uw zuster noemde.
Dit alles houdt, al t effens, nu
In eenen dag op met uw leven;
Alle andre dingen zijn met me,
Gelijk een bui, voorbij gedreven.
Uw vader is ook voort, ons hoofd,
En heden is mijn tijd verstreken.
De dood heeft mij van me beroofd;
Maar onze vijanden die steken
Het hoofd al lachende in de lucht,
En onze liefdelooze moeder
Is dol van vreugd om dit gerucht;
Zij, om wiens wil, s waarde broeder!
Gij mij zoo dikwijl troostte in nood,
En heimlijk liet een hart inspreken,
Dat gij, ten leste eens, vaders dood
Rechtvaardiglijk zendt komen wreken;
Maar nu heeft uw rampzalig lot,
En t mijn, dit alles weggenomen;
Nu wij, in plaatse van t genot
Uws lieven aanschijns, asch bekomen
En ijdle schaduwe en bedrog.
O wee! wach! Ik ben verloren.
O deerlijk lichaam! Och, och, och!
Orestesbror, mijn uitverkoren!
Hoe heb, hoe heb ik me verrukt
Naar zulke doodelijke wegen!
Hoe hebt ge mij verongelukt,
Mijn bror! mijn hoofd, tot mij genegen!
Hoe sleept ge mij met me ten val!
Ontvang mij om bij me te schuilen,
Die zijt, als ik, gansch niet toet al;
Opdat ik, na dit stadig huilen,
Bij u mag wonen, daar benen;
Want alzoo lang ik was hier boven,
Had ik het al met me gemeen,
Maar t licht voor mij nu toegeschoven,
Die merk, dat voor begrave don
Noch druk noch droefheid is geschapen;
Zoo wensch ik, bij me met der woon,
In t zelve graf altijd te slapen.
REI.
Bedenk, Elektra! dat uw vader en uw heer
En broeder sterflijk was; dies zucht niet al te zeer.
Wij moeten altemaal in t graf en d aarde duiken.
ORESTES.
Och, och! Wat zeg ik best? Wat ren zal ik gebruiken?
Ik kan mijn tong niet meer bedwingen. Och, och, och!
ELEKTRA.
Wat wilt ge zeggen? Spreek! wat droefheid let u toch?
ORESTES.
Elektra! zijt ge dit, gij wijdvermaarde vrouw?
ELEKTRA.
Ik ben die zelve nog, maar steek in grooten rouwe.
ORESTES.
Helaas! Wat zie ik hier mijn hartewee aan u?
ELEKTRA.
Gij vreemdeling! zeg op, waarom verzucht ge nu?
ORESTES.
Hoe is uw lichaam dus veranderd en vervallen?
ELEKTRA.
Beklaagt ge mij alleen? Of raakt uw klacht ons allen?
ORESTES.
Hoe trekt men ongehuwd me op tot mijn verdriet!
ELEKTRA.
Gij vreemdeling, waarom verzucht ge, als gij me ziet?
ORESTES.
Omdat ik niet eens wist, wat rampen me omringen.
ELEKTRA.
Hoe weet ge tgeen ge zegt? Hoe weet ge deze dingen?
ORESTES.
Omdat ik zie, hoe gij om veel elenden treurt.
ELEKTRA.
Nog ziet ge t allerminst van t leed, dat mij gebeurt.
ORESTES.
Wat snoder ongeval kan iemand wedervaren?
ELEKTRA.
Omdat ik leven moet bij felle moordenaren.
ORESTES.
Met wien? Wie zijn ze toch? wat zijn t voor looze lin?
ELEKTRA.
Bij vadermoordenaars, dien ik gedwongen dien.
ORESTES.
Wat mensch bedwingt me dus tot dezen nood en smarte?
ELEKTRA.
Ik heet haar moeder, maar zij heeft geen moeders harte.
ORESTES.
Wat? Dwingt ze u met haar hand? Misgunt ze me dat gij eet?
ELEKTRA.
Met slagen, met verdriet, en allerhande leed.
ORESTES.
Wel, is er iemand, die me voorstaat op uw bede?
ELEKTRA.
Niet een, en die er was, diens assche brengt ge mede.
ORESTES.
Rampzalige! k zie u met medelijden aan.
ELEKTRA.
Geen mensch, behalve gij, was ooit met mij belan.
ORESTES.
Om u, en om uw leed, ik mij zou verr verpijnde.
ELEKTRA.
Gij komt niet hier, als een van ons namaagschap zijnde?
ORESTES.
k Zou t zeggen, wist ik dat me dees ten dienste staan.
ELEKTRA.
Zoo doen ze. Spreek recht uit; niet n zal me verran.
ORESTES.
Zoo zet de doodbus ner; ik zal t me al belijen.
ELEKTRA.
Neen, hij de Goden! neen, last mij hier me betijen.
ORESTES.
Gehoorzaam; t zal me niet berouwen, zoo gij t doet.
ELEKTRA.
Ik bidde, ontneem me niet dit sllerwaardste goed.
ORESTES.
Leg af, ik lij het niet.
ELEKTRA.
                                Wee mij, om deze gave!
Orest! misgunt men mij, dat ik uwe asch begrave?
ORESTES.
Spreek anders, want gij zucht en jammert zonder ren.
ELEKTRA.
Is t onrecht, dat ik nog mijn dooien bror beween?
ORESTES.
Gij spreekt van hem niet recht, maar ongerijmd en snode.
ELEKTRA.
Was ik dan zoo onwaard voordezen bij dien dooie?
ORESTES.

Geenszins onwaard, maar dat gaat me in t minst niet aan.

ELEKTRA.
Dat ik Orestes draag, en t lichaam dus vergaan?
ORESTES.
Dit is Orestes niet, maar t wordt zoo voorgegeven.
ELEKTRA.
Waar is dan t graf van dien elendige gebleven?
ORESTES.
t Is nergens; want die leeft hoeft geen begrafenis.
ELEKTRA.
Wat zegt ge, jongeling?
ORESTES.
                                    Ik zeg, gelijk het is.
ELEKTRA.
Hoe? Leeft die man dan nog?
ORESTES.
                                             Indien ge mij ziet leven.
ELEKTRA.
Zijt gij t?
ORESTES.
               Bezie dien ring van vader overbleven,
En leer, of t waarheid is of valsch.
ELEKTRA.
                                                     O blijdste dag!
ORESTES.
Mijn allerliefste! ik ben t, zoo k waarheid spreken mag.
ELEKTRA.
O stem! Heb ik u hier?
ORESTES.
                                    Nu, luister naar geen maren.
ELEKTRA.
Heb ik u bij de hand?
ORESTES.
                                    Ik wensch, dat gij veel jaren
Mij hebben moogt als nu.
ELEKTRA.
                                       O, gij bemind geslacht!
Poortressen, dit s Orest, zoo langen tijd verwacht,
Die dood geheeten werd, en levende is verschenen.
REI.
Ik zie t, mijn kind! en moet met me van blijdschap weenen.
ELEKTRA.
O kind! o spruit, mij ooit zoo waard,
Als ooit een moeder heeft gebaard,
Nu zijt ge wergekomen;
Nu vondt ge, dien ge zendt;
Nu keert ge, en hebt vernomen,
En ziet haar, dien ge woudt.
ORESTES.
Wij zijn bij een, maar wacht al stille.
ELEKTRA.
Wat is er?
ORESTES.
               Zwijg, om betere wille,
Zoo zal uw stem ons niet verran.
ELEKTRA.
Maar, bij die eerbare Diaan!
Ik zal niet suffen noch verflouwen
Voor zulk een menigte van vrouwen,
Die binnen strekken moeders stoet.
ORESTES.
Zie toe; in vrouwen is ook moed,
Gelijk d ervarenheid me leerde zoo warachtig.
ELEKTRA.
Helaas! Gij maakt me nog t bekende stuk indachtig,
Dat altijd brokt en wrokt, en geen verzoening lijdt.
ORESTES.
Ik weet het wel, maar als de tijd
Voorhanden is, denk dan om t wreken.
ELEKTRA.
t Is altijd tijd van dit te spreken.
t Komt altijd wel te pas met mij.
Nu staat me naauwlijks t spreken vrij.
ORESTES.
Dat zeg ik ook, dies wil dit sparen.
ELEKTRA.
Wat zal ik doen dan rechtevoort?
ORESTES.
t Is nu geen tijd van uit te varen
Met vele woorden, dat men t hoort.
ELEKTRA.
Van wien wordt dit niet wel genomen,
Dat ik, dewijl ge zijt gekomen,
In ste van spreken, stille zwijg,
Nu ik u buiten hope krijg?
ORESTES.

Ik kwam, toen mij de Goden dreven,
Dat ik me zou naar huis begeven.

ELEKTRA.

Och, och! waar laat ik mijn geneucht?
Dit strekt me nog tot grooter vreugd,
Dat u de Goden herwaart brachten,
k Zal dit voor een orakel achten.

ORESTES.
Betoom uw vreugd zoo onverhoopt,
En t hart dat hiervan overloopt,
Ik vrees uw vreugd zal ons bezwaren.
ELEKTRA.
Och, broeder na zoo vele jaren,
Verschijnt ge op dees gewenschte ste,
Dat gij me ziet vol hartewee,
Bedrukt, en smilten in mijn tranen.
ORESTES.
Wat wilt ge mij hierme vermanen?
ELEKTRA.
Gij zult me niet berooven van
Dees vreugd, die t hart niet vatten kan,
Nu mij uw aanschijn mag gebeuren.
ORESTES.
k Zou mij hierom op andren steuren.
ELEKTRA.
Zijt gij te vrede?
ORESTES.

                         Zou ik niet?

ELEKTRA.
Vriendinnen k heb in mijn verdriet
Een onverwachte stem vernomen.
Ik was alreede stom van schromen,
En nu een wijl zoo verr gebrocht,
Dat ik t geschrei niet dragen mocht;
Nu houde ik u, o mijn behoeder!
Nu hebt ge mij, o liefste broeder!
Getoond uw troostrijk aangezicht,
Uw aanschijn, mij zoo lief als t licht,
t Welk ik, in zwaren druk gezeten,
Nog door geen hartzeer zou vergeten.
ORESTES.

Laat varen al hetgeen u voordeel geeft noch mij;
Of gij het weet of niet, wat moeders schelmerij
Belangt, ik weet het wel, hoe zij zich heeft gedragen,
En hoe Egisth zoo dol ons erfgoed door kan jagen,
Dat wegsmijt, of te kost aan ijdle dingen let.
Terwijl ge dit vertelt, verloopt gelegenheid
En tijd, dies, zeg me tgeen men noodig moet bezorgen,
Waar wij, opdonderende of heimelijk verborgen,
De blijde vijanden best dempen op het pad,
Waar langs men hen verwacht. Vooral, draag zorge, dat
Ons moeder niet eens merke uit blij gelaat noch reden,
Wanneer we te gelijk en beide binnen treden;
Maar huil om t loos gerucht, dat u ter neder rukt.
Het wordt eerst lachens tijd, als d aanslag ons gelukt.

ELEKTRA.
Mijn broeder! t zal geschin, gelijk ge hebt besloten;
Want ik heb deze vreugd van u alleen genoten,
En niet mij zelf gemaakt, en wo geensins om veel
Iet doen, tgeen strekken mocht tot broeders achterdeel,
Noch tegenwoordig heil in t allerminste iet achten.
Gij weet wel en verstaat, wat onslin staat te wachten,
En hebt gehoord, hoe nu Egisth naar buiten is,
En moeder binnen t hof, en ho dit voor gewis,
Dat zij uit mijne vreugd het minste niet zal weten;
Want t hart van binnen is van ouds op haar gebeten.
Wanneer ik u aanschouw, dan zullen stadig aan
Bedrukte tranen mij van vreugd in d oogen staan,
Want hoe waar t mogelijk, dat wij niet schreyen zouden,
Die op een zelven weg u dood zien en behouden;
Hetwelk zoo zeldzaam is, dat, of men schoon vernam,
Hoe vader levendig wer uit den grave kwam,
k Zou niet gelooven dit een spokerij te wezen,
Maar dat hij in der daad warachtig waar verrezen.
Dewijl ge dezen weg dan ingeslagen zijt,
Zoo doe al tgeen ge wilt, want ik had nu ter tijd
Alleen en onverzeld twee stukken voorgenomen:
Mij braaf te redden, of met glorie om te komen.
ORESTES.

Zwijg stil, zwijg stil! Ik hoor een uit den huize gaan.

ELEKTRA.

Komt binnen, gasten! komt, nadien ge hebt gelan,
Hetgeen men no nochtans een plaats vergunt hier binnen.

LEERMEESTER.

Gij dwazen! zijt ge be beroofd van brein en zinnen,
Noch draagt ge zorg voor t lijf, mits u t verstand ontbreekt,
Dat gij niet rieken kunt, in wat gevaar men steekt?
Wat rampen om ons staan? Indien ik deze deuren
Niet gaauw bewaakte, uw raad en raadslag waar te veuren
Ontdekt, eer gij uw voet daar binnen had gezet;
Nu is dit ongeval door mijne zorg belet.
Ga in, zwijg stil, t is tijd, uw vreugd den mond te snoeren;
Dit stuk lijdt geen vertrek, de lot legt in t volvoeren.

ORESTES.

Wel, zeg me dan, hoe is in t hof, en daar ontrent?

LEERMEESTER.

Het is er zoo gesteld, dat niet n mensch u kent.

ORESTES.

Brocht gij hun tijding, hoe ik raakte om lijf en leven?

LEERMEESTER.

Men rekent u voor dood, gij wordt al dood geschreven.

ORESTES.

Gedijt hun dat tot vreugd? Wat zeggen ze toch al?

LEERMEESTER.

Dit dient eerst uitgevoerd, eer ik t u zeggen zal;
Zoo t nog staat, is er niets dien grooten aanslag tegen.
Het staat er wel, ook daar t niet wel mede is gelegen.

ELEKTRA.

Wie is dit? Bij Jupijn, ai, zeg me, zoo t u lust.

ORESTES.

Wel kent ge dezen niet?

ELEKTRA.

                                     Niet dat mij is bewust.

ORESTES.

Wel, weet ge niet, wiens trouw ik eertijds werd bevolen?

ELEKTRA.

Wat zegt ge daar? Wat man?

ORESTES.

                                             Die mij weleer gestolen
Naar Focis heeft gevoerd, door zusters kloek beleid.

ELEKTRA.

Dien ik getrouw bevond en tot mijn dienst bereid,
Toen t op een weiflen ging, wanneer ze vader moordden?

ORESTES.

Dat is die man. Verr mij niet met vele woorden.

ELEKTRA.

O lang gewenschte dag
O eenige behoeder
Van vaders huis, ach, ach!
Hoe, zijt ge met mijn broeder
Gekomen hier ter ste?
Zijt gij t, die hem bewaarde
En mij, in t hartewee
En leed, dat ons bezwaarde?
O allerliefste hand!
O allerwaardste voeten!
Hoe waart ge in dezen stand,
Wanneer ge mij kwaamt groeten,
Zoo vreemd, zoo onbekend?
Waarom mocht ik niet weten,
Wat lot me herwaart zendt?
Gij deedt me doodzweet zweeten,
Door deze droeve maar;
Nochtans kwaamt gij mij nader,
Tot redding van t gevaar.
Ik groet u, als mijn vader,
Ik zie mijn vaders geest.
Gij waart, nu ik t verzinne,
Die, wien ik heden meest
Vervloekte, en nu beminne.

LEERMEESTER.
Hou op, ik ben vernoegd, Elektra! zwijg, en staak
Dees ren; daar is nog tijds genoeg, om van die zaak
Te spreken. Gij lin, die te zamen zijt gespannen,
t Is tijd, om t werk te spon, terwijl nu geene mannen
Daar binnen in het hof bij Klytemnestre staan.
Indien ge dit vertraagt, zou zult ge moeten slaan
En vechten tegens haar, en die wat meer vermogen.
ORESTES.

Mijn Pylades! dit stuk dient langer niet vertogen.
Ga binnen, en aannbidt de Goi, die vaders zaal
Bewonen, zoo als zij bewonen dit portaal.

ELEKTRA.
O vorst Apollo! wees genadig
Dien jongeling, en hun en mij,
Die naar gelegenheid gestadig
Met sidderende handen dij
Vereerde. Apollo, schrik der dieren!
Ik eisch, zoo hartelijk ik mag:
Val nee, en kom uw Godheid vieren!
En bid: begunstig dezen slag
En raadslag! Toon, bos gij van boven
Nog straft de schelmerij der hoven.
REI.

Ai zie, hoe Mars naar binnen schiet,
Terwijl zijn bloed van tweedracht ziedt.
Alre zijn d onontvluchtbre blaffers
Der booze schellemstukken straffers
Naar binnen toe, zoo dat mijn schroom
Niet meer zal hangen aan dien droom.
Des snoden wreker gaat daar henen,
Op zijn bedrieglijke beenen,
En met zijn punt, nog versch besmet,
Naar Vaders rijken troon en bed;
Maar Majas zoon, de schalke bode,
Verbergt de wraak van dezen doode,
Tot dat de boosheid stort ter ner.
Hier geldt, hier geldt geen samlen meer.

ELEKTRA.
O waarde vrouwen! toeft. Laat niemand zich verroeren;
De mannen zullen straks dien aanslag uit gaan voeren.
REI.
Hoe zoo? Wat doen ze nu?
ELEKTRA.
                                          Dees ciert voor t graf een pot,
En deze staan erbij.
REI.

                               Gij waakt voer deur en slot.

ELEKTRA.
Opdat Egisthus ons niet onverhoeds koom vinden.
KLYTEMNESTRA.
Och, och! de huizen zijn gansch leg van trouwe vrinden,
En vol van vijanden.
ELEKTRA.
                               Vriendinnen! hoort ge niet?
Dat s een, die binnen roept.
REI.

                                            Mij dunkt, ik hoor daar iet,
Dat onverdraaglijk is te hooren!
Ik schrik. Wat komt ons hier ter ooren?

KLYTEMNESTRA.
O mij, elendig mensch! Egisth, waar zijt ge nu?
ELEKTRA.
Daar roept ze wer.
KLYTEMNESTRA.
                               O zoon, o zoon! erbarrem u;
Erbarm me over mij! Erbarm me over moeder!
ELEKTRA.
Maar gij erbarmde me niet om vader, noch om broeder,
Die van hem was geteeld.
REI.
                                        O stad! o afkomst, ach!
Hoe schent, en hoe verdelgt u t noodlot dezen dag!
KLYTEMNESTRA.
Wee mijn kwetsuur! o lagen!
ELEKTRA.
Verdubbel deze slagen.
KLYTEMNESTRA.
Wee anderwerf! Wee mij!
ELEKTRA.
Het ga Egisth, als dij!
REI.
t Zal gaan, gelijk ge wenscht. De dooden leven weder;
Want dien de moord nu lang geworpen heeft ter neder,
Die nemen wederwraak, met een versteurd gemoed,
Van hun, die oorzaak zijn van al t vergeten bloed.
ELEKTRA.
Zij zijn nu bij der hand, en hunne handen leken
Van t bloed, door Mars gestort, en naauwlijks kan ik spreken,
Orestes! hoe het is.
ORESTES.
                              t Gaat binnen nog al wel,
Zoo t recht is tgeen ik uit Apollos antwoord spel;
Ze is dood. Zijt onbevreesd; gij zult voortaan geen tijden
Beleven, dat ge leed van moeder hoeft te lijden.
REI.
Houd op. Ik zie Egisth. Hij komt, en is hier hij.
ELEKTRA.
O zoon! ga weg, ga weg. Ziet gij dien man? Dats hij.
Gij hebt hem in uw macht. Hij komt verheugd van buiten.
REI.
Gaat naar de binnendeur, opdat ge moogt besluiten
Hetgeen nog ovrig is.
ORESTES.

                                 Vertrouw ons deze zaak;
Wij zullen, tgeen ge denkt, voltrekken deze wraak.

ELEKTRA.
Zoo haast me.
ORESTES.
                       Ik ga heen.
ELEKTRA.
                                         Ik zal de poort bewaren.
REI.
t Zal goed zijn, dat men hem inluistre deze maren,
Zijn ooren aangenaam, en tgeen betreft zijn staat.
EGISTH.
Wis van me-weet van t volk, daar dit gerucht af gaat,
Waar deze gasten zijn van Focis, deze boden,
Die tijding brengen van Orestes, onzen dooden,
Die rabreuk, zoo men zegt, nu korts in t renperk leed?
Gij korts, hardnekkig dier! geef mij hierop bescheed,
Dewijl dees dingen me, veel meer dan iemand, smarten;
Gij kunt het zeggen, want dit gaat me meest ter harten.
ELEKTRA.
Ik weet het wel. Zou mij dit wezen onbekend?
Zoo ik niet weten, hoe mijn broeder omgerend
In t renpark raakte om hals?
EGISTH.
                                           Waar zijn die vreemdelingen?
ELEKTRA.
Hier binnen, daar ze hen met groots vreugd ontvingen.
EGISTH.
En zeiden ze, dat hij gestorven was alre?
ELEKTRA.
Zij zeiden t niet alleen, maar toonden t lichaam me.
EGISTH.
Wel, is dit bij der hand, dat wij t aanschouwen mogen?
ELEKTRA.
Dit deerlijk schouwspel kunt ge zien met beide uwe oogen.
EGISTH.
Gij boodschapt mij veel vreugd, en zijt dit ongewoon.
ELEKTRA.
Verheug me, zee ge vreugd kunt scheppen uit dien don.
EGISTH.

k Gebiede, dat men zwijge en deze deuren open,
Opdat Argivers en Myceners, die nog hopen
Op zulk een ijdlen troost, aanziende Orestes lijk,
Zich buigen voor mijn staf, en onder t juk van t rijk;
En, merkende dat hier niet tegens staat te vechten,
Zich laten, bang voor straf, van mij voortaan berechten.

ELEKTRA.
Ik schik me naar den tijd, die leert me meer verstaan,
Naar wijzer luistren en hun aan de hand te gaan.
EGISTH.

Jupijn! wat zie ik hier? Dit kan geen nijd ontstijgen;
Maar is dit hatelijk, k heb liever dan te zwijgen.
Neem straks het dekkleed af, dat in den wege let,
Opdat mijn neef van mij voor t lest nog werd beschreid.

ORESTES.
Neem zelf het dekkleed af; dit zal me beter voegen,
Die lust hebt dit te zien, om d uwe te vernoegen
Met deze maar.
EGISTH.
                        Gij spreekt zeer wel; k gevoel als gij.
Is Klytemnestra thuis? men roep haar hier voor mij.
ORESTES.
Zij is heel dicht bij me; zie nergens elders henen.
EGISTH.
Wee mij! wat zie ik hier?
ORESTES.
                                      Wat vreeze doet me stenen?
Of welk een kent ge niet?
EGISTH.
                                      Elendige! ik ben vast,
En midden in hun net. Wie heeft me dus verrast?
ORESTES.
Straks wist ge niet, dat gij al levend spreekt met dooden.
EGISTH.
Och, dat s Orestes stem! Ik spreek met dien gevloden.
ORESTES.

Hee wis gij spellen kost van ouds, nog miste me dat.

EGISTH.
Helaas, wij zijn om hals! Helaas, wij zijn gevat!
Laat ons ten minste nog iet zeggen wat we kunnen.
ELEKTRA.
Neen, broeder! hij de Gon, gij zult hem niet vergunnen,
Dat hij iet wijders spreek, noch tijd met woorden rekk.
Ik kan niet zien, dat dit tot eenig voordeel strekk,
Dat zulk een veege nog zijn hope langer voede;
Maar dood hem in der ijl, en, warrem van den bloede,
Begraaf hem buiten t Rijk, gelijk het billijk is;
Opdat me dit verloss van alle droefenis,
En mijn gelen verdriet!
ORESTES.
                                      Nu haast me, tre naar binnen.
Het geldt uw hals; hier is met woorden niet te winnen.
EGISTH.
Maar waarom rukt ge mij hierin, uit elke gezicht?
Hoe dus? Is t werrek goed, wat maakt me schuw van t licht?
Waarom berooft ge mij niet openbaar van t leven?
ORESTES.
Gebi niet; ga, daar gij mijn vader eerst deedt sneven,
Dat gij daar mede sterft!
EGISTH.
                                     Moet ik dees zalen zien,
En wat aan Pelops ooit gebeurde, en zal geschin?
ORESTES.
Ga voort; ik spel me niets, of t zal zich openbaren.
EGISTH.
Wat roemt ge? Uw vader was in t spellen onervaren.
ORESTES.

Gij smijt veel uit, en doet terwijle niets; ga voort.

EGISTH.
Nu let me.
ORESTES.
                  Ga zelf voor; ga voor, door deze poort.
EGISTH.
Opdat ik me niet zoo ontvlieden noch ontvluchten?
ORESTES.
Opdat ge niet en sterft met blijschap en genuchten,
Zal ik dees bitterheid vermeerdren; want het past,
Dat een gerechte straf geweldenaars verrast,
Die tegens t heilig Recht vermeetlijk zich verzetten,
Omdat de boosheid niet meer menschen zou besmetten.
REI.

O Atreus afkomst! hoe bezwaarlijk zijt ge in t end
Geworteld, en geraakt, doen allerleye elend
En uitgestaan verdriet, tot deze vrijheids zegen,
Een vrijheid, op die wijs gelukkiglijk verkregen!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001