Joost van den Vondel (1587-1679)

ELEKTRA, VAN SOFOKLES.

T R E U R S P E L,

GESPEELD IN DE AMSTERDAMSCHE SCHOUWBURG, IN NOVEMBER, 1639.

AAN DE WIJZE EN VERNUFTIGE

JOFFROUW

MARIA TESSELSCHA ROEMERS,

WEDUWE VAN WIJLEN HEER

ALARD KROMBALK.

WIJZE EN VERNUSíTIGE JOFFROUW,

Gelijk een vrijer, met overleg en oordeel, zijn hart en liefde zet op een jonge vrijster, die, om hare natuurlijke schoonheid, aangebore bevalligheid, en voegelijk cieraad, bekoorlijk is; eveneens kreeg ik eenen trek in deze princes Elektra, of liever Electa, een uitgeleze dochter, uit dien naamhaftigen koning en gezongen veldoverste, Agamemnon, geboren; en herboren uit de harsenen van dien Atheenschen en zegerijken veldheer, Sofokles, die haar, tot verwondering zijner en der navolgende eeuwen, van ouds, op het tooneel te voorschijn brocht:

Meester Joan Victorijn, in wiens mond Elektra bestorven is, prikkelde ons zoo menigmaal hiertoe aan, tot dat wij het ten leste waagden, en deze doorluchtige jonkvrouw, op onze wijze, NeÍrlandsch spreken leerden, met hulpe van dien hooggeleerden jongeling, Izašk Vossius; een wakker vernuft om het Grieksche wild, hoe diep en duister het ook verborgen zij, op te snuffelen. In dit treurspel woelen velerleye hartstochten, gramschap, stoutigheid, vrees, bekommeringe, haat en liefde, trouw en ontrouw, droefheid en blijdschap, elk om het hevigste. Men hoort hier klare vertellingen, gewichtige beraadslagingen, gezonde gezoute leeringen, en goude spreuken. Dit vervat inzonderheid hetgeen den sterflijken menschen ten allerhoogste oorbaar is, namelijk, dat Gods uitgestelde straf eindelijk schelmen en booswichten rechtvaardiglijk achterhaalt; welk leerstuk het zout en een van de zenuwen der godvruchtigheid strekt. Eschylus, Sofokles, en Euripides hebben, alle drie, om strijd van deze stof gehandeld. Nadien wij deze schilderijen zelfs, die de heldere middagzon niet schromen, voor Nederduitschen ten toon stellen, zal ít onnoodig zijn, in ít bijzonder en ten naauwste, tí ontvouwen alle dí onnavolgelijke kunst, die in dat aloude werkstuk, bij opmerkende verstanden, kan waargenomen werden. Alle leden dezer koninklijke maagd zijn gelijkmatig en onberispelijk, gelijk ook de verwen der welsprekendheid kunstig in het Grieks verdreven. Men ziet er niet wanschapens, en alle deelen, van ít minste tot het meeste, hangen hecht te zamen, en vloeyen zonder dwang uit elkanderen. Hoe men met den zinnen hier dieper doordringt, hoe zich meer wonderen openbaren, en tíelkens iet anders, en ít geen men te voren over ít hoofd zag. Walgelijke opgeblazenheid, waarvan Grieken en Latijnen hoe alouder hoe vrijer zijn, heeft hier nergens plaats; ook geene wispelturigheid van stijl, en de tooneeldichter is overal zich zelven gelijk, en geeft te kennen dat er een veldheer in steekt. Toestel en redenen zijn gepast naar de personagiŽn, elk na den eisch levendig uitgebeeld. Hebben we, ítgeen door tijds langdurigheid, en het menigvuldig omsukkelen, van hand tot hand, uitgewischt, gevlakt, of verbasterd zij, eer verdonkerd dan verlicht, men ontschuldige ons, die tegens ons geweten, niet moedwillig, dochten te misdoen. Men bejegent plaatsen, zoo duister als raadsels, waarover dí uitleggers noch met zich zelve, noch met anderen overeenstemmen, en in ít uitleggen hemel en aarde verschillen. Ook is ít onmogelijk de redenen wel te binden, indien men, gehouden zijnde de Grieksche koppelingen stip te volgen, niet met een ruim geweten wat vrijmoedig daarover hene durf varen. Rijm en maat, waaraan de vertolker gebonden staat, verhindert ook menigmaal, dat de vertaalder niet zoo wel en volmaaktelijk naspreekt, ít geen zoo wel en heerlijk voorgesproken wordt; en jet van dí eene taal in dí ander, door eenen engen hals te gieten, gaat zonder plengen niet te werk; een zaak, die gij, wijze en vernuftige juffrouw! machtig zijt te oordeelen, door ondervinding in ít vertalen van uwen Tuscaanschen Tasso, zoo menigmaal gij voor Jeruzalem, met zijnen dapperen Buljon, dien Kristen oorloog voert; waarover wij, met anderen vast verlangende, eens hopen te vieren, zoodra uwe hand het heilig graf, met dí ijverige pen, gelijk Godefroy met den gewijden zwaarde, hebbe bemachtigd. Uwe bezigheid, ondertusschen bij poozen wat uitgespannen zijnde, om de snede van vernuft en zinnen, door het al te stadig blokken op een zelve werk, niet te verstompen, verkwikt en zegent somtijds den Hollandschen Parnas met eenen lieflijken en aangenamen dauw van aardige spitsvondigheden en geestige bloemen, en drukt uwe schrandere gedachten, in verscheide talen, gelukkiglijk uit, en koomt zelve, op welgestelde tonen van lekkere poŽzy, al zoetelijk en zachtelijk aan, gelijk het luisterende hert naar den kittelenden galm van luiten en fluiten; waarom wij onze Elektra voor uwe voeten, als aan eens der hemelsche Zanggodinnen, opofferen, en wenschen te blijven,

wijze en vernuftige Joffrou!
                 Uwe E. allerminste dienaar

                                 J. V. VONDEL.

tí Amsterdam, 1689, den 19en van Mei.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001