Joost van den Vondel (1587-1679)

FAňTON OF REUKELOOZE STOUTHEID.

TREURSPEL.

Aļ. 1663

Aan de Tooneelbegunstigers.

Janus Dousa, Huig de Groot, Peter Schrijver, Peter Bockenberg, Bernard Furmer, Ubbo Emming, en alle edele vernuften, die den oorsprong van de Nederlandse en de kenteekens der geslete oudheid opspoorden, getuigen, hoe de heilige Willebrord in deze landen, niet de fakkel van Zijne leeringe, aan de zon der waarheid ontsteken, den nacht der Heidensche afgoderye verdreef, en den verduisterden harten met het hemelsche licht toelichtte, verlichtte en kristende. Niemand zal hierom denken, dat ik, met FaŽton ten treurtooneele te voeren, het Heidendom weder wil invoeren; neen, geensins; maar alleen, tot verbeteringe der zeden, tooneelwijs ontvouwen deze schoone fabel, bij Ovidiusí heldendichtswijs, overheerlijk en leerrijk, inzonderheid ten spiegel van reukelooze stouten, uitgebreid, De melkachtige tong van den heiligen oudvader Lactantius, de zielen, niet door den Heidenschen melkĄ eg naar Jupijns hof, maar door Kristus Jezus, den weg des heils, naar het beloofde vaderland, daar honig en melk vloeit, en het paleis van God den Vader wijzende, zegt: Ądichters verzierden geene geschiedenissen, maar overbloemden de geschiedenissen niet eene zekere verwe; naardien een dichters.ampt hier in vereischt warachtige geschiedenissen, in eene andere gedaante van ter zijde, met eenig voegelijk cieraad over te voeren.Ē Want dí oude fabelen der Egyptenaren en Grieken begrijpen in zich de kennis der geschiedenissen, nature, en zeden; welke driederhande kennis, onder het overkunstig tapijtwerk van FaŽtons fabel, dí allerheerlijkste van Nazoís Herscheppinge, gebloemd en overschaduwd wordt, om, gelijk HoritŪus zegt, het oorbaar met den honig van vermakelijkheld liefelijk te mengen, te matigen, en ruwe onbeslepe zinnen te schaven en te wetten. Mij gedenkt, dat van wijlen de doorgeleerde heer Vossius tegens mij zeide: Ąindien mijne pen Ovidiusí Herscheppinge op het papier ontvouwde, het zoude blijken, dat nooit geleerder boek dan Ovidiusí Herscheppinge aan den dag kwam. Het kan hierom niet ongerijmd schijnen, dat mij lustte treurtooneelwijs te bespiegelen dit voorbeeld van FaŽton, waarin de bovengemelde driederhande kennis uitschijnt. Aldus houden de historykundigen, dat FaŽton een zeker konings zoon was, die, te wagen langs Padusí oever, den stroom der Celten, rijdende, in dien stroom kwam te storten, en van zijne zusteren zoo jammerlijk beklaagd werd, dat ze, verstokt en stom van rouw zittende, in popelierboomen schenen te veranderen. Plutarchus zegt in Pyrrhus, dat dí eerste koning der Thesproten en Molossen, na den wereldvloed, FaŽton hiet, bij Luciaan, in zijn gesprek van het starrekijken, hierom den zoon der zonne geacht, wien de zonnewagen werd toegestaan, naardien hij, dí eerste van allen, den loop der zonne naarspoorde. Natuurkundigen zeggen, dat FaŽton de zoon van de zonne en Klymene genoemd wordt, naardien hij, volgens zijnen naam in het Grieksch, brand en hitte beteekent, die uit de zonne spruit. Klymene bediedt het water. Wanneer nu de zon de dampen ontsteekt, dan openbaart zich de hitte, omtrent den herfst, bijkans onverdraagzaam, en die, na het uitbarsten van bliksem en donder, door den slagregen verkoelt; waarom gezegd wordt, dat Jupiter FaŽton uit den wagen klonk. Staatkundigen en zedevormers leeraren door FaŽtons fabel, dat de heerschappij van hooge staten alleen aan wijzen en voorzichtigen, en niet aan wulpen en onbeslepe harssens, te betrouwen staat; naardien aan het wel en kwalijk regeeren het heil en onheil des volks hangt. De goddelijke Plato mocht hierom met recht zeggen: ĄWij zullen de moeders en voÍsters vermanen, den jongen knapen uitgeleze fabelen te vertellen, en hunne gemoeden naarstiger met fabelen dan met handen te fatsoeneeren. Wat nu deze tooneelwijze belangt, dit treurspel is niet eenvoudig en doorgaans eenen zelven toon van droefheid houdende, maar ingewikkeld, dat is ongelijk van toon. Blijschap en droefheid steken op elkandere af. De hartestochten, liefde en gramschap, hoop en wanhoop, woelen en barnen heftig, door dí onderlinge bloedverwantschap van ouderen en kinderen, den nood bij hemel, aarde en zee geleden, en schrikkelijken overgang van geluk in ongeluk, machtig onverzetbare gemoeden schrik en meÍdoogen in te boezemen. Het zoude mij lusten, dit breeder ítí ontvouwen, maar de schouwburg schuift de gordijnen op, en Klymene met hare kinderen, voor Febusí hof, te voorschijn komende, gebiedt me te zwijgen, en aandachtig toe te luisteren.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001