Joost van den Vondel (1587-1679)

FAňTON OF REUKELOOZE STOUTHEID.

TREURSPEL.

Aļ. 1663

INHOUD.

FaŽton, Febusí en Klymenes zoon, van oom Epafus, Jupijns en Isisí zoon, getergd en beschimpt, over dí onkunde aan zijnen vader, hem van Klymene (zoo de schimper uitstrooide) toegelegd, bidt de moeder, dat ze hem toch zijnen rechten vader toone, hetwelk zij belooft. Hier op trekt ze, met den zone en hare drie dochteren, FaŽtuze, Lampete, en Febe, uit ∆thiopiŽ door OostindiŽ, naar Febusí hof en den opgang der zonne, daar Febus haar en de kinders wellekomt, FaŽton verzekert, dat hij zijn eigen vader is, en, tot een onderpand van dien, met eenen hoogen eed zweert den zoon te schenken, wat hij op zijnen vader zal begeeren. FaŽton dacht reukeloos, den zonnewgen ťťnen dag te mogen regeeren, hetwelk Febus hem ongaarne, doch door den hoogen eed verbonden, ten leste inwilligt. FaŽton stijgt hier op vrolijk te wagen, rukt voort, en, onbedreven in het mennen der zonnepaarden, verbijsterd, mist de rechte heerbaan, en helpt de paarden, ten bederve der wereld, aan ít hollen. Jupiter werd hierom van Juno en den Hemelraad gedwongen, dien brand te blusschen, en treft den reukeloozen wagenaar , dat hij in den Padus (sedert den Eridaan naar hem genoemd) nederplompt, daar de moeder en gezusters met Cygnus, het begraven lijk beklagen, en K]ymene hare dochters in poplierboomen, Cygnus in een zwaan ziet veranderen. Febus, in zijnen rouwe van de Goden beklaagd en treurig, laat zich endelijk troosten, en gaat hene, om den gerabraakten zonnewagen te herstellen, en weder te regeeren

Het treurtooneel is Febusí hof. Het treurspel begint met den opgang, en eindigt met den ondergang en de lijkstaatsie van FaŽton.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001