Joost van den Vondel (1587-1679)

FATON OF REUKELOOZE STOUTHEID.

TREURSPEL.

A. 1663

EERSTE BEDRIJF

KLYMENE, FATON, ZONNNELINGEN.

KLYMENE.
O Faton, mijn zoon! en gij, drie Zonnelingen,
Gezusters hier is t hof des Gods, die alle dingen
Bezielt en leven schenkt en voedt en onderhoudt.
Hier rijst het Zonnehof, van Mulciber gebouwd,
Toen hem de Hemelraad en bouwheer innewijdde.
Waar t wonder, zoo Jupijn dit wonderwerk benijdde,
Pia met den bliksem eens beroofde van dien glans?
De bouwheer, vierig in dien arbeid, hing bijkans
Aan dit gesticht al t elst wat Oosten kon bevatten,
En plonderde Indus kust en China van haar schatten.
Pactool en Ganges, alle eilanden bon de hand,
Ten bouwe, en zweetten goud, gesteente en diamant.
Natuur, gedoken in het ingewand der aarde
En blinkende aderen van rijke mijnen, spaarde
Noch zweet, noch kosten, om dit hof te zien volwrocht.
Nu ziet ge t werkstuk, dat gij met verlangen zocht.
FATON.
Klymene, moeder! ei, wil uwen zoon verschoonen,
Mijne enkle bede was, gij woudt me vader toonen;
k Verlang naar Zonnehof, noch star, noch rijzend licht,
Het rijz zoo schoon het wil; k verlang het aangezicht
Van mijn Heer vader eens met kennisse t aanschouwen.
Dat had Vrouw moeder mij beloofd. Zou mijn betrouwen
Mij missen? liever wenschte ik nooit de zon te zien,
Den vader van den dag!
KLYMENE.
                                          O, zoon! bedaar. Misschien
Verwenscht uw mond hetgeen uw hart wenscht. Leer bedaren
FATON.
k Versta dit niet. Belieft Vrouw moeder t openbaren
Waarin hij dwaalt, die van verlangen kwijnt en sterft,
Zoo lang het oog t gezicht van zijnen vader derft.
KLYMENE.
Nu zet uw hart gerust, mijn zoon! wij zijn al nader
Bij vader dan gij weet. Ik noemde u flus den vader,
Den God, die t al verlicht en voedt en leven geeft.
FATON.
Vrouw moeder! is het waar? och! is het waar? zoo leeft
Ter wereld niemand zoo gelukkig en zoo blijde.
De blijschap opent al mijne aders. Och! ik lijde,
Van blijschap dronken, schier een doodelijke smart.
De vreugde zet teffens al de geesten van het hart.
ZONNELINGEN.
Vrouw moeder! is het waar? Wat boren wij? Ontvingen
Wij hierop uit uw mond den naam van Zonnelingen?
FATON.
Vrouw moeder! is het waar? bezweer dit, vast en trouw.
KLYMENE.
Mijn kinders! hoort. Zoo waar als ik de zon aanschouw,
Die alle dingen ziet: ik zwere u, bij die stralen,
Waarbij de levenden hun geest en adem halen,
De vader, die het licht aan al de wereld deelt
En schenkt, heeft u hij mij gewonnen en geteeld.
Verziere ik dit, zoo moet dit hart meineedig kwijnen,
En na deze uur geen zon mijn aanschijn meer beschijnen.
FATON.
Gelukkig is de zoon, die nu zijn vader kent!
Nu leve en zweve ik in mijn eigen element.
Schep moed, o Faton! gij steigt in s Hemels daken.
De bergen zinken in t verschiet. Mijn voeten raken
Geene aarde. O, zonnebloem, o zonnetelg! schep moed:
Gij sproot uit hemelsch zaad, met een uit sterfiijk bloed!
Schept moed, gezusters! Hoe? is u de moed bezweken?
ZONNELINGEN.
Wij staan verstomd. De vreugd belet den moed te spreken.
FATON.
Nu durf oom Epafus mij niet verwijten, dat
Vrouw moeder mij bedriegt en Febus afkomst schat,
En, zonder grond en slot hem mijnen vader noemde.
Laat Isis zoon, die op Jupijn zijn vader roemde,
Nu zwijgen! mij genoegt, dat ik mijn vader ken,
En zeker d afkomst van dien grooten Febus ben.
KLYMENE.

Och, kinders! k wensche, dat u s rechten vaders kennis
Tot eeuwig heil gedije, en niet tot schade en schennis.
Verheft uw hart niet. Schuw de hovaardij vooral.
Vermijdt vermetenheid, die menig bracht ten val.
Het pest den pauw uit trots den staart om hoog te steken:
Maar nauwlijks heeft hij op zijn voeten nergekeken,
Of al de moed zijgt naar, zoo hoog de staart eerst rees.
Is God uw vader? k ben uw moeder. Och, ik vrees!
Wat ging mij over, dat ik u den vader meldde?
Schoon basterd Epafus u basterdkinders schelde,
En vondelingen, bij den weg geraapt in t slijk;
Het waar veel nutter dit verwijt en ongelijk
Te lijden, dan bezorgd te vreezen en beseffen,
Dat ge op dien hoogen stam verwaand u mocht verheffen,
En met uw lijfsgevaar een reukloos stuk bestaan,
Dat, duizenden om een, ten ergste mocht beslaan.
Helaas, mijn kinders! och, had moeders mond gezwegen!
Wat baat de kennis van een waarheid, die geen zegen
Maar vloeken naar zich sleept? De Hemel zij uw stut!
De waarheid is wel goed, doch elk niet even nut.
De vader Febus wil u met zijn licht geleyen!

ZONNELINGEN.
Hoe, moeder! hoe, is t ernst? is t nu een tijd van schreyen?
Wat komt u over? Zijt gij van verstand beroofd?
De zon scheen nooit zoo schoon op uwer kindren hoofd
Als nu. Gij zult uw zoon en dochters rijk besteden.
Nu worden ze van elk bewyrookt, aangebeden,
Als telgen, voortgeteeld uit hemelsch zonnezaad.
Ai, wisch de tranen van de kaken. Moeder! laat
Ons heldre blijschap niet beneveld van uw tranen.
Dees kennis zal uw zoon den weg ten Hemel banen,
Langs vaders heerbaan, op het lang bereden spoor.
FATON.
Dat s recht. Nu groeit mijn hart. De vader reed me voor.
Zou een rechtschape telg van haren stam veraarden?
Nu schuwe ik d aarde omlaag en volg de Zonnepaarden,
Zij voeren mij zoo hoog, dat Epafus zich schaam,
Als hij den aardbom hoort gewagen van mijn naam.
Brengt lauwerblan. Bekranst mijn hoofd met vaders lover
KLYMENE.
Mijn zoon! het was mijn schuld: mij kwam een zwakheid over.
Een donkre inbeelding viel mij, als een mist, op t hart.
Maar laat ons Febus hof bespiegelen. Hier tart
Een onwaardeerbre kunst den rijkdom van de stoffen.
t Vernuft van Mulciber heeft net natuur getroffen
Naar t leven, daar het oog zijn Godheid in aanschouwt.
De pijlers dragen t hof ten Hemel. Klinkklaar goud
En barnsteen gloeyen hier en schitteren, als vlammen.
Het sneeuwwit elpenbeen geeft dak. Op heldre krammen
Van diamanten draait de valdeur, dat het kraakt.
Daar zien we, hoe de zee op strand haar golven braakt,
En met hare armen al den aardkloot weet t omvangen,
Waarover t rijk gewelf des hemels werd gehangen.
De blauwe Zeegon, op den Oceaan gesnen
De grijze Tritons en God Proteus, nooit in n
Gedaante, en ander spook, in t zeeschnim, niet te temmen,
Op walvisch en dolfijn en schulp, het diep bezwemmen.
De blanke Doris voert haar dochters aan den rei.
Het aardrijk draagt er stad en bosch en allerlei
Gedierte en ongedierte en akkergon en vlieten
En bergen, dicht voor t oog, of die allengs verschieten.
De starrehemel drijft om hoog, gerust en blij.
De hemelteekens staan gemaaid op elke zij.
ZONNELINGEN.
De kunst van Mulciber is hier in top voltogen.
FATON.
Nu hoop ik vader zelf t aanschouwen met mijne oogen.
KLYMENE.

Hij is voorhanden; maar gij moogt in dezen staat
Hem niet genaken. Fluks, verander uw gewaad.
Gij en uw zusters moet uw lichamen beslingren
Met regenbogen, schoon geweven met haar vingren,
Vol zonnestralen, rijk van kleuren, in het oog
Zoo hemelsch geschakeerd, gelijk de hemelboog
Ons toestraalt, als het licht der zonne door wil breken.
Nu, kinders! rept u. Wilt gij vader Febus spreken
En hem behagen, neemt te hulpe al wat gij kunt.
De kleeding maakt den man. Elk spoede zich. Zoo munt
Het kroost der Goden uit. Zoo ziet men jonge loten
Den goddelijken stam gelijken, daar ze uit sproten.
Bezwaait mijn leden met dees blauwe wolk, bezaaid
Met goude sterren, van stroomjofferen genaaid.

ZONNELINGEN.
Als vader nu verschijnt, om mondgemeen te worden?
KLYMENE.
Dan wil ik voortren. Gij, mijn dochters, past met orden
Te volgen, Fatuze in t midden van u dry,
Lampete en Febe, naar heur orde, aan elke zij,
Gelijk een halve maan, om uwe moeder hene,
Of Vader u hierop genadiger beschene.
FATON.
Vergeet ge Faton?
KLYMENE.
                                  Gij zult mijn slinke hand
Beklen, beneden mij. Men houide driewerf stand
En kniele driewerf ner, wanneer we God genaken,
Doch langzaam, niet te dicht. Hij is te sterk in t blaken
En stralen uit zijn troon; dies slaat het aanzicht ner.
Genaakt oodmoedig; want Gods majesteit is ter,
En lijdt geen schimp noch hoon. Verwacht een gunstig teeken,
Waarme de Godheid u gewaardige te spreken.
Maar luistert: k hoor een galm en vrolijk zanggeluid.
De hemelsche Uren tren ten hemelrei vooruit.
Vertrekken we aan een zijde, en matigt uw verlangen.
De vader Febus zal, op deze lofgezangen,
Ten troon verschijnen en verhooren ons verzoek.
Nu luistert toe, en houdt u stil om dezen hoek.
REI VAN UREN.
Ie ZANG.

Verheffen we eenstemmig, met lofgedicht,
Den oorsprong van licht en leven,
Hoog verheven,
De Godheid, der sterren luister en licht,
Die rondom zijn aanschijn zweven,
Aangedreven
Van een dankbaar hart, vol vreugd,
Voor t genot van al zijn deugd.
Nu laat one God Febus vieren,
Besteken, en vercieren
Met laurieren!

Ie TEGENZANG.

Het opperste rijkshoofd op s hemels troon Verheerlijkt hem naar zijn waarde,
En vergarde
Onendigen zegen in zijnen zoon,
De blijschap der welige aarde;
Want zij baarde
Jaarlijks vruchten uit haar schoot,
En verzaadde s menschdoms nood,
Gekoesterd door Gods vermogen,
Die nerstraalt voor alle oogen
Uit den hoogen.

IIe ZANG.

De nachtegaal, enkele stem en pluim,
Gemoet hem alre van onder
In het byzonder,
En smeekt God, dat hij toch de kimmen ruim,
En oprijz, gelijk een wonder,
En doorgronder
Van al wat de nacht verbergt.
Hij, tot opstaan aangetergd,
Zal endlijk te voorschijn komen,
De slaapzucht en de droomen
Innetoomen.

IIe TEGENZANG.

Hij zal haast verschijnen in zijne pracht
Van purper, met goud doorslagen,
Voortgedragen
Op eene klaar blinkende fenixschacht, Gekroond, op Jupijns behagen,
Het zal dagen
Uit karbonklen van zijn kroon,
Zes paar even rijk en schoon.
Zoo zwaait hij een torts van geuren,
Voor wierook uit te keuren,
Schuw van treuren.

IIIe ZANG.

Zoo zet hij zich op een smaragden troon,
Die d eeuwigheid kan verduren.
Dagen, uren,
En jaren bewaken het schoonste schoon. Lent, Zomer, Herfst, en de sturen
Koude en guren
Winter, wreed van aangezicht,
Houden wacht om t heilig licht,
Dat zich hoog in goud zal zetten,
En staven goude wetten,
Zonder smetten.

IIIe TEGENZANG.

De nacht verdwijnt, om den morgenstond
Te wekken. De rozeknoppen,
Zoet op droppen,
Verlangen, den dauw met open mond
Te drinken, als t licht komt stoppen
s Hemels toppen
Met zijn kracht en heerlijkheid,
En ontzagbre majesteit,
Van Godhen en menschentongen,
Ter dankbaarheid gedrongen,
Toegezongen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001