Joost van den Vondel (1587-1679)

FATON OF REUKELOOZE STOUTHEID.

TREURSPEL.

A. 1663

TWEEDE BEDRIJF

FEBUS, KLYMENE, FATON, ZONNELTNGEN.

FEBUS.
De nanacht duurt nog; mensch en dier en vogel rusten,
Op bed, in hol en boom, langs d Oostenlingsche kusten.
De nachtegaal alleen, die zingende volhardt,
Getuigt, dat hem dees naam met recht geschonken werd,
Dewijl hij, eer mijn torts de schaduwen komt storen,
Vr dag, vr dauw, zijn stem schakeerende elk laat hooren,
In t Indiaansche rijk, dat vorst noch winter kent
Maar eeuwig bloemen draagt, en daar de blijde lent
Gedurig kwinkeleert, de rozen nimmer sterven,
De zomer eeuwig riekt, de levendige verwen
Van goud en purper, op de vogelpluim gesprengd
En tot tapijt gewrocht, getuigen wie haar mengt,
Verdrijft, en wrijft, en weet zoo hemelsch te gebruiken,
Dat alle kunstenaars en kunstpenseelen duiken,
Het licht aanbidden, en uitroepen: al ons werk
Is doof, en niet dan schijn. De zon, de kunst te sterk,
Blijft overwinner in dees renbaan, daar wij sliepen.
Zoo klonk I Pan, toen alle tongen riepen:
Men loof den schutter, die den Python vellen kost.
Men offre stieren. En heeft duizenden verlost,
De lucht, en t land, en al het Aziaansch geweste
Gevaagd van zulk een stank en vloek en Helsche peste.
Alle akkers lagen vuil, onvruchtbaar, en verrot.
Dat heerlijk heldenwerk vereischte alleen een God.
Geen sterflijk mensch dorst ooit eens droomen, eenmaal denken
Dat gruwzaam landgedrocht te naderen, te krenken.
Het dekte heuvels met zijn krullen, wijd gespreid.
Men zag de beemden en de bergen afgeweid
Van zwart en blauw venijn. De doorne en distel wiesen
Alle oogsten over t hoofd, en staken fel, als spiesen.
Het onkruid overwon het uitgelezen zaad.
Gansch Oosten schreide. Ik nam mijn trotsch geweerte baat,
Mijn koker, zwanger van geslepe en spitse pijlen,
En schoot, en trof. De draak ontwaakte, en, eerst aan t kwijlen,
Daarna aan t scheiden en schuimbekken, sprong op sprong,
Nam teffens al t vergift op zijn driepunte tong,
En spalkte blikken op, gelijk een barrenoven.
Mijn vleugels voerden mij gezwind en snel naar boven,
Zoo hoog, dat bij vergeefs de groene gal uitbraakt.
Toen weder op hem afgestegen, hem genaakt,
En, eer de leste pijl gespild was en verschoten,
Gaf t gruweldier den geest. Daar lag het uitgegoten,
Zoo lang gelijk het was. Toen zong al t veldgespan
En danste en blies klaroen en bromde: I Pan!
Bewyrookt, kroont en kranst Apollo, den verpletter
Des schrikkelijken draaks, gesmoord in bloed en etter.
Maar, laas! d ondankbaarheid der menschen is zoo groot,
Dat elk Gods weldaad en het redden uit den nood
Vergeet, in stede van altaar en kerk te stichten,
Om door godsdienstigheid ons Godheid te verplichten;
Dies vinden wij geran het Pythisch feest in zwang
Te brengen, naar den naam van d overwonne slang:
Wat jongling zich den boog te handlen laat behagen,
Of overwinner blijft, in t rennen met den wagen
Door t stuivend stof, of snelst den loopprijs wint te voet,
Dien zal men kransen met den grooten lauwerhoed,
En met klaroen en zang ten offerdisch geleiden.
Maar wie genaakt ons dus eerbiedig, eer we scheiden?
KLYMENE.
Genade, Apollo! God Apollo, zijt gegroet!
Zijt anderwerf gegroet, en driewerf, hemelgloed
En eenig oog, waarop de Gon en menschen staren!
Men eere u billijk met gezangen en altaren
En offeranden; want wij leven door Uw kracht:
Waar gij uw aanschijn dekt is t eeuwig, eeuwig nacht.
FEBUS.
Wie groet ons onverwacht door haren sluyer hene?
Ontdek uw aanschijn. O, mijn wederzon Klymene!
Genaak ons vrij; en gij, getrouwe Hoftrouwant!
Ontvang dees fakkel, die te klaar schijnt, uit ons hand.
Ook willen we ons perruik wat matigen in t pralen:
Zoo mogen we ongekwetst uw aangezicht bestralen.
Mijn schoone!in t lauwerbosch, gelijk een tegenzon,
Gekust en wergekust, toen liefde een God verwon,
En geen omhelzen, geen lief koozeo hem verveelde,
Tot hij uit uwen schoot vier lieve kindera teelde,
Waarin de blozendheid van hunnen vader bloost,
De Godheid, licht gekend in zijn natuurlijk kroost.
Wij wenschen hen te zien in heerlijkheid voltogen.
KLYMENE.
Zij knielen schaamrood en beschaamd voor vaders oogen.
FEBUS.
Getrouwe gemalin! genaak ons, blijf niet schuw;
Dat ik u wellekoome, omhelze, en kusse. Nu,
Mijn kinders! kust dees hand, waarmede ik moeder trouwde,
Een trouw, die wettig mij in eeuwigheid nooit rouwde.
Wat oorzaak drijft u hier, zoo hoog in t Oostpaleis?
Wat heeft uw hart beweegd tot zulk een zware reis?
KLYMENE.
De smaad, onschuldig van oom Epafus geleden.
FEBUS.
Veraardt mijn broeder dan van vaders aard en zeden,
Die, ieder even na, geen recht tot klagen geeft?
KLYMENE.
De smaad, dus lang gelen, is zeker t onbeleefd.
FEBUS.
Wat stof wordt hem besteld, dat hij onze afkomst lastert?
KLYMENE.
Hij scheidt uw Faton uit haat en nijd een bastert,
En deze uw dochters een onwettig snood gebroed.
Dat staat me op hartewee en tranen. Vader! moet
Dit langer duren, k zal van rouw mijn hart verteren.
FEBUS.
Durf Epafus zoo trotsch mijn hemelsch zaad braveeren?
Dat lijde ik nimmermeer. Hoe wordt zijn geest zoo vlug?
Niet hooger, Epafus! zie om; ai, zie terug!
Hoe hiet de maagd, en hij, die haar met kracht schoffeerde,
In eenen dikken mist, toen ze in een koei verkeerde,
Al wordt ze, in koeyeschijn, bewyrookt aan den Nijl?
Wie andren t onrecht kwetst, wordt met den zelven pijl
Naar recht en reden wer in t hartepunt getroffen.
Wat mag die booswicht, een gevloekte basterd, stoffen!
Een die zich zelven niet wil kennen, wordt gekend
Van andren, die hij met zijn lastertonge schent.
Hoe dus? k zie d oogen van mijn kindren overloopen.
Schept moed! uw vaders hart staat voor u allen open.
Hij kent u alle voor zijn zaad en wettig bloed:
En twijfelt ge aan mijn woord, en kunt ge op dezen voet
U niet verzekren, eischt al wat ge zoudt begeeren
Ten onderpand. Mijn zoon, eischt onbeschroomd! Wij zweren
Bij Plutos jammerpoel, het Heiligst, daar de Gon
Hun eed bij staven: k zwaar u heilig, bij mijn kroon
En hoofd, al wat ge wenscht zal vader u niet weigren.
FATON.
Heer vader t gun me en laat me op uwen wagen steigren,
En nen enklen dag uw paarden voeren om
Den aardkloot. Epafus zal, voor dees glorie stom,
Verbluft en schaamrood staan en zeil en bloedvlag strijken.
Zoo rake ik boven wind. Zoo moet die stoffer wijken.
KLYMENE.
Och, zoon! wat eischt ge? Zijt ge van verstand beroofd?
De vader ziet u met den nek aan, schudt het hoofd
Wel driewerf achter een, gaat bene, en stampt van tooren.
Nu is het uit met ons. Hij weigert u te hooren.
Hij staat verbaasd van schrik, om dien gestaafden eed.
Helaas! wat gaat ons aan? Van bangheid breekt me zweet
En bloed uit. Schrik bevangt en schudt uw moeders leden.
Waartoe vervoerde ik u? Daar komt hij herwaart treden,
Verbolgen en bedroefd om zulk een stouten eisch.
FEBUS.
Och, Faton, mijn zoon t indien ge een aartspaleis,
Een Oostersch errefleen verzocht, naar stijl en orden;
Of woudt ge uw lichaam met een kleed van licht omgorden,
Het waar u toegestaan. Nu kwetst me naberouw.
Gij overschrijdt uw perk. Ber u met Mevrouw,
Uw lieve moeder, eisch onoverwinbre standers
En moedigheid in t veld, een goudmijn of iet anders,
Een konings dochter, die geen gade in schoonheid kent;
Maar, wat gij eischt, bewaar uw eigen element!
Het lot van sterflijkheid is u te beurt gevallen;
Gij kent mijn wagen niet, noch mijne paardestallen,
Noch paarden, noch de baan, die mij te rijden staat.
Jupijn, die werelden met zijnen bliksem slaat,
Kan zelf de wielen niet bestieren noch regeeren:
En wie is machtigen dan t hoofd der Hemelheeren?
FATON.
Heer vader! k ho me vast aan uw gezworen eed.
FEBUS.
Ook! eed, te reukloos voor een reukloos kind gereed!
Zal nu een God zijn eed verloochenen en schennen?
Lichtvaardig weifelen? Wie zal zich niet gewennen,
Op zulk een voorbeeld, voort te varen los en valsch,
Om dien gestaafden eed te halen door den hals?
Vrouw moeder t zie uw zoon, is t mooglijk, om te zetten.
Zie toe, hij zal uw linie met nen slag verpletten;
Beweeg hem af te staan van zulk een dol verzoek!
KLYMENE.
Wat gaat u over, zoon? Wilt gij uw vaders vloek
U laden op den hals, en Epefus verblijden?
Hoe zou hij groeyen in uw ondergang en lijden!
Verander van beraad: gij zijt een sterfiijk mensch.
ZONNELINGEN.
Heer broeder! geef gehoor: ontsla u van dien wensch,
Heer vader van dien eed. Och, of ge lager draafde!
FATON.
Ik ho mij aan den eed, dien vaders mond mij staafde;
Ik keer me aan moeder noch aan zusters t minste niet.
ZONNELINGEN.
Zoo helpt ge moeder en uw zusters in t verdriet.
FATON.
k Wil vaders, moeders, en der zustren eer verheffen.
KLYMENE.
En komt het ongeluk uw hoofd, mijn kroon, te treffen,
Zoo stort ge met uw hoofd voorover in het slijk.
Gij zijt mijn troost op aarde en uwer zustren wijk
En vrijburg. Kunt ge uw lot, dat heerlijk is, gebruiken
Geen morgenrozen op haar steel zoo schoon opluiken,
Als ik en gij en uw drie zusters. Geef gehoor!
FATON.
Het lust me, t vall hoe vall, het vaderlijke spoor,
Het gouden zonnespoor te volgen, en te zwaayen
Rondom den hemelkloot, al zou er t hoofd af draayen,
En d oogen in het hoofd van schemeren in t licht.
KLYMENE.
Ook, zoon t God Febus laat van rouw zijn aangezicht
Nerhangen op de borst, en wordt ge niet bewogen?
Aanschouw dees borsten! Ook, gij hebt zoo jong gezogen
En zoogt me met de melk het bloed van t zuiver hart,
Waaronder ik u droeg, veel maanden lang, met smart;
En deze uw zusters zijn met u de borstgenooten,
Gedragen onder t hart, waaruit gij zijt gesproten,
Van eenen zelven stam, n Godheid. Zie haar aan:
Zij schreyen. Vader zelf, een God, veegt traan op traan
Van t aanschijn, dat nu zweemt naar s hemels regenbogen
Een wolk van droefheid houdt zijn helderheid betogen.
Heer vader t geef uw zoon toch reden van t gevaar,
Het onwer, dat hem dreigt; misschien of hij bedaar.
FEBUS.
Mijn waardste zoon! gij ziet uw moeder, rood bekreten,
Uw zusters doodsch van schrik. Wat durft ge u nog vermeten?
De zonnebaan loopt eerst zoo steil en recht omhoog,
Van s aardrijks kimmen naar den starrenlichten boog,
Dat zelfs de paarden, in den koelen uchtend, weigren
Het spoor te houden, en bezwijken onder t steigren.
De renbaan, midden aan het hemelsche gewelf
Legt zoo veel honger van den aardkloot, dat mij zelf
Het hart in t lichaam beeft, en popelt onder t varen,
Wanneer ik nerzie naar den aardbom en de baren.
In t einde helt de weg voorover, en begeert
In t nederrijden een gematigdheid, volleerd
Op t onbekende spoor; en Tethys, vol verlangen,
Gewoon mij s avonds in haar open schoot t ontvangen,
Bestorf, uit vreeze dat ik niet, met paard en wiel,
Voorover uederplompte en in haar golven viel.
KLYMENE.
Och, zoon! hoor vaders les; laat zijnen raad u raden.
ZONNELINGEN.
Ook, broeder! geef u niet op doodelijke paden.
FEBUS.
Nu let eens, hoe de kloot des hemels eeuwig draait,
En ommezwindelt met zijn kringen, dicht bezaaid
Van sterren. Durft ge u in die wielingen begeven?
Dn moet men tegens stroom, dn tegens wind opstreven,
Niet zonder doodschrik voor het breken van een rad
En wagenbreuk, indien het rijtuig barst en spat.
Genomen, k gunde u los op mijne beurt te reizen;
Wat ging u aan, indien de wagen kwam te deizen?
Men eert daar geenen God, in kerken en in sten.
Het zonnespoor loopt door gedierte en ondier heen.
De weg is afgemerkt, om nergens af te dolen.
Hier loeit de Stier, daar brult de Leeuw uit zijne holen.
Ginds dreigt u Schorpioen, met zijnen langen arm,
En Kreeft, die d armen buigt recht avrechts. Vecht en scherm
Eens tegens Schutters, fiksch om recht in t hart te raken.
Wat dunkt u? waar t niet nutst dien hemeltocht te staken,
En stil gebleven in uw eigen element?
Ook zijt ge t mennen van mijn paarden niet gewend,
Die vreeslijk vier en vlam uitblazen onder t rollen;
Wanneer ze hard van bek, geraken aan het hollen,
Dan luisteren ze noch naar voerman, noch naar toom.
KLYMENE.
Och, zoon! bedenk u, en ontsla mijn hart van schroom.
ZONNELINGEN.
Ai!, wil toch moeder en uw zusters niet bedroeven!
KLYMENE.
Helaas! mij hart bezwijkt, genepen als met schroeven.
FEBUS.
Mijn zoon! bedenk u nog; t is nog bedenkens tijd.
Bedien geen lastig ampt, dat gij niet machtig zijt.
Verkies het veiligste. Eischt ge een pand, uwe eer ten goede,
Waarbij het blijkt, dat gij gewis uit onzen bloede
Gesproten zijt, opdat geen lastertong u tart;
Mijn zoon, ik toon het u. Dit vaderlijke hart,
De vaderlijke vrees getuigt het. Hoor uw vader!
Uw ongeval raakt hem en moeder, niemand nader.
Bezie uw vader stijf in t hart door d oogen heen.
Daar kwetst me, Faton! uw moeders druk meteen.
Gij kunt bij dezen tocht niet winnen, maar verliezen.
De hemel, aarde, en Zee staan open. Gij moogt kiezen,
Te kusse en keure gaan. Dit eenig bidde ik af.
Gij eischt geen Godsgeschenk, maar een gewisse straf.
Waarom omhelst ge mij? dat smeeken is verloren.
Wij hebben een maal bij den jammerpoel gezworen,
k Ontzegge uw eisch niet, schoon mijn hart inwendig wroegt,
Maar wenschte alleen, dat ge u in t eischen wijzer droegt.
KLYMENE.
Ik zorg, ik zorg, gij zult dien stouten tocht beklagen!
FEBUS.
Waar blijven d Uren? Voort! spant in, spant in den wagen!
De dageraad breekt aan. De morgenstar verschijnt,
En jaagt de sterren voor. De bleeke maan verdwijnt.
Men brenge een balsemglaa. Genaak, mijn zoon! zoo blijke
Mijn liefde, dat ik u het aanzicht overstrijke,
En voor de glonde vlam beschutte. Nu, mijn zoon!
Aanvaard mijn fakkel. Laat mijn diamante kroon
U kronen; kan ik ze u betrouwen zonder tranen!
Onnoozle jonge knaap, geef t vaderlijk vermanen
Ten minste nog gehoor, hoe blind u d ijver port.
Gebruik dc zweep, doch schaars, en ho den teugel kort.
Zij loopen willig uit hun aard, als snelle stroomen,
Men kan ze in t rennen pas met arbeid innetoomen;
Vermij te rijden langs den weg, die regelrecht
Door vijf starriemen loopt en voor u open legt;
Naardien mijn heerbaan breed en dwers valt, nochtans binnen
Drie hemelriemen blijft. Gebruik verstand en zinnen;
Vermij de Zuidas en het Noordsche Berespoor,
En volg mijn heldre streek. Hier reed uw vader voor.
Zal aarde en hemel elk van pas uw warmte deelen,
Ho niet te hoog, noch ook te laag met uw gareelen:
Want rijdt ge hoog, zoo steekt uw torts den hemel aan,
En rijdt ge laag, zoo ziet gij d aarde in kolen staan.
De middelweg alleen is veilig, hoe men rijde.
Vermij de Slang aan d een, t Altaar aan d andre zijde.
Blijf binnen uw bestek van wederzij vooral,
Al t overig bevele ik t hachelijk geval,
Dat helpe en hoede u voort, in t op en nedervaren,
Beware u beter, dan ge u zelven kunt bewaren!
KLYMENE.
Och, zoon t ontho dees les en vaders wijzen raad.
FEBUS.
Gij ziet nu, hoe de nacht in t Westen ondergaat.
Nu toef niet langer; want de schaduwe is gescheiden.
De dageraad verschijnt. Men mag niet langer beiden.
Aanvaard den teugel; doch, laat ge u van vader ran,
Zoo laat, het is nog tijd, den zonnewagen staan!
Gij hebt het vaste land nog onder uwe zolen,
En zit nog niet. Laat mij den wagentocht bevolen,
Daar gij t onnoozel dus, ter kwader tijd, naar haakt.
Zie met gerustheid aan, eer uw bederf genaakt,
Dat ik den aardbom met mijn hemelsch vier verlichte.
FATON.
Heer vader t met verlof, k bedanke u. Gij verplichtte
Mij eeuwig door dien raad. Dit eenige is mijn be:
Zend mijn Vrouw moeder, en haar schoone dochters me
Al sluimerende in een wolk, naar Padus. Dats mijn haven;
Daar legt het vrolijk hart van Faton begraven.
Ik hoop ze aan d oevers daar t ontmoeten, en sla voort.
Nu moeder! zusters t dat s u veur, door deze poort.
REI.
Ie ZANG.

Wat is de kinderliefde krachtig,
En ouderliefde koud en kil!
Wie kan dit onderling geschil
Beslechten, en haar beide eendrachtig
Vereenigen? Wie dit vermag,
Kan vier en water t zamenmengen,
Dat zelf natuur niet zou gehengen.
Zij strijden fel, als nacht en dag,
Als vier en ijs, en kool en kegel.
Men kan geen rechtuitstrijdighen
Vereenigen. Dat blijft een regel,
Die vast gaat. Zet ze tegens een:
Gij ziet haar op elkandre afsteken,
Gelijk de deugden bij gebreken.

Ie TEGENZANG.

Nochtans had Faton verlangen
Te zien zijn vaders aangezicht;
Hij zocht het alverkwikkend licht,
Met moeyelijke en zware gangen,
Doch t was om zijnen vader niet,
Maar om genot van hem te trekken,
En schande met deze eer te dekken,
Het eenig wit, dat hij beschiet.
Het sproot geensins uit vaderliefde,
Maar om t ontgaan de bittre smart
Van Epafus, wiens tong hem griefde
En trof in t binnenst van zijn hart.
Zoo duurt de min, in t kinderoordeel,
Niet langer dan t genot en voordeel.

IIe ZANG.

Zoo zal het Westen t heldere Oosten
Gaan aandoen, over zee en zand,
Om purper, goud, en diamant,
En zich Charibd en Scyl getroosten.
Gewinzucht ziet geen rampen aan,
Geen hitte, noch bevrozene assen;
Geen waterhonden haar verbassen,
Geen storm, noch bulderende Orkaan,
Zij vreest geen wilde menschevreters;
De winst verzacht den arrebeid,
En veilt en vent zich om wat betere.
De liefde scheidt, daar aanwinst scheidt.
Hier worden d ouders uitgezonderd:
Dt is een stem, die eeuwig dondert.

IIe TEGENZANG.

De vader Febus, rijk van schatten,
Die d eerste kroon in t starlicht spant, Bemint zijn zoon, als t rijkste pand,
Dat aarde of hemel kan omvatten.
Hij wacht geen voordeel van den zoon,
Nog bleek zijn trouw en liefde in t scheyen.
Men zag de zon van droefheid schreyen.
Dees liefde zag op winst noch loon,
Zij zag alleen op s jonglings beste,
En vreesde een dreigende ongeval.
Hoe raakt hij nog, van t Ooste aan t Weste,
Behouden in den avondstal?
Hij treedt zijn vaders hart met hoeven.
Hoe menig sneuvelde onder t proeven!

SLOTZANG.

Nu laat ons in de zonnezalen,
Behangen met tapijt van stralen,
Klymene en hare dochters gaan
Bedienen, daar ze leggen aan
Den disch, gedekt met lekkernye
Van nektardrank en ambrozye;
En haar, gedurende den tocht
Van Faton, alle achterdocht
Benemen, of hem iet mocht deeren.
De Hemel mag geen vreugd ontberen.
De blijschap kwam hier nooit te vroeg;
De rouw komt altijd tijds genoeg.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001