Joost van den Vondel (1587-1679)

FATON OF REUKELOOZE STOUTHEID.

TREURSPEL.

A. 1663

DERDE BEDRIJF.

KLYMENE, FEBUS, ZONNELINGEN.

KLYMENE.

De zorg der Goden wil mijn zoon op weg geleiden!
Het viel mij, als een steen op t hart, dat hij in t scheiden
Den vader smeekte, mij en zijne zusters naar
De kust van Padus heen te zenden, en ons daar
T ontmoeten. Wat mocht hem bewegen dit zijn haven
Te noemen? Wat wo dit: daar legt mijn hart begraven?
En waarom legt zijn hart begraven aan dien stroom?
Dit voorspook spelt niet goeds, en baart me schrik en schroom.
Waartoe den watervliet van Padus uitverkoren,
En thiopi ( t gewest, daarbij geboren,
En zijne zusters, eerst uw klaarheid stralen zag)
Verlaten en uitheemsch verhuisd? Een ieder plag
Naar zijn geboorteland naturelijk te haken;
Dees landstreek voedde hem, dat kan hij niet verzaken.
Ook paalt het Zuiden zooveel nader aan uw Hof,
Den oorsprong van zijn heil; hetwelk tot grooter lof
En zegen strekt, dan van zijn vaders grens te dwalen,
Een vreemde nagebuur te zoeken, in de palen
Van t donker Westen, eens zoo wijd van uwen troon.
Of schijnt de middagzon in t hoofdpunt niet zoo schoon,
En al te krachtig op het hoofd der Zuiderlingen,
Dat hij den avond kiest en Westwaart uit moet springen?
Ik kan, hoe t zij, geensins dit vatten en verstaan,
Zijn afscheidrede jaagt mij schroomte en doodschrik aan.

FEBUS.
Ai, moeder t zet uw hart gerust, en wil niet schrikken.
Ik weet deze afscheidrede in hare vouw te schikken.
Uw zoon ging niet verdwaald noch blindeling te keur,
In t kiezen van dien stroom in d avondstreek. De geur
En adem van dat land verkwikt mijn heete stralen
En paarden, nat van zweet en moede in t nederdalen;
Wanneer de dagvaart om den halven hemelkloot
Is afgelegd. Die streek ontvangt me in haren schoot,
Gelijk een blijde bruid den brugom plag t ontvangen
Met opene armen, en een onverzaagd verlangen.
Hij wege, wien het luste, al t aardrijk in een schaal;
Dees landstreek overweegt de landen al te maal
In schoonheid, waar mijn zon het gansche jaar hare oogen
En aanschijn nederslaat, uit s hemels goude bogen:
Waar t wonder, zon uw zoon verlangde naar dit land,
Dat d eerste landkroon van alle andre landen spant?
De landstroom Padus, die ten berg af ner komt spoelen,
Is machtig s jonglings brand in zijne kil te koelen,
En hem te wasschen, daar zijne afgeronde kar
Te water ondergaat, begroet van d avondstar.
KLYMENE.
Och, had hij zich dien tocht niet durven onderwinden!
FEBUS.
Schep moed, gij zult hem daar in t nederdalen vinden,
KLYMENE.
Hiertoe verleenen hem de Goden heil en spoed,
Dat ik hem kranse met zijn vaders lauwerhoed!
FEBUS.
Wat oefensapelen laat de jongling zich behagen!
KLYMENE.
Te vliegen over t veld, door bosch en groene hagen,
Naar dassen, hart, en hinde, en allerhande wild.
FEBUS.
Hij zweemt naar s vaders aard, die macht van pijlen spilt
Op wereloos gedierte, ook vreeslijke everzwijnen
Den zwijnspriet plag te bin, in ruigten en woestijnen:
Gelijk zijn moei Diana, in t heetst van haar jacht,
Alle andre wellusten om deze lust misacht.
En deze uw dochters, hoe besteden zij hare uren?
KLYMENE.
Aan cieren, teekenen, bootseeren, en borduren,
En dans en maatgezang en spel en fluiteklank,
Ontstoken aan t geluid van blijden voglezangk.
Ter liefde van de kunst, geen moeiten haar verdrieten,
Alle even afgerecht en fiksch op starreschieten.
FEBUS.
Zoo volgen ze den rei des Zangbergs, rijk van toon;
Daar spant Melpomen, die de treurrol speelt, de kroon
Der negen zusteren en kan mijn hart beroeren,
Als zij Prometheus komt ten treurtooneele voeren,
En klinkt hem door Vulcaan, op t bare Noordsche strand,
Met eenen spijker van geslepen diamant,
Aan eene strandklip, vast geketend ongenadig.
KLYMENE.
Aan welk een gruwelstuk was de arme man misdadig?
FEBUS.
Hij was vol geest, en in bootseeren uitgeleerd
Van menschebeelden.
KLYMENE.

                                        Och, elendige! mij deert
Uw jammer om een kunst wel waardig te benijden.
Al waar t een misdaad, z is veel minder dan dit lijden:
De straf en misdaad staan hier zeker t ongelijk.

FEBUS.
Maar neen, dat was het niet. Hij kwam het hemelsch rijk
En heilig vier te na. Dat kon geen God gehengen;
Want om het leven in zijn kleyen beeld te brengen,
Genaakte hij mijn zon met eenen berken tak,
En, eer ik ommezag in t steigeren, ontstak
De vierdief t berkenhout van achter aan den wagen,
En brocht het leven in zijn vrouwenbeeld, de plagen
Ter wereld door de vrouw, de bron en t eenig zaad
Van alle schelmerij. Verdiende zulk een kwaad
Een zachter straf dan dees? Wie uitspat buiten orden
En t vier te na komt, dient zoo streng gestraft te worden.
ZONNELINGEN.
Vrouw moeder! best, dat wij t bootseeren laten staan.
KLYMENE.
Hoe wil mijn Faton dees zonnevaart vergaan?
Mij dunkt, ik hoor Promeeth nog schreyen aan zijn keten.
FEBUS.
Hij schreide jammerlijk, verlaten en vergeten
Op t nare bare strand, daar t eeuwig stormt en ruischt,
Jupijn, te recht vergramd, met zijn vergramde vuist
Bij wijlen afstijgt, en met gloeyendige vingren
Den rooden bliksem zwaait, en schriklijk onder t slingren
Den stouten vierdief moet, maar niet tot asch verbrand.
KLYMENE.
Helaas t hoe kon hij dit uitharden in dien stand?
FEBUS.
Het rustte hier niet bij. De Dondergod beschikte,
Dat d arend door de borst hem in de lever pikte
Bij daag, de lever s nachts hergroeide en telkens wies.
Zoo boette d aanwas s nachts het dagelijksch verlies.
Dat leert den zonnevloek zich aan de zon vertasten.
KLYMENE.
Genade, o Febus! ook, wie zal mijn hart ontlasten?
Nu zorge ik, Faton kwam uwe zon te na!
FEBUS.
Hij steeg met mijn verlof te wagen. Wordt er sch
Geleden op dien tocht, mij past, dat ik t verdadig.
ZONNELINGEN.
Och, vader, vader! och, zijt broeder toch genadig!
FEBUS.
Mijn hart hangt over hem nog eveneens als t plag.
KLYMENE.
Al, sterk dit met een pand, dat ik betrouwen mag.
FEBUS.
Ik zal het sterken, uu aan d Oostpoort trouw geleiden,
En met juweelen rijk beschenken, nu wij scheiden.
Deurwaarsters, Uren, voort! en haalt ons voor den dag
t Juweelekoffer, t schoonst dat menschenoog ooit zag,
Gewrocht van Mulciber. Men mag de stof waardeeren,
Maar kunst beschaamt de stof. Hij wo me dit vereeren
En wij vereeren t u en uwe dochtren me.
Het puik van diamant en perlen, daar de zee
En Ganges moed op draagt, legt in dees doos gesloten.
Sluit d Oostpoort open. Nu, mijn liefste dischgenooten
Gij smaakte ambrozie, en dronkt nektar, Godendrank,
Dat kan u sterken: en gij zult den ondergangk,
Aan Padus oever, stil gevoerd van Oostewinden,
In eens koele wolke, al sluimerende vinden
En t avond uwen zoon, God geve zonder smart,
Gelijk het wordt gewenscht van t vaderlijke hart!
Nu kust me, o, rozemond Klymene! mijn getrouwe,
En gij, mijn dochters! dat de Westersche landouwe
U vrolijk wellekoom. Wij willen t elkemaal,
In t nederzinken van den avondzonnestraal,
U daar bezoeken. Weest te vrede. Spaar uw tranen:
Ons zorgen zullen u den weg ter eens banen.
Nu treedt door d Oostpoort. Wij geleiden uwe reis.
Dat hene is d uitgang van het Oostersche paleis.

JUNO, FEBUS.

JUNO.
Wat wolk is ginder snel naar t Weste heengevlogen?
Wat vier ontsteekt de lucht? Mijn pauwestaart, vol oogen
En schoon van veder, ziet geschonden en gezengd.
Wat komt ons over? Suft ge in t hof alleen? Gehengt
Gij zonder toezicht, dat uw paarden henerollen?
Of kennen zij hun spoor? of is u t hoofd op hollen?
De zonnewagen stijgt met kracht naar t hoofdpunt toe,
En steekt mijn lucht op t hoofd. Uw paarden zijn de ro,
Den teugel, en t gezag des meesters lang ontwassen.
De brand wordt ras gevoeld van beide s werelds assen.
Hoe gaat dit? Zijt ge tong en spraak nu teffens kwijt,
En teffens doof en stom? Spreek op: t is sprekens tijd.
FEBUS.
k Hadde eenen enklen dag besloten stil te vieren,
En liet een ander in mijn plaats den wagen stieren.
JUNO.
Een ander in uw plaats te zetten, zonder last
En God Jupijns verlof? Dees reukeloosheid past
Een dronken Boksvoet of Sileen, die licht kan dolen.
De zonnewagen is u veel te hoog bevolen.
De zegen en de vloek der wereld hangt er aan.
FEBUS.
Ik hoopte, dat die tocht ten beste zou beslaan.
JUNO.
Op eens losse hoop al s aardrijks heil te wagen?
Met eens mocht ge wel uw vader oorlof vragen?
Had hij dit reukloos stuk bezegeld met zijn stem,
Zoo bleeft ge buiten last, en schooft de schuld op hem.
FEBUS.
Men hope, dat de tocht ten beste mag gedijen.
JUNO.
En wien betrouwde gij den toom in t henerijen?
FEBUS.
Aan eenen, mij niet vreemd; doch traag, op zijn verzoek.
JUNO.
Zoo waren eischer en bestemmer even kloek.
FEBUS.
Wie zoude eens droomen, dat hier onheil uit kon rijzen!
JUNO.
Zoo spreken dommen; geen voorzichtigen, geen wijzen.
FEBUS.
Van achter zien we dit met anders oogen aan.
JUNO.
Zoo staan ze u in den nek. Zij plachten voor te staan.
FEBUS.
t Verstand is altijd niet op t snedigste geslepen.
JUNO.
De plompheid blijkt. Hier is te dapper misgegrepen.
FEBUS.
Wie zijne misgreep ziet, kan t beteren hierna.
JUNO.
Dat s niet genoeg. Hoe boet men d algemeene sch?
FEBUS.
Een ouder had ik best gezet in mijne stede.
JUNO.
Zoo koost ge een wulpschen? Want dit schijnt aan uwe rede.
FEBUS.
Men denke, een jonge moet ook leeren door een proef.
JUNO.
Wat was dit voor een wulp? O, proefstuk, al te droef!
FEBUS.
Men noemt hem Faton, gewonnen bij Klymene.
JUNO.
Hoe, reisde uw zoon zon wijd van t Zuiden herwaart hene?
FEBUS.
Om zijnen vader zelf te groeten in t paleis.
JUNO.
Betrouwt ge een stouten knaap de beurt van uwe reis?
FEBUS.
Ongaarne, alleen uit dwang; ik kon het niet ontzeggen.
JUNO.
Ontbe, ontbe, hij zal het schendig laten leggen!
FEBUS.
Ik stond te hoog en dier verplicht aan mijnen eed,
En kon hem zijn verzoek, dat mij in t harte sneed,
Niet weigren, zonder snood het heiligste t onteeren,
Den Jammerpoel, waarbij alle Oppergoden zweren.
JUNO.
Gij zwoert dan reukeloos, en stond het reukloos toe?
Helaas t veel nutter, hem met eene vlammero
Ten hove uit naar t gewest, van waar hij kwam, gedreven,
Dan dien vervloekten eisch den ruimen toom gegeven,
Al t aardrijk ten bederve en hem ten zwaren val,
Waarvan de Hemel, aarde, en zee gewagen zal.
FEBUS.
Zoo hij te vallen kwaam, gewis het zo me treffen.
JUNO.
Wie, boven zijnen staat, verwaand zich durf verheffen,
En steken overdwaalsch den Goden naar hun kroon,
Verdient, ten spiegel van verwaanden aard, tentoon
Te staan op een schavot, zoo hoog als s hemels tinnen.
FEBUS.
Hij won den halven weg; dat s meer dan eerst beginnen
JUNO.
Maar in het einde van dees renbaan blinkt de prijs.
FEBUS.
Ik onderrechtte hem. Volhardt hij op dees wijs,
Zoo mag men t jeugdig hoofd met eere lauwerieren.
JUNO.
En mist de dagvaart, pas zijne uitvaart dan te vieren.
FEBUS.
Zoo most hij blijven, in zijne allereerste proef.
JUNO.
Een droeve wagenbreuk t Nooit schipbreuk viel zoo droef
FEBUS.
Den oogst verzengen is nog d akkers niet verbranden.
JUNO.
Een watervloed verdelgde en dompelde alle landen;
Nu staat een viervloed elk te vreezen dezen dag.
FEBUS.
Tot nog toe hoort men schaars van onder het gewag.
JUNO.
Ontbe, d ontvonkte brand zal haast den slaper wekken!
FEBUS.
Vergader wolken! Laat de lucht bijtijds betrekken!
JUNO.
Dees beste brand verteert de wolken, dor en droog.
FEBUS.
Uwe Iris spanne voor de zon haar regenboog.
JUNO.
Zij smilt van hitte, en durf het in den brand niet wagen.
FEBUS.
De Waterstorter kon de hitte licht verjagen.
JUNO.
Zijn watervat is leg van vochtigheid en dauw.
FEBUS.
De Hemelheer verkwikk den landman en den bouw!
JUNO.
Men mag geen noodlot noch zijn palen overtreden.
De bovenzee verschilt van t water daar beneden,
Gelijk het aardsche vier van t hemelsche element.
FEBUS.
De nood houdt streek noch stijl, maar let op t heilzaam end.
JUNO.
Dat stond u toe, zoo hadt ge u dit niet onderwonden,
Of hem aan uwe zij gezet en ingebonden.
Nu is hij meester van dees dagvaart, u betrouwd.
Een jongen speelt met vier te zorgelijk en stout.
Indien de knaap alleen zich aan uw fakkel brandde,
Zoo mocht ge deelen in dien rouwe en schade en schande;
Nu lijdt de wereld of de halve wereldkloot,
Tenzij t geluk dit schutte en uitblussche in zijn dood.
Zoo t hooger loopt, men zal den Raad der Goden dagen,
Om raad te schaffen vr het hollen van den wagen.
Mercuur is bij der hand. Mij dunkt, ik hoor mijn lucht,
Die, ademloos en droog van keel, ten hemel zucht.
REI.
Ie ZANG.

Wij passen op ons ronde,
Gedurig op de wacht,
Verzuimen geene stonde,
Voltrekken dag en nacht
Het ampt, ons hoog bevolen.
Wat dwaalt of nimmer dwaalt,
Dit uurwerk mag niet dolen.
Geen zonnewijzer faalt
In t merken van zijn streken.
Al hoort men klok noch klank,
Ons stomme tongen spreken,
En roepen: gaat uw gangk!
Verzuimt geen oogenblikken;
Het leven rent voorbij.
O, menschen! kost ge wikken
En wegen uw getij,
Dat nimmer wer zal keeren,
Gij zoudt den tijd waardeeren.

Ie TEGENZANG.

Toen wij, met onze handen,
De paarden onder t juk
Van Febus wagen spanden,
Onwillig en met druk,
Uit angst voor s jonglings leven,
Begonnen zij t gebit,
Het mondstuk wer te streven,
Al pruisende en verhit.
Zij trappelen en steigren;
Nog worden ze getoomd,
Nadat zij t driemaal weigren,
Werbarstig en beschroomd.
Dat voorspook, dat ontstellen
Schijnt Faton niet goeds
Maar eenig ramp te spellen.
Al dorst hij zoo veel moeds
Opzitten, minst verlegen,
Het wagen ging voor t wegen.

IIe ZANG.

De wulpschheid acht geen raden,
Ziet recht noch reden aan,
Kiest zorgelijke paden,
Op ingebeelde waan
En eigen welbehagen;
Dt is een God hij haar,
Te trotsch om raad te vragen
In hachelijk gevaar.
Haar dunkt, zij kan niet dwalen,
En past op niemands gunst,
Maar zeil in top te halen;
Opzitten is min kunst,
Dan in behouden haven
Te raken, en wer af
Te zitten na het draven.
Zoo delft de onwijze een graf
Voor t reukeloos vermeten;
Dan is t te sp gekreten.

IIe TEGENZANG.

Wij tellen de oogenblikken
Van dezen bangen dag,
En sidderen en schrikken.
Men hoort allengs gewag
Van t ongelukkig mennen
Des wagens, hemelhoog
Gevoerd op hoef en pennen.
De vader houdt het oog
Gedurig, en van tranen
Besprenkeld, naar den zoon,
Die, tegens zijn vermanen
En de eer, hem aangebon,
Volhardde een staat t aanvaarden,
Die boven t menschdom stijgt.
Indien hij, met zijn paarden,
Behouden t Westen krijgt,
Het einde, daar de prijs let;
Dats meer geluk dan wijsheid.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001